Col d’Aubisque here we come: ‘Samen naar de top’

Vrijdag 28 juni is dan eindelijk de grote dag aangebroken; de dag dat ik samen met 170 andere deelnemers (106 fietsers, 50 wandelaars en 14 hardlopers) de Tristan Hoffman Challenge aan ga om voor Stichting Kanjers voor Kanjers de col d’Aubisque te beklimmen. Het is geen wedstrijd, maar een challenge, waarbij het doel is dat we er samen voor zorgen dat iedereen de top haalt.

Elke deelnemer heeft zijn eigen persoonlijke challenge; de een heeft zich ten doel gesteld om in een zo snel mogelijke tijd naar boven te racen en vanaf de top de andere deelnemers aan te moedigen bij de laatste af te leggen meters, voor een ander is het beklimmen van de berg een persoonlijke overwinning na ernstige ziekte, zoals voor mijzelf of voor de vrouw die na een herseninfarct met haar arm in de sling, ondersteund door vriendinnen de berg op wandelt. Weer anderen nemen zich voor vooral te genieten en lachend over de finish te komen, omdat dat er de vorige keren door alle indrukken bij in is geschoten.

Sinds een paar dagen logeren we met de hele groep bij hotel Alba in hartje Lourdes. Er hangt een sfeer van verbroedering, iedereen helpt elkaar, de ervaren deelnemers bemoedigen groentjes zoals mij en voorzien hen van tips. Er wordt veel gelachen en als vanzelf worden we opgenomen in de groep.
Ik heb bewondering voor het kernteam; een groep vrijwilligers die de hele organisatie van het evenement pico bello hebben verzorgd. Nu ik ter plekke ben realiseer ik me pas wat er allemaal bij komt kijken om zo’n grote happening te organiseren. Het transport, de logistiek, de verzorging op de dag zelf, het zorgdragen voor de veiligheid van de deelnemers, maar ook het verblijf en de heen- en terugreis.
Het kernteam is er op de dag van de challenge voor de deelnemers. Ze zetten zich in om iedereen op verantwoorde wijze naar de top te begeleiden; door aan te moedigen, door pauze plekken in te richten met drankjes, reepjes en bananen, door met motoren en auto’s de berg op en neer te rijden om te zien hoe het met iedereen gaat, om te kijken of het medisch nog verantwoord is om door te gaan, door foto’s te maken en door een fantastische ontvangst op de top van d’Aubisque, waar uiteindelijk Tristan Hoffman wacht om je de welverdiende medaille om te hangen.

Dinsdag is de dag dat de vrijwilligers zelf de challenge aangaan om de col d’Aubisque te bedwingen. Daarom staan Frans en ik net na de start  – ik in mijn Tristan Hoffman tenue voor de herkenbaarheid – bij de steile beginklim van de berg luid te klappen en te joelen ter aanmoediging van deze kanjers.
Dinsdag is ook de dag van Frans. Het weer is goed om te paragliden vanaf de top van de col de Couraduque. Met een groepje enthousiastelingen rijden we omhoog en geeft Frans uitleg over zijn geliefde sport. Margo, degene die me heeft aangezet tot fietsen, mag als eerste met Frans mee de lucht in. Als een vogel zweeft het grote, gele scherm door de lucht. Ik rijd met de bus naar beneden om Frans en Margo bij het landingsveld weer op te pikken. Margo heeft een grijns van oor tot oor op haar gezicht. We rijden opnieuw omhoog waar de tweede passagier al staat te popelen om de lucht in te gaan, hoewel het natuurlijk altijd spannend blijft om voor het eerst een tandemvlucht te maken. En zo geeft Frans die dag drie mensen een bijzondere ervaring die ze waarschijnlijk nooit meer vergeten. Daarna wordt de wind te hard en is het te gevaarlijk om nog te starten.

Donderdag is een snikhete dag, waarbij het kwik oploopt tot tegen de veertig graden. Op de trappen voor de Rozenkrans basiliek maken we een groepsfoto met het kernteam van vrijwilligers en alle deelnemers aan de challenge. Het ziet er imposant uit.
Daarna verkennen Frans en ik de verschillende kerken en gebouwen van Lourdes. Wegens de warmte zijn de pelgrimsoptochten afgelast. Ik krijg zelf ook last van de hitte en ben blij als ik op de koele hotelkamer op bed lig om even bij te komen. De rest van de middag gebruiken we om de laatste voorbereidingen te treffen: de spullen voor morgenvroeg klaarleggen, de banden van de fiets oppompen en natuurlijk het naambordje vastmaken aan het stuur. Ik heb last van mijn maag en darmen en voel me slap. Daarom brouwt Frans een speciaal maaltje voor mij in de camper en laat ik het viergangen diner aan me voorbij gaan.

