Racefietsproof

Het eerste advies dat ik kreeg was dat een andere fiets mijn klim naar boven aanzienlijk zou vergemakkelijken. Het was niet onmogelijk met mijn huidige trekkingbike, maar een racefiets zou mijn kans op succes zeker vergroten.
Ooit had ik een racefiets, maar na jaren ongebruikt in het schuurtje te hebben gestaan, hadden we deze weggegeven aan een beginnende fietser. Toch denk ik met plezier terug aan mijn tochtjes op de racefiets, waarbij mijn benen zo gemakkelijk rondgingen en ik het gevoel had over het asfalt te vliegen. Waarom ik er dan zo weinig op fietste? Angst voor een lekke band, geen mogelijkheid om iets mee te nemen voor onderweg en pijn in mijn nek, waren de belangrijkste redenen.
Stap één was dus op zoek gaan naar een geschikte fiets.

Op marktplaats zocht ik naar tweedehands damesracefietsen. Maar wat was een juiste maat fiets voor mij? Met welke verhoudingen moest ik rekening houden? Om er achter te komen wat de meest geschikte framemaat voor mij zou zijn, verdiepte ik me in sites die hulp bieden bij het bepalen van de juiste maten en verhoudingen. Hiervoor moest ik diverse lichaamslengtes opmeten, waarvan de binnenlengte van mijn benen de belangrijkste was. Al snel verdwaalde ik in termen als cranklengte, zithoek, zadelpenlengte, balhoofdhoek en brackethoogte. Ik zag door de bomen het bos niet meer en besloot dat professionele hulp onontbeerlijk was.

Toen ik bij De Pedaleur naar binnen stapte, keek ik vol verwondering rond in dit fietswalhalla. Maik, de aardige fietsspecialist die zich over mij ontfermde, troonde me mee naar boven, toen ik hem had uitgelegd dat ik nul fietservaring had en volgend jaar juni de Col d’Aubisque in de Franse Pyreneeën wilde beklimmen. Gezien mijn budget, lengte en doel waren er eigenlijk maar twee fietsen mogelijk volgens Maik. Ik was blij met deze mededeling; het maakte de keuze lekker simpel.
Ik bracht nog wel een extra uitdaging voor hem in: ik had geen idee of mijn rechterarm, de arm met het lymfeoedeem, een racefiets aan zou kunnen. Misschien zou er teveel druk op de arm komen door de houding en het stuur van de racefiets, zo uitte ik mijn twijfels aan Maik. Hierop nam hij me mee naar een andere hoek van de winkel waar de ‘hybrides’ stonden. Zwaardere fietsen met een recht stuur en een iets andere fietshouding. Niet zo licht als de racefiets, maar toch ook een goede keuze om een col te beklimmen.
Mijn voorkeur ging toch uit naar een racefiets. Ook al had ik op de prijskaartjes gezien dat de hybrides een stuk gunstiger waren geprijsd. Ik wilde graag uittesten of mijn arm het zou uithouden op een racefiets en vroeg of er een optie was de racefiets uit te proberen. Het was niet mogelijk DE racefiets mee te krijgen op proef, maar voor dit doel was er wel een huurfiets die ik gratis mocht lenen. De huurfiets was eigenlijk een mannenfiets met een iets te groot frame en een hoge stang waar ik maar met moeite mijn been overheen kreeg. Maik stelde de fiets zo goed mogelijk af op mijn afmetingen en toen was ik bijna klaar om te gaan.
Ik besloot maar direct de twee noodzakelijkste fietsaccessoires aan te schaffen: een fietsbroek en een fietshelm. Maik showde de fietsbroeken en liet me de zeem zien die in het kruis verwerkt was. Voorzichtig opperde ik dat ik wellicht dacht aan een Assos. ‘Ok,’ zei hij, ‘dan betreden we een andere wereld. De Assos is van een ander kaliber, maar probeer ze allebei, dan kun je ze vergelijken.’
Eerlijk gezegd, vond ik beide fietsbroeken vreselijk zitten. Alsof je een grote, volgelopen luier tussen je benen hebt hangen. Dus ging ik af op het advies van Margo en Maik, dat de Assos echt een goede keuze zou zijn waar ik geen spijt van zou krijgen.
Het was lastig een passende helm te vinden voor mijn kleine hoofd. Ik kwam uit op een damesmodel met smalle leest en verstelbaar wieltje in de nek. In een kleedhokje verruilde ik mijn broek voor de fietsbroek (ja, de onderbroek ging ook uit, zoals ik al had geleerd van insiders). Ik propte mijn kleding in de fietstassen van de trekkingbike, die bij de Pedaleur in de winkel mocht staan. Aangezien ik nog geen fietsshirt had en daardoor geen rugzakken om iets in te stoppen, knoopte ik een lendetasje om mijn middel. Hierin gingen mijn mobieltje, mijn portemonnee, een mueslireepje en een tube zonnebrandcrème. Toen was ik klaar om op pad te gaan en te testen of mijn arm racefietsproof is. Godzijdank zag ik in een oogwenk dat de leenfiets gewone trappers had….

In een periode van wekenlange hitte en droogte had ik bij toeval een koelere, regenachtige dag uitgekozen. Het waaide stevig en ik had de wind pal voor toen ik over het fietspad langs de IJssel richting Doesburg koerste. De fiets was een beetje te groot voor mij. Als ik wilde remmen, moest ik eerst mijn handen overpakken en onder in de beugels gaan hangen. De iets te grote fiets voelde bovendien wiebelig aan. Ik had er geen volledige controle over en ik voelde me kwetsbaar op de smalle bandjes. Ik begrijp nu de angst van sommige wielrenners om te vallen.

