Bloesemtocht

Ik parkeer de auto in een rustige woonwijk in Geldermalsen. Niet zo’n handige plaats bedenk ik als ik even later de fiets uit de auto probeer te tillen. Er is niemand op straat die ik kan aanschieten met de vraag om mij even te helpen. Eruit zal nog wel gaan, maar om de fiets er straks in mijn eentje weer in te krijgen zal nog een hele toer worden.
Even later leunt mijn fiets tegen een boom. Trots dat het me gelukt is trek ik mijn wielrenschoenen aan, prop wat proviand in mijn fietsshirt en kijk op de kaart waar ik de route langs de Linge zal oppakken.
Ik heb een klein briefje met de nummers van knooppunten die de route markeren. Het is niet handig om het blaadje telkens uit mijn fietsshirt te moeten vissen. Ik zoek naar een manier om het op mijn stuur of fietsframe te kunnen bevestigen. Even later heb ik de oplossing gevonden. Ik pak een stukje kauwgom, begin flink te kauwen en verdeel het in vieren. Ik pak het blaadje met de knooppunten en plak het op vier punten vast met een stukje kauwgom op het frame van mijn fiets. Ik ben heel benieuwd of het de tocht zal doorstaan.


Ik klik mijn pedalen vast en ga op weg. Op zoek naar het eerste knooppunt. Direct na de start heb ik al last van mijn knieën. Lichte versnelling, rustig losfietsen, genieten van het landschap, houd ik mezelf voor. Dat laatste lukt heel goed. Al snel ben ik mijn knieën vergeten en geniet met volle teugen van de tocht.
De Linge slingert aan mijn rechterzijde tussen riet en wilgenbomen, ik fiets over een smal dijkje met witte dijkhuisjes en grazige, groene weilanden die vol zijn met dartelende lammetjes en hun kalm grazende moeders. Af en toe passeer ik een fruitboom die voorzichtig zijn eerste bloesems toont.
De lucht is grauw en de temperatuur haalt bij lange na niet de voorspelde waarde. Ik ben blij dat ik nog een extra jasje heb aangetrokken.
Ik fiets als een toerist en stap regelmatig af om foto’s te maken en naar het landschap te kijken. Ik zie grote roofvogels boven mijn hoofd cirkelen, ik zie ganzen in grote getale grazen in de weilanden, ik zie twee hazen langs de kant van de weg zitten en ik zie kleine vogeltjes die kwetterend in de nog kale struiken zitten. Op een nest hoog in de lucht zie ik twee parende ooievaars.


Mijn tempo ligt dan ook laag. Maar dat is niet erg. Het doel van vandaag is niet om snel te fietsen, maar om lang te fietsen. Voor het eerst ga ik een tocht maken die langer is dan 70 kilometer. Ik heb er zin in.
De bermen zijn bedekt met gele koolzaadbloemen die heerlijk geuren. Ik heb de smalle dijkjes bijna  voor mezelf. Af en toe word ik ingehaald door een verdwaalde auto. Ik knik vriendelijk naar de bewoners die hun gras maaien of hun tuin staan te harken.
Het enige knelpunt is dat ik al sinds ik uit de auto ben gestapt moet plassen. Nergens vind ik echter een geschikte gelegenheid. Bij elk nieuw plaatsje dat ik aandoe verwacht ik wel ergens een café of restaurant te vinden, waar ik mijn nood kan ledigen, maar dat gebeurt niet. En het is net te druk en te gecultiveerd om gewoon ergens in de berm te gaan zitten.
In Asperen zie ik dan eindelijk een bordje met een horecagelegenheid. Ik moet er een stukje voor omfietsten, maar dat heb ik er graag voor over. Ik zoek een plekje om mijn fiets te stallen en frummel het slot uit mijn zadeltasje. Ik kan bijna niet meer gewoon staan van de hoge nood en wiebel van mijn ene been op het andere, terwijl ik het cijferslot in de juiste combinatie probeer te krijgen. Dat kost enige moeite, omdat ik de cijfers zonder bril niet goed kan lezen. Eindelijk kan ik dan met mijn wielrenschoenen de steile trap aflopen op weg naar het toilet. Zo dat is een opluchting.

Als een echte wielrenner eet ik mijn boterhammen al fietsend op en lurk ik zo nu en dan aan de bidon, die al aardig leeg begint te raken. Ik kom door plaatsjes en buurtschappen met voor mij onbekende namen als Gellicum, Vogelwerf, Heukelum en Kedichem, die allemaal aan de slingerende Linge liggen.

