Gelukkig kreeg ik kanker

Gelukkig kreeg ik kanker is de titel van mijn nieuwe boek. Niet dat ik direct gelukkig was toen ik de diagnose borstkanker kreeg. Integendeel. Ik voelde me bang en onzeker voor wat me te wachten stond. Maar achteraf kan ik zeggen dat kanker me veel heeft gebracht. Het heeft mijn leven verrijkt op een manier die ik vooraf niet had kunnen voorzien.
Met het boek wil ik mensen die nog aan het begin van het traject staan hoop en perspectief bieden. Wanneer je net de diagnose kanker hebt gekregen zit je niet te wachten op verhalen van hoe erg het allemaal is. Uit eigen ervaring weet ik hoe fijn het is om je op te trekken aan positieve verhalen, aan inspirerende voorbeelden, aan lotgenoten die het traject achter de rug hebben en die er goed doorheen zijn gekomen.

In Gelukkig kreeg ik kanker deel ik wat mij heeft geholpen tijdens de diagnose, de behandeling en de opbouwfase. Ik geef aan wat je zelf kunt doen om je leven met kanker zo aangenaam mogelijk te maken. Ik heb mijn tips verdeeld over de volgende vijf gebieden:

Zingeving: Kan ik kanker of andere tegenslag in mijn leven ombuigen tot iets waardevols?

Sociaal: Hoe kan en wil ik mijn familie en vrienden betrekken bij mijn proces?

Mentaal: Wat kan ik doen om positief te blijven en hoop te houden?

Emotioneel: Hoe zorg ik emotioneel goed voor mezelf? Hoe verwerk ