Meanderen op de wadden

Meanderen. Meebewegen met eb en vloed. Het natuurlijke levensritme volgen. Met onze goede vriend Huub bracht ik drie dagen meanderend door op de wadden. Een periode waarin we alle tijd van de wereld hadden en die eindeloos leek te duren maar die tegelijkertijd is omgevlogen. We hadden geen voorop gezet plan; de dagen lagen leeg en uitgestrekt voor ons en leken zich spontaan te ontvouwen in het moment. Iets waar we allebei intens van genoten.

De waddentaxi, ms Zeehond genaamd, was een bootje dat plaats bood aan twaalf passagiers. De kapitein plaatste onze fietsen met bepakking tegen de reling en sjorde ze vast met een band. Op de vraag of we buiten op het bankje bij onze fietsen mochten blijven zitten, antwoordde de kapitein dat hij dat liever niet had. Het was rotweer, de boot zou op de golven klappen en we zouden ons tijdens de tocht niet kunnen verplaatsen en ons stevig vast moeten houden als we op het dek bleven. Huub en ik keken elkaar aan. ‘Laten we maar verstandig zijn’, zei Huub tenslotte. De kapitein herhaalde nogmaals dat het echt rotweer was en attendeerde ons op de kotszakjes die voor ons lagen. Of we die alsjeblieft wilden gebruiken als het nodig was. Ik keek Huub vertwijfeld aan. Dat kon wel eens een heftige overtocht worden. Heel anders dan het romantische tochtje dat ik in mijn hoofd had toen ik de overtocht met de ms Zeehond had geboekt.

Onze minivakantie was nog wel zo rustig begonnen. We hadden de auto op het grote parkeerterrein in Harlingen achtergelaten. Op de fiets hadden we een stukje van het oude centrum van Harlingen verkend en toen in het haventje een krentenbol etend gewacht op de komst van de waddentaxi.
De overtocht die een uur duurde was niet zo extreem als ik me had voorgesteld na de introductie van de kapitein. Weliswaar spoot het water hoog over de boot en bonkten we over de golven maar ik vond het ritme best aangenaam en genoot van het spektakel. Af en toe blikten we achterom en zagen hoe onze fietsen werden bedolven onder golven van zout water.
Het was lastig om ons te oriënteren. We voeren langs diverse zandplaten en zagen verschillende eilanden liggen, waarbij we gokten welke nu Vlieland was. Door de meanderende vaargeul veranderden we regelmatig van koers.

Bij aankomst op Vlieland waren de dreigende donkere onweerswolken verdwenen. De lucht was vriendelijk blauw en de zon scheen toen we in de kleine haven met plezierbootjes aanmeerden. Wel woei er een stevige wind.
Door Oost-Vlieland, het enige dorpje op het eiland, fietsten we naar camping Stortemelk. Omdat je op Vlieland geen auto mee kan nemen, stond de camping vol tenten. Nergens een camper of caravan te bekennen, dat was een bijzonder gezicht.
We lunchten op een bankje in de zon met meegebrachte broodjes en een koel drankje dat we in het supermarktje op de camping hadden gekocht. We fietsten de camping rond op zoek naar een leuk plekje. Hoewel het een grote camping was, hing er een rustige, ontspannen sfeer.

 

 

 

 

We hadden moeite onze tentjes op te zetten. Het waaide zo hard dat de één op het grondzeil moest gaan liggen, zodat de ander de enorme houten haringen – die we op aanraden van de receptie in de kampwinkel hadden gekocht – vast kon zetten. Een vriendelijke buurvrouw leende ons een hamer om de haringen diep de grond in te slaan. We waren verhit en moe toen we de tentjes eindelijk stormproof hadden staan. Tijd voor een duik in zee.
De zee was niet ver weg. We hoefden slechts één duin te beklimmen en toen lag een wijds en verlaten strand voor ons. We renden speels de golven tegemoet. Het water was verrassend warm en we bleven lang in de golven springen en drijven.
Liggend in het zand deden we een mindfulness oefening, waarbij je rustig ademend je ademhalingen telt. Ik was mijn adem al na een paar tellen vergeten, maar het was ontspannend om naar het geruis van de zee te luisteren en naar de blauwe lucht te staren, terwijl de wind over mijn gezicht blies. Een tweede duik in zee volgde. Daarna sjouwden we ons omhoog door het losse zand de duin over richting douche.