Op Google maps zie ik dat ik nog zeventien kilometer verwijderd ben van Frans, die op het veld in Ameide staat met zijn paragliding club. Ik overweeg om hem te verrassen met een bezoek van mij. Het betekent een aantal kilometers extra op de teller, maar als ik een flinke pauze houd, moet dat wel lukken, maak ik de afweging. Om bij Frans te komen moet ik wel de rivier oversteken via één van de vele pontjes die hier speciaal voor voetgangers en fietsers varen. Als ik bij de oever van de rivier sta, merk ik al snel dat de pont nog niet in de vaart is. Dus besluit ik mijn oorspronkelijke route te vervolgen en Frans een andere keer met mijn gezelschap te verblijden.
Een lichte hoofdpijn steekt de kop op. Ik bedenk dat ik wellicht te weinig heb gedronken en neem de laatste slokken water uit mijn bidon. Ik moet nu echt snel een pauze plek vinden om bij te tanken. Ik merk dat ik slap word. Er staan veertig kilometer op de teller en ik heb nog niet echt gepauzeerd, behalve een korte sanitaire stop en wat fotomomenten. Het natuurgebied is prachtig, maar verlaten. Het lijkt er niet op dat ik hier iets van horeca ga tegenkomen.
Maar uit het niets doemt een bruin bordje op met een mes en vork. Ik fiets de dijk af en kom uit bij een schattig terrasje aan het water en twee woonboten. Ik parkeer mijn fiets in de heg en even later zit ik in het zonnetje aan de zelfgemaakte tomatengroentesoep en een pot verse muntthee. De thee en de soep worden geserveerd in chic gebloemd servies. Voor het toilet word ik verwezen naar de ark, zoals de vriendelijke vrouw met buitenlands accent de woonboot noemt. Ik kom terecht in haar roze gebloemde badkamer met dito toilet. Het voelt alsof ik word teruggeworpen naar de hippietijd uit de jaren zeventig. Ik vul mijn bidon bij met water en dan trap ik de pedalen weer aan.


Het is inmiddels half vijf, windstil en uitgestorven. Met een zacht zonnetje in de rug fiets ik langs kleine dorpjes en weidse vergezichten. Leerdam is de enige grotere plaats die ik passeer. De dijk slingert voort. Af en toe gaat de route van de dijk af en fiets ik door een dorpje. Om de steile dijk weer op te komen moet ik flink vaart maken. Dat lukt wel. Maar bovenaan gekomen wordt het gevaarlijk. Ik moet vaart houden, want mijn voet zit nog vastgeklikt aan het pedaal. Als ik stop zal ik omvallen, maar als ik doorfiets moet ik op goed geluk de dijk op fietsen en hopen dat er geen auto aan komt. Dit gaat een paar keer net goed. Uit voorzorg draai ik altijd naar rechts de dijk op om dan later als ik zeker weet dat er geen verkeer is om te keren.
Eenmaal vergeet ik om tijdig terug te schakelen en fiets ik in een veel te zware versnelling de dijk op. Ik besef dat ik door moet blijven trappen. Stoppen betekent omvallen. Als ik boven aankom voel ik een stekende pijn in mijn rechter knie. De volgende kilometers fiets ik in een extra licht verzet om de knie te ontzien. De pijn ebt weg en ik kan mijn fietstocht ongestoord voortzetten.

De laatste vijftien kilometer gaan over onverharde wegen door landgoed Mariënwaerdt en over een dijkje met appelbomen die nog net niet in bloei staan. Het is de kers op de taart van een prachtige fietstocht. Ik ben zo blij dat ik dit kan en mag meemaken.
Moe maar voldaan kom ik weer aan bij de auto in de rustige woonwijk. Ik eet een banaan, verwissel mijn wielrenschoenen voor gympen en kijk ondertussen of ik ergens een sterke, behulpzame man kan ontdekken. Helaas.
Met mijn linkerarm til ik de fiets op en leg hem voorzichtig in de kofferbak. Via de achterdeuren sjor ik aan het wiel om de fiets iets verder de auto in te krijgen. Het achterwiel steekt nog ongeveer tien centimeter uit. Stukje bij beetje krijg ik de fiets steeds verder de auto in, totdat uiteindelijk de achterklep dicht kan. Het geeft een goed gevoel dat ik dit zelfstandig voor elkaar heb gekregen zonder mijn rechterarm te forceren.

Met een glimlach om mijn mond rijd ik richting Doetinchem. Vandaag heb ik 73 kilometer gefietst en ik ben niet eens gesloopt van vermoeidheid.

2 reacties

Geef een reactie