Ik trapte er heerlijk op los, voorover gebogen liggend op het stuur. Je hebt op een racefiets zoveel minder last van de wind. Nou ja, dat is ook niet helemaal waar. Op een gegeven moment had ik de wind pal van opzij staan. Als er een harde rukwind kwam moest ik echt tegensturen, want ik had het gevoel dat ik anders met fiets en al zou worden opgetild en zomaar in de IJssel kon verdwijnen.
De wind en regen sloegen in mijn gezicht, het zeem van mijn fietsbroek boorde zich in mijn kruis, ik voelde alle spieren in mijn nek en rug trekken en ik genoot van dit spel met de elementen. IK VOND HET LEUK.

Met de Col d’Aubisque in het vooruitzicht was mijn competitieve ik weer tevoorschijn gekomen. Ik had mezelf als doel gesteld om de 22 kilometer naar Giesbeek in één keer en in ongeveer een uur te fietsen. Dat moest toch mogelijk zijn, hield ik mezelf voor. Vroeger in mijn studietijd fietste ik dit iedere dag en draaide ik er mijn hand niet voor om. En dat op een gewone drie versnellingen fiets.
Enigszins moe en licht in mijn hoofd, kwam ik aan bij mijn vriendin in Giesbeek. Bij een kopje thee kwam ik weer een beetje bij. We raakten in een boeiend gesprek en vergaten de tijd. Tot ik ineens zag dat ik hoognodig moest vertrekken om op tijd terug te zijn bij de Pedaleur. Gelukkig had ik grotendeels de wind achter en sjeesde ik over het fietspad huiswaarts. Ik koos een zware versnelling en voerde de snelheid op. Ik vergat telkens terug te schakelen bij een kruising, zodat het zwaar was om weer op gang te komen en na een tijdje kreeg ik pijn in mijn knieën. Dit herinnerde mij eraan om terug te schakelen naar een lichtere versnelling.
In de bochten en bij de kruisingen was ik heel voorzichtig. Toen er op het fietspad een wildrooster was, stapte ik voorzichtig af en liep over de metalen spijlen. Ik werd ingehaald door een bejaard echtpaar op een racefiets en een mountainbike. Ze leken zo gemakkelijk te fietsen, terwijl ik nu echt aan het ploeteren was en nauwelijks nog vooruit leek te komen. Helemaal ontmoedigend vond ik het om ingehaald te worden door een dikke jongen op een krakende fiets zonder versnellingen. Voor mijn gevoel ging ik best snel. Maar ja, mijn snelheidsgevoel is niet zo goed ontwikkeld. Ik heb dat ook wel eens met skiën. In mijn hoofd raas ik dan met een noodvaart de berg af, maar op het filmpje ziet het er een stuk minder dynamisch uit dan in mijn hoofd en als je goed kijkt zie je vooral een vijftig plusser die uiterst langzaam de berg af gaat. Dit lijkt met fietsen ook op te gaan. Voor mij voelt het al snel als een hoge snelheid, maar ik denk dat een beetje fietser dit een slakkengangetje vindt.

Heelhuids kom ik net voor sluitingstijd aan bij de Pedaleur, waar ik de racefiets inlever en omruil voor mijn vertrouwde trekkingbike, die nu ineens heel vreemd fietst. Het laatste stukje naar huis duurt eindeloos. Uitgeput stort ik me op de bank. Ik ben misselijk en draaierig in mijn hoofd. De fietsbroek ligt in een hoek, ik ben te moe om mijn nieuwe maatje de wasbeurt te geven die het verdiend. Ik ben waarschijnlijk toch over mijn grens gegaan, zo app ik naar Margo. Waarom ook direct helemaal naar Giesbeek fietsen Dorothé, krijg ik als vraag terug. ‘Ja, omdat ik gewoon vind dat ik dat moest kunnen…’
Dat wordt mijn uitdaging op weg naar de beklimming van de Col d’Aubisque: mijn eigen grenzen bewaken! Me niet laten meeslepen in wat anderen kunnen of wat ik van mezelf moet kunnen. Luisteren naar mijn lichaam, het langzaam opbouwen en vooral plezier houden in het fietsen.

Was ik bijna het belangrijkste vergeten. Hoe heeft mijn arm de fietstest doorstaan? Uitstekend! Geen extra vocht, niet extra dik en geen spierpijn. Wow, mijn arm is racefietsproof.

 

2 reacties

  1. Yeah! Super! Je arm is racefietsproof! Wat gaaf joh, geen belemmering! Nu nog jezelf ook op dit vlak beter leren kennen! Je moet maar zo denken: je hebt nog niet eerder een col beklommen dus goed luisteren naar je lichaam is essentieel. Ik weet zeker dat je het gast redden als je op je lichaam èn je gevoel vertrouwd! X

  2. Leuk en herkenbaar om je ervaringen met de racefiets te lezen, Dorothé. En wat een geruststelling dat je arm deze eerste test goed heeft doorstaan. Nu nog aan die ellendige luierbroek wennen.. wat maar wat fijn voelt als je er eenmaal aan bent gewend, kan ik je uit ervaring vertellen.. Lieve groet, Jan

Geef een reactie