Fietstraining

Na de informatieavond over de Tristan Hoffman Challenge 2019, waarbij de honderdtachtig deelnemers en hun aanhang uitleg kregen over de gang van zaken rond de beklimming op 28 juni en we het profiel van de beklimming te zien kregen, schoot ik in de stress. Nog maar vijftien weken, dacht ik verschrikt. Dat haal ik nooit. Dus stelde ik de volgende dag een strikt trainingsschema op. Het schema liet weinig ruimte over voor andere zaken dan fietsen. In het weekend stond steevast een lange rit gepland om de duur te trainen, donderdags zou ik een heuveltraining doen en de dinsdag werd gereserveerd voor intervaltraining, zou had ik bedacht. Maandag kon ik dan yoga doen om de spieren soepel te houden en de woensdag stond een zwemsessie op het programma om mijn arm te helpen het lymfevocht af te voeren. Vrijdag werd een rustdag, waarbij ik wat zou wandelen.

Ik kwam er al snel achter dat ik – zoals wel vaker in mijn leven – veel te hard van stapel was gelopen. Ik was voortdurend moe en hing na een fietstraining als een zombie op de bank, tot niets meer in staat. Bovendien gingen mijn knieën weer pijn doen. In plaats van vooruitgang te boeken, had ik het idee dat ik steeds minder aankon. Intussen naderde de eerste groepstraining van de Tristan Hoffman Challenge met rasse schreden. Ik voelde de spanning in mijn lijf opbouwen. Ik was bang dat het te zwaar zou zijn voor me, dat ik het tempo niet zou kunnen bijbenen en dat ik weer eens over mijn grens zou gaan. Ik wilde vooral goed naar mijn lichaam luisteren en in een groep is dat gewoon lastig. Bovendien was ik bang om te vallen. Ik was nog niet zo behendig met de fiets en valpartijen uit de Tour en de Giro waarbij de wielrenners als een grote kluwen op de grond lagen, brandden op mijn netvlies. Ik meldde me na lang twijfelen af voor de groepstraining. Het voelde een beetje als een gemiste kans. Alsof ik de aansluiting met de rest was verloren. De groepstraining was een mooie gelegenheid geweest om de andere deelnemers te leren kennen en om tips te krijgen voor het fietsen.

Gelukkig waren er ervaren wielrenners die mij onder hun hoede namen. Van de één kreeg ik een hartslagmeter, zodat ik gerichter kon gaan trainen. Een ander attendeerde me op het aantal ‘rounds per minute’ en adviseerde me om vooral licht en soepel te fietsen om mijn knieën te ontzien. De fysio van de Tristan Hoffman Challenge waar ik contact mee had gezocht, ontfermde zich over mij en bood aan samen een stukje te fietsen, zodat ze mij wat gerichte tips kon geven. Tijdens de eerste fietstocht samen viel het haar op dat ik hijgend naast haar fietste, een teken dat mijn hartslag te hoog was. Ik moest vooral rustiger gaan fietsen. Lang en langzaam fietsen. Dat voelde letterlijk en figuurlijk als een verademing. Er viel een last van me af. Ik ging nu op hartslag trainen in plaats van op snelheid en op souplesse in plaats van op kracht. Ook mocht ik even geen heuvels meer fietsen. Eerst een basisconditie opbouwen en dan pas de hellingen op, hoe verleidelijk dat laatste ook was.

Tweede paasdag deed ik samen met drie andere deelneemsters en de fysio van de Tristan Hoffman Challenge mee aan de Achterhoekse Molentocht. Het was mijn eerste wielrentocht en ik had geen idee wat ik kon verwachten. Ik had het idee van een grote drukte in mijn hoofd, zoiets als de avondvierdaagse waarbij je in een grote file naar de finish loopt, maar toen wij om half negen startten waren er in de verste verte geen andere wielrenners te zien. Het leek alsof het parcours speciaal voor ons was uitgezet. Af en toe werden we ingehaald door een klein groepje renners dat ons voorbij zoefde, maar dat gebeurde maar sporadisch. Ondertussen peddelden we rustig voort met zijn viertjes, waarbij ik leerde om in het wiel te rijden en zo mezelf te ontzien. Het was een heerlijk gevoel om mee gezogen te worden door mijn voorganger. We wisselden regelmatig van koppositie en de snelsten van ons pasten het tempo aan, zodat iedereen gemakkelijk mee kon komen. Af en toe begon mijn hartslagmeter te piepen ten teken dat ik het iets rustiger aan moest doen.
Fietsend in het kleine groepje leerde ik de tekens die wielrenners elkaar geven; hand op de rug ten teken dat er een obstakel als een geparkeerde auto of een voetganger met hond nadert en hand omhoog om te stoppen.
Bij de molen in Zeddam kregen we ons eerste klimmetje. De ervaren dames instrueerden me de fiets in de lichtste versnelling te zetten en om vooral rustig naar boven te fietsen. Straks bij de Aubisque zou dat de tactiek zijn: langzaam en geduldig naar boven klimmen. Als je direct in het begin al je energie verspilt met een sprint bergopwaarts dan red je het niet. Het is een kwestie van geduld en lange adem. Energie sparen. Je benen het werk laten doen. Licht en soepel fietsen.
Ik vond het verrassend gemakkelijk op deze manier en ik kreeg er echt lol in. Toen we even later de Peeskesbult beklommen groeide mijn zelfvertrouwen. Dit kon ik dus gewoon.

