Fietsen met Frans

Het ongelooflijke is gebeurd: Frans is ook aangestoken door het fietsvirus. Hij heeft zelfs een nieuwe fiets gekocht; een crossbike. Een fiets die de beste eigenschappen van racefiets en mountainbike combineert. Een flitsende fiets met een verende voorvork, stevige banden, schijfremmen en een grote range aan versnellingen.
Nu we samen fietsen is het me duidelijk geworden dat Frans niet van de grote, rechte stukken is. Hij houdt – net als met alle andere dingen in zijn leven – van afwisseling. Met Frans aan mijn zijde fiets ik dan ook niet verder dan vijftien kilometer zonder een terrasje aan te doen en we beginnen standaard met een koffiepauze. Met Frans fietsen is vooral relaxed en gezellig. Meestal halen we nog niet de helft van de route die ik vooraf globaal had gepland. Maar wat maakt het uit, het zijn altijd super gezellige dagen waar ik met een warm hart aan terug denk.
Op het vlakke land wil ik hem nog wel eens horen zeggen dat ik ‘de gang er flink in heb’. Wat me deugd doet, want ik fiets tenslotte al een jaar lang de longen uit mijn lijf en het is best frustrerend dat hij me zonder enige training moeiteloos bij kan houden. In de bergen is het anders. Dan lijkt Frans ineens extra kracht te krijgen en rijdt hij speels en vrolijk kirrend omhoog. Daarbij wil hij nog wel eens vergeten dat ik een racefiets heb en onverharde paden echt niet geschikt zijn voor mijn smalle bandjes. Toen we laatst in de buurt van Koblenz door de wijngaarden fietsten met uitzicht op de Rijn koos hij bij voorkeur steile bergwegen uit die steevast eindigden in een hobbelig keienpad.
Nu houd ik gelukkig ook van steile klimmetjes en een afwisselend parkoers, maar met de racefiets is het soms ook heerlijk om over een strak geasfalteerd fietspad te zoeven.
Nu ik samen met Frans fiets en hij niet meer als een veilig vangnet met de camper achter me aan rijdt, moet ik ervoor zorgen dat ik de hele route vol kan houden én moet ik bij iedere berg die ik beklim er rekening mee houden dat ik ook weer omlaag moet. Dat laatste komt mijn daaltechniek ten goede. Na een venijnige klim in de heuvels bij Koblenz, wachtte een kilometerslange afdaling met haarspeldbochten. Ik boog naar voren en plaatste mijn handen in de beugels, mijn wijsvinger en middelvinger losjes om de rem. Het was vreemd om zover met mijn hoofd naar beneden te liggen, maar tot mijn verrassing kon ik de snelheid heel goed reguleren en kreeg ik op deze manier geen kramp in mijn handen. In één van de bochten voelde ik mijn achterwiel wegglijden op het losse grint dat er lag, maar gelukkig bleef ik overeind.
Overmoedig geworden door de geslaagde afdaling, waarbij ik de wind langs mijn hoofd voelde suizen, kozen we voor een super steile laatste klim naar de camping. Een beklimming over kasseien, die alles in mijn lichaam in trilling brachten. Frans speerde er direct vandoor. Ik wilde me niet laten kennen en ploeterde, zwetend achter hem aan. Mijn benen verzuurden, mijn armen trilden, maar keitje voor keitje kwam ik boven, waar ik halfdood neerviel in het gras. Het zweet gutste van mijn lijf, terwijl ik het laatste restje water uit mijn bidon over mijn gezicht liet stromen. Ik keek naar Frans, die bekende dat hij ook ‘best wel moe’ was.

Iedere wielrenner valt wel een keer, zo was me verzekerd door ervaringsdeskundigen. Ik had besloten dat ik daarop de uitzondering zou worden, want ik was doodsbang om op mijn lymfoedeem arm te vallen en daar blijvend last van te houden. Daarom fietste ik erg voorzichtig. Bij elke kruising klikte ik mijn schoenen uit voorzorg al los, ik gaf iedereen voorrang en keek extra goed uit. Ik waagde me nauwelijks aan afdalingen en mijn snelheid lag laag (mijn snelheidsrecord staat op 46 km per uur bij een afdaling op de Holterberg). En toch ben ik gevallen.
Ik fietste met Frans in de buurt van Winterswijk op een weg die overging in een zandpad. Het eerste stuk was het pad nog hard, maar langzaam kwamen er steeds meer stukken met rul zand. Ik was er niet helemaal bij met mijn gedachten en ineens pats boem daar lag ik met mijn snufferd in het zand. Ik fietste heel langzaam en de val was niet hard, maar ik had overal zand zitten. In mijn mond, in mijn neus, onder mijn bril. Gelukkig was ik op mijn linkerarm gevallen en had ik alleen wat schaafwondjes en butsen op mijn knie. We maakten alles schoon met water en ontsmetten de wondjes met het kleine flesje dettol dat ik uit voorzorg altijd bij me heb. Later ontdekte ik dat de muis van mijn rechterhand pijnlijk en dik werd. Mijn lichaam heeft dit echter prima opgevangen en het vocht in mijn arm is niet heel erg toegenomen. Mijn eerste val met de fiets is een feit en was niet zo erg als ik me had voorgesteld. Desalniettemin wil ik het graag bij deze ene val laten.

Frans riep dat ik beter kan gaan paragliden, dat is een stuk veiliger dan fietsen…

Eén reactie

Geef een reactie