Huub had een waterkoker mee genomen. Briljant. Nu konden we thee zetten en soep maken. Na een cup a soepje met cracker gingen we dan eindelijk fietsen. Met de wind vol in het gezicht ploegden we ons voort over het eiland. We fietsten door een glooiend duinlandschap met kleine struikjes en grasland, afgewisseld met vennetjes en af en toe een boom. Omdat we best trek hadden besloten we niet naar het uiteinde van het eiland – een uitgestrekte zandvlakte die de Vliehors heet – te fietsen, maar via een omweg terug te gaan naar Oost-Vlieland om iets te eten.

Bij een pizzeria kozen we beiden voor pasta met curry en Noordzee krab. Op de camping genoten we nog van een mok thee en een prachtige zonsondergang in de duinen. Daarna installeerden we ons in onze tentjes die stonden te klapperen in de wind. Maar met van die mega haringen kon ons niets gebeuren. Tevreden gingen we slapen, elk in onze eigen bubbel.

De boottochten waren de enige momenten waarop we de tijd in de gaten moesten houden, daarom had ik mijn telefonische wekdienst ingesteld en werd ik de volgende ochtend wakker met een vrolijk muziekje. Het waaide nog steeds stevig en mijn binnentent ging er in een onbewaakt ogenblik met stokken en al vandoor. Het buitelde over de camping en ik moest er in een sprintje achteraan. Na het inpakken van onze spullen, ontbeten we zittend op de grond met crackers en krentenbollen uit onze basisvoorraad.
De catamaran die ons van Vlieland naar Terschelling bracht was veel groter dan we hadden verwacht. De kleine waddentaxi waarmee we de dag tevoren de overtocht van het vaste land naar Vlieland  hadden gewaagd paste er wel een paar keer in. De catamaran had geen plaatsen op het dek. Met een handje vol andere passagiers namen we plaats op de ruime stoelen, terwijl we over het water scheerden. Mijn ogen waren gefocust op de zandplaat waar regelmatig zeehonden liggen te zonnen. ‘Vandaag wil ik echt zeehonden zien’, had ik Huub tijdens het ontbijt toevertrouwd. ‘Al is het er maar één.’ De dag tevoren hadden ze zich niet laten zien en ook nu was de zandplaat verlaten.

 

 

 

 

 

Het eerste dat ons opviel in West-Terschelling toen we de boot afstapten met onze fietsen was het parkeerterrein vol auto’s. Even voelden we weemoed naar de leegte van Vlieland, maar al snel sloten we ook Terschelling in ons hart. Bij een standbeeld van de vissersweduwe uitkijkend over zee hadden we een prachtig uitzicht over het drooggevallen wad. We konden haar aantrekkingskracht niet weerstaan, parkeerden de fietsen, trokken onze schoenen en sokken uit en meanderden over geribbeld zand. We liepen tot aan de waterrand, de vaargeul gevuld met grote schepen was vlakbij, aan de andere kant witte duinen begroeid met ruw gras en een gezellig cafeetje.
We zaten misschien wel twee uur in de zon met een cappuccino en een broodje te kletsen met uitzicht op het wad. Tijdloos. Daarna stapten we op de fiets om het eiland te verkennen. We reden door bossen, langs vennen, kleine dorpjes en de zee. Bij een camping van Staatsbosbeheer in het dorpje Lies sloegen we onze tentjes op. De camping lag verscholen in het bos, zodat we er eerst voorbij waren gefietst zonder er erg in te hebben. Huub liep met de waterkoker naar het toiletgebouw om een kopje thee te kunnen zetten. Na lang zoeken vond hij een plankje aan de buitenkant van het gebouw met een stekkerdoos. Het duurde eindeloos voor het water kookte, want de waterkoker moest de stekkerdoos delen met een aantal mobieltjes die aan de oplader lagen. Maar wat maakte het uit, we hadden alle tijd.