De tweede groepstraining van de Tristan Hoffman Challenge was een behendigheidstraining op een wielrenbaan in Eibergen. Hier wilde ik graag aan meedoen, want mijn behendigheid op de fiets kon nog wel wat verbetering gebruiken. Helaas werd deze training door te slechte weersomstandigheden afgezegd. De fysio nam mij en een ander fietsmaatje echter mee naar de Posbank voor een behendigheids- alias bergtraining. Zo leerde ik om in de bochten altijd het buitenbeen omlaag te drukken, waardoor je gemakkelijk de bocht door stuurt. En om net als bij het autorijden door de bocht heen te kijken en niet naar het asfalt op de weg. Een goede tip voor mij is om ook in de bochten door te blijven trappen. Hierdoor ga ik veel sneller en soepeler door de bocht.
Mijn behendigheid is flink gegroeid. Ik stop niet meer standaard bij elke kruising, maar kijk van tevoren of ik door mijn snelheid aan te passen op de fiets kan blijven zitten. Het losklikken gaat nu ook heel snel, terwijl ik daar eerst veel tijd voor nodig had en het me dan niet lukte om ook nog op het verkeer te letten. Ik ben nog aan het oefenen om zonder te kijken mijn bidon te pakken, er een paar slokken uit te drinken en dan wederom zonder te kijken de bidon terug te plaatsen en ondertussen gewoon door te fietsen.
Bergopwaarts gaat het erom de juiste cadans te vinden. Bergafwaarts heb ik geleerd om mijn remmen af en toe in te knijpen en dan weer los te laten. Eerst de achterrem inknijpen, dan de voorrem erbij en dan weer loslaten. Pompend remmen noemen ze dat. En ja, wat ik nooit had gedacht: ik vind afdalen echt superleuk. Het heerlijke gevoel naar beneden te suizen, de wind die door je haren waait, het zoeven van de banden op het asfalt. Een magistrale ervaring.

Ik bewaar goede herinneringen aan die eerste bergtraining op de Posbank, waarbij we drie hellingen bedwongen en ik leerde klimmen en dalen. Sinds die tijd heb ik diverse ‘bergen’ beklommen, waaronder de Eltense berg, de Holterberg en de Amerongse berg. Natuurlijk zijn dit dwergen van bergen in vergelijking met de toppers uit de Pyreneeën en de reusachtige col d’Aubisque. Maar vele kleine klimmetjes maken samen één grote. Het motto wordt: de benen laten draaien dan kom je vanzelf een keer boven.

 

2 reacties

  1. Hoi lieve Dorothé,

    Mooi om te lezen hoe je traint voor het grote fietsavontuur!
    En ja, rustig en gestaag vooruitgang boeken, ipv heel snel flinke stappen zetten. Ook ik moet dat leren op de hometrainer (Flip) en de loopband (Flipsie) ; als ik te snel wil en/of teveel loop / fiets geeft mijn lichaam seintje dat het rust nodig heeft 🙂
    Dan weet ik weer, ohja kleine stapjes vooruit en met aandacht en liefde iets doen.

    Veel plezier met trainen enne mocht je op hemelvaatsdag, donderdag 30 mei, in mijn buurt zijn bel gerust aan – nou ja bel ff van te voren dan ben ik thuis want ik wil ook gaan fietsen of wandelen.

    Liefs Carolien-Sunshine

    PS: welke wielrennen ben jij op de foto?

  2. Wauw, diep respect (alweer) hoe je dit avontuur ook weer aangaat! Wat mooi om deze reis met je mee te mogen ‘lezen’!
    Liefs van ons

Geef een reactie