De app-groep ‘Op naar de top Dorothé’ die we hebben aangemaakt, explodeert met aanmoedigingen en lieve woorden. Met zoveel support kan het niet meer stuk. Ik geniet er enorm van dat zoveel familie en vrienden met me mee leven en het leuk vinden me op deze voor mij speciale dag te volgen. Net als tijdens mijn ziekte voel ik me door vele handen gedragen. En net als tijdens mijn ziekte geeft me dat een enorme boost. Ik hoef het niet alleen te doen. Samen gaan we naar de top.

Naast alle support van het kernteam en mijn familie en vrienden zijn er twee mannen aan mijn zijde die er alles aan doen om mijn missie te laten slagen: Frans en Sander. Frans zorgt tijdens de challenge voor de foerage. Samen met Bianca en hondje Sandu, rijdt hij met de camper achter me aan, om me te voorzien van water, cola, sportdrank, reepjes, bananen, brood met pindakaas en wat je verder maar kunt bedenken. Daarnaast is er Sander, die toen ik me net had opgegeven voor de challenge, had aangeboden om me op de fiets te begeleiden. Hij fietst tijdens de challenge met me mee om me mentaal te ondersteunen. Een echte buddy.

Wanneer om zes uur de wekker rammelt, spring ik blij uit bed. Vandaag is de dag. Ik heb er zin in. Frans rijdt me met de camper naar het startpunt van de challenge waar Sander met zijn mountainbike al op me staat te wachten. Wanneer alle fietsende deelnemers van de C-groep (langzamere groep) zich hebben verzameld, knalt om 8.15 uur het startschot. De wandelaars en hardlopers zijn al eerder gestart en na ons komt nog een groep van snellere fietsers.
Na honderd meter begint al een klim van 8%. Ik heb het dringende advies van de fysio goed in mijn oren geknoopt: fiets je eigen tempo, laat je niet verleiden om te snel te gaan in het begin, als je te hard van stapel gaat verspeel je je krachten en is het lastig om te herstellen en je uiteindelijke doel te halen.
Uiterst langzaam ga ik van start en klim heel rustig omhoog. Het duurt niet lang voor ik samen met Sander en nog een andere deelnemer helemaal achteraan fiets. De wielrenners voor ons verdwijnen langzaam uit zicht. Het hindert me niet. Ik had zelf al verwacht dat ik de langzaamste deelnemer zou zijn. Dat had ik dus goed ingeschat. Ik ben wel licht geïrriteerd door de andere deelnemer die zich met zijn wiel tussen Sander en mij in wurmt. Hij blijft een beetje half tussen ons in rijden en zit voor mijn gevoel veel te dicht op me. Ik laat me wat afzakken en hoop dat hij ons inhaalt. Ik wil ruimte. In het voorbij gaan, roept hij naar me dat hij het zo fijn vindt dat hij iemand heeft gevonden die zijn tempo rijdt. Ik heb zelf helemaal niet het gevoel dat we hetzelfde tempo rijden: hij fietst heel onregelmatig, dan weer hard, dan weer zacht en hij stapt heel vaak af. Ik vind het juist fijn om gelijkmatig door te fietsen en niet te pauzeren.


Al na een paar kilometer merk ik dat ik vandaag niet mijn beste dag heb. Mijn benen voelen ‘zwabberig’ aan en ik ben een beetje trillerig. Misschien komt het van de diarree, die ik sinds twee dagen heb, of is het de hitte die als een klamme deken om ons heen hangt? Waarschijnlijk is het gewoon van de spanning, hoewel ik me niet bijzonder zenuwachtig voelde toen ik vanochtend wakker werd. Gelukkig werkt mijn brein nog goed: trillerig dat betekent bij mij meestal een te lage bloedsuikerspiegel en behoefte aan voeding. Dus even afstappen en de tijd nemen om een reepje naar binnen te werken.