Eind van de middag fietsten we naar zee en streken neer bij een gezellige strandtent. We gingen helemaal los met wijn en alcoholvrij bier. De tijd verstreek terwijl we kletsten en aten. Huub had het fris gekregen en ik stelde voor om een strandwandeling te maken om op te warmen. Met de voeten door het water liepen we ongemerkt een heel eind over het uitgestrekte strand dat we bijna voor ons alleen hadden.
‘Hé wat ligt daar? Is dat een zeehond?’ Ik rende dichterbij om te kijken. Op de rand van de zee lag inderdaad een zeehond. Een dode. Kreeg ik toch nog wat ik had gevraagd.
De hele wandeling liepen we elkaar al uit te dagen om te gaan zwemmen. Volgens mij was het water super lekker, juist nu het buiten wat kouder was. Snel trokken we onze badkleding aan en renden de golven in. De zee was rustig, bijna kabbelend, zodat we op onze rug op de golven konden dobberen. Verfrist en vol energie fietsten we terug naar de camping.

 

 

 

 

 

 

 

 

Liggend in mijn slaapzak kreeg ik overal jeuk. Ik probeerde het te negeren. Uiteindelijk besloot ik op te staan en te gaan douchen om het zoute water van mijn huid te spoelen. Ik pakte een plastic zak met een zipsluiting en deed er een handdoek in, nam een flesje zeep mee en liep onder de sterrenhemel over de camping naar het toiletgebouw. Er was geen verlichting en in de douche was het pikdonker. Voorzichtig propte ik mijn nachthemd in het plastic zakje. Mijn hand taste naar de knop om de douche aan te zetten. Zou het warm of koud water zijn? De voorzieningen waren nogal primitief. Er waren drie toiletten, een douche en een kraan met koud water waar alle campinggasten ’s avonds voor het slapengaan in een kring omheen stonden om hun tanden te poetsen. Ik miste iets van een wasbakje om de afwas in te doen of een schapje om je toilettas op te zetten.
Na een koude aanloop bleek de douche heerlijk warm water te geven.

De volgende ochtend stapte ik op de fiets om bij de lokale supermarkt warme broodjes en wat beleg te kopen, terwijl Huub zich ontfermde over de thee. We genoten van een uitgebreid ontbijt. Daarna stapten we op de fiets om de oostkant van het eiland te verkennen. Na een flinke kop soep fietsten we naar de Boschplaat, een natuurgebied met veel vogelsoorten. We parkeerden onze fietsen en beklommen een duin. Vanaf het duin hadden we een mooi uitzicht over zee, de uitgestrekte duinen en twee naakte mannen die daar lagen te zonnen.

Via de waddenkust reden we terug naar West-Terschelling. Links het wad, rechts de weilanden vol blèrende schapen. De kleintjes riepen hun moeder, die dan luidkeels antwoordde, waarna het jong in rap tempo op haar afliep. Elk schaap had zijn eigen geluid.
In West-Terschelling reden we nog snel even langs de Brandaris, de bekende vuurtoren van het eiland en baken in tijden van noodweer.

 

 

 

 

Vandaag was de zee glad als een spiegel. We konden de Brandaris nog lang zien liggen, terwijl de boot door de meanderende vaargeul gleed. Het leek alsof we niet opschoten en we telkens weer van richting veranderden. In de verte zagen we de windmolens op het vaste land en de afsluitdijk tussen Friesland en Noord-Holland. Na twee uur varen kwamen we aan in de haven van Harlingen.
Voordat we naar de auto fietsten verkenden we eerst nog even het centrum van Harlingen met zijn oude huizen en havens met bootjes. Rond tien uur waren we terug in Deventer waar we hongerig aanvielen op een bakje kwark, want het portie kibbeling dat we rond vijf uur hadden gegeten was al door onze magen gezakt.

Het was een heerlijke driedaagse geweest, waarin de flow zijn werk had gedaan. De volgende dag fietste ik van Deventer naar Doetinchem op mijn trekking bike en de dag daarop met mijn racefiets van Doetinchem naar Deventer om de auto op te halen. Hierbij genoot ik van het gezelschap en de gastvrijheid van mijn vrienden Huub en Esther. Ik hoop dat we nog veel leuke uitjes samen mogen meemaken.

2 reacties

Geef een reactie