De eerste kilometers fietsen we nog in de wolken. Dat lijkt lekker koel, maar ik vind het benauwd en kan mijn warmte niet goed kwijt. De andere deelnemer hijgt en puft alsof hij er bij neer gaat vallen en dat geeft mij nieuwe kracht, want ik heb mijn ademhaling onder controle en voel me langzaam sterker worden. Als we na twaalf kilometer aan de voet van de Soulor zijn aangekomen, heb ik zin in de klim. De fietsers uit de snelle groep zijn ons inmiddels onder luide aanmoedigingen allemaal gepasseerd. We bungelen aan de staart van de race. De ‘bezemfietser’ hijgt in onze nek. Ik voel me hierdoor enigszins opgejaagd. Gelukkig vraagt de bezemfietser even later wat wij prettig zouden vinden; als hij achter ons aan blijft fietsen of als hij wat heen en weer de berg op en neer fietst. Hij lijkt blij met ons antwoord en sprint er algauw met een vaartje van 16 km per uur vandoor.

De klim naar de top van de Soulor is zwaar. Het is verzengend heet. Het zweet gutst van mijn lijf en ik zou het liefst in een ijsbad gaan liggen om af te koelen. Het is nog twee steile kilometers naar de top, dan hebben we het moeilijkste deel van de challenge achter de rug, weet ik. Maar wat duren die twee kilometer gigantisch lang. Er lijkt geen einde aan te komen. Ik grap naar Sander, dat ik nu zelfs zin krijg om af te dalen, wie had dat gedacht. Er komt een kort steil stukje van 14%, waarvoor ik een korte sprint inzet, want als ik in mijn trage tempo blijf doorfietsen heb ik het gevoel achterover te kieperen. Het sprintje brengt mijn hartslag ongenadig omhoog en het lukt daarna niet meer om de hartslag in de gewenste zone te krijgen.
De andere deelnemer en ik hebben een verbond gesloten, we ondersteunen elkaar op weg naar de top. We hebben allebei kanker overwonnen en nu fietsen we uit dankbaarheid dat we weer gezond zijn deze berg op. Dankbaar dat we dit mogen en kunnen beleven. Dankbaar dat we er nog zijn. Dankbaar dat ons lijf dit weer kan. Een persoonlijke overwinning. Dat schept een band.
Sander is een voorbeeldige buddy, bescheiden op de achtergrond aanwezig, schuin achter me fietsend, het verkeer op afstand houdend, ervoor zorgend dat ik mijn eigen race rijd. Af en toe een humoristische opmerking of een komische anekdote om de spirit erin te houden.
Het uitzicht is formidabel. Ruige rotsen met besneeuwde toppen. Vooraf hadden mijn fietsmaatjes me gewaarschuwd om vooral ook te genieten van de tocht. Natuurlijk ga ik genieten, dacht ik toen. Nu ik echter de helling op zwoeg, moet ik mezelf eraan helpen herinneren om vooral ook om me heen te kijken en te genieten van deze prachtige berg. Ik merk dat ik toch vooral gefocust ben op blijven trappen, de benen rond laten gaan, doorgaan, volhouden, er zijn geen gedachten, en ik moet bekennen dat ik hele stukken van de beklimming volledig heb gemist. Sterker nog, Frans en Bianca staan net onder de top van de Soulor te juichen en te klappen om ons de laatste meters naar te top te begeleiden, maar ik heb ze niet gehoord noch gezien. Ik heb ze volledig gemist. Ik merk dat mijn lijf aan kracht begint te verliezen en ik voel me oververhit. Het lijkt of mijn brein niet goed meer functioneert. Op de top van de Soulor dirigeert de fyio me naar een schaduwplek om bij te komen. Ik krijg water en chips en ze controleert of mijn hartslag voldoende daalt.

Voor ik het weet begin ik aan de door mij gevreesde afdaling. Ik probeer niet in de afgrond naast me te kijken, maar focus me op de weg die voor me ligt. Ik heb mijn handen uit gewoonte boven op het stuur geplaatst, maar durf ze, nu ik naar beneden suis, niet meer over te pakken naar de beugels zoals ik van de week heb geleerd om met mijn wijsvingers de remmen te controleren. In plaats daarvan knijp ik met mijn hele hand in de remmen en krijg ik al snel kramp in mijn vingers. Voorzichtig laat ik de remmen even vieren om ze daarna weer snel in te knijpen. Nog even volhouden. Ik vind het teleurstellend om te zien dat er door de afdaling maar anderhalve kilometer bij zijn gekomen op de teller. Hierna volgt een stukje van maar twee procent stijging  en het fietst werkelijk formidabel. Ik weet nu dat ik het ga halen. Nog maar zeven kilometer klimmen naar de top van de Aubisque. Het aftellen is begonnen. Na twee kilometer, net voor een in de rotsen uitgehakte, onverlichte tunnel,  bereiken we pauzeplek nummer drie.

In de schaduw wordt met mij en de andere deelnemer overlegd. We hebben nog een dikke vijf kilometer voor de boeg. Met onze snelheid betekent dat dat we al snel nog een uur aan het klimmen zullen zijn en eigenlijk vinden ze het niet verantwoord de deelnemers op de top nog een uur in de brandende zon te laten wachten. Normaal gesproken wordt het koeler naarmate je hoger op de berg komt. Vandaag hangt er een inversielaag; de lucht boven is warmer dan beneden. Het is boven op de berg meer dan 30 graden en er is ook geen verkoelend briesje. We krijgen de keuze voorgelegd om door te gaan in ons eigen tempo, maar dan gaan de andere deelnemers wel alvast afdalen of we worden een stukje met de auto gebracht. Ik twijfel. Ik had in mijn hoofd vrolijk gedacht dat het nog maar een uurtje klimmen was. Dat ging ik echt wel volhouden. De andere deelnemer kiest voor de auto. Hij heeft zijn doel al bereikt. Het is al prachtig dat hij dit weer kan. Bovendien wil hij zichzelf niet nog een uur blootstellen aan de hitte. Daar heeft hij een punt. Voor mijn lichaam is nog een uur in de zon misschien ook teveel van het goede. De organisatie zegt dat ze ons graag ons gloriemoment gunnen. Ik weet nog niet zo goed wat ik me daar bij voor moet stellen.

Als ik eenmaal in de auto zit, ben ik blij met mijn keuze. Pff, als ik dat hele stuk nog had moeten fietsen in die hitte. Tot verbazing van Sander, zeg ik tegen hem: ‘ik wil snel weer terug om de col d’Aubisque nog eens te beklimmen en er dan vol van te genieten’.
Een kilometer voor de top worden we uit de auto geladen en maken we ons klaar voor de laatste etappe. Ik begin nu te begrijpen wat ze bedoelen met gloriemoment. De bergtoppen staan vol met mensen die ons luidkeels aanmoedigen, er is opzwepende muziek, we worden binnengepraat met een microfoon. Het voelt als een triomftocht en als vanzelf ga ik harder fietsen. Net voor de top heb ik mijn moment van ontroering. Een paar tranen lopen over mijn wang. Wat een bijzonder moment.

De periode met borstkanker is definitief afgesloten. Met deze klim heb ik mijn expeditie borstkanker nog eens dunnetjes over gedaan. Ook de weg naar genezing was lang en zwaar, ook toen heb ik diep moeten gaan, wist ik niet zeker of ik het zou halen. Ook toen ben ik er doorheen gekomen door doorzettingsvermogen, steun van familie en vrienden en liefde voor het leven. En net als nu wachtte aan het eind de triomf: ik heb het gehaald!

Sander houdt zich bescheiden op de achtergrond en gunt mij mijn gloriemoment. Als ik op de top aankom steek ik als triomf mijn arm in de lucht. Voor ik het goed en wel in de gaten heb krijg ik van Tristan Hoffman mijn medaille omgehangen en komt Margo me feliciteren. En dan is er natuurlijk Frans die me huilend en lachend tegelijk omhelst en van de grond tilt, terwijl hij roept dat hij zo ontzettend trots op me is. Wat een kanjer. Wat een fantastische man heb ik toch!

Vele handen hebben me naar de top gedragen. Zoveel support, zoveel zorg, zoveel vertrouwen, het is overweldigend. Heel veel dank aan iedereen die me afgelopen tijd heeft ondersteund. Samen naar de top, dat is zoveel mooier dan alleen. Samen de hoogte- en dieptepunten van het leven vieren. Ik ben een dankbaar mens. Dankbaar voor mijn lichaam die dit weer aankan, dankbaar voor mijn geliefde familie en vrienden en dankbaar dat ik zo’n mooi leven mag leiden.


Op de top krijg ik van Sander twee hardgekookte eieren met zout die ik gretig verorber. Wat is dat lekker. Sander die de hele tocht in dienst van mij heeft gereden en nooit zijn eigen tempo kon fietsen. Die zo langzaam moest rijden dat hij bijna omviel.
Wanneer ik in de camper zit en we de Aubisque en de Soulor naar beneden rijden ben ik verbaasd. Heb ik dat hele stuk echt helemaal (nou ja, bijna helemaal) gefietst? Hele stukken zijn uit mijn geheugen verdwenen. Ik was zo onder de indruk van het hele gebeuren, dat ik niet echt het gevoel heb dat ik het zelf heb meegemaakt. Ik heb nauwelijks genoten van de omgeving, van de prachtige berg.

Terug in het hotel voel ik me behoorlijk beroerd. Ondanks de koude douche voel ik me verhit, terwijl  tegelijkertijd de koude rillingen over mijn lijf lopen. Ik heb het koud en warm tegelijk. Ben moe en onrustig. Door de medicijnen die ik gebruik heeft mijn lichaam moeite met de regulatie van de temperatuur. Ik kan niet goed meer tegen warmte en vandaag was een erg hete dag.
Pas als ik een tijdlang een fles koud water in mijn nek houdt, trek ik weer een beetje bij. Margo die bij me op de rand van het bed zit, vraagt of dit het allemaal waard was. Mijn hersenen willen een nee als antwoord geven, maar uit de grond van mijn hart komt een onverwacht ja uit mijn mond. Ik ben er zelf verbaasd over.

’s Avonds heb ik weer energie om te genieten van het vijf gangendiner en de ontroerende foto’s die de fotografen hebben gemaakt. Volgend jaar staat de Gavia in Italië op de planning. En na tien jaar wordt het evenement omgedoopt van de Tristan Hoffman Challenge in de Kanjer Mountain Challenge. In dit jubileumjaar hebben we met zijn allen € 116.449,54 bij elkaar gebracht voor Kanjers voor Kanjers. Alle sponsoren geweldig bedankt. Het geld zal worden besteed aan mooie projecten waar kinderen met een beperking blij van worden.

Wanneer ik de volgende ochtend wakker word, heb ik tot mijn eigen verwondering nergens last van. Geen stramme, stijve spieren, geen zere knieën, geen vermoeidheid. Sterker nog. Het eerste wat ik denk als ik mijn ogen open, is ‘ik heb zin om te fietsen’. Echt waar!

Inmiddels heb ik mijn eerste rondje door het Montferland alweer gemaakt. Ik was benieuwd hoe ik de Peeskesbult zou ervaren. Zou dit nu een betekenisloos heuveltje zijn? Of toch nog steeds een pittige klim? Ik ben door mijn training in de Ardèche veel krachtiger geworden. Mijn lijf is sterk en in vorm en het geniet van het fietsen. Ik ben blij dat het fietsen zo goed heeft uitgepakt voor mijn lichaam. Dat mijn arm zich zo goed heeft gehouden en dat ik geen last meer heb van mijn knieën met fietsen. Ik dender de helling bij de molen bij Zeddam op met ongekend gemak. Ik neem de Peeskesbult met twaalf kilometer per uur. Ik ben trots op mijn lijf.

Ik heb ongelooflijk veel zin om volgend jaar de Tourmalet, de Mont Ventoux, de Aspin, pont d’Espagne en natuurlijk de Aubisque te beklimmen. Want het is precies zoals Margo al had voorspeld: de beklimming van de Aubisque is niet het einde, maar slechts het begin.

Iedereen die dit avontuur met mij heeft meebeleefd: heel erg bedankt!

 

4 reacties

  1. Lieve Dorothe,
    Ik heb zitten huilen bij het lezen van je ervaringen. Wat geweldig hoe je deze nieuwe expeditie hebt volbracht!!~En wat een mooie ervaringen! Het raakt me diep.
    Ik heb heel veel bewondering en respect voor jou en jouw kracht!!!

  2. Lieve Dorothé, wat heb je deze expeditie ook geweldig volbracht. Je bent een echte powervrouw! Een vrouw met kracht, kwetsbaarheid, moed en doorzettingsvermogen.
    Lieve groet van Angela

Geef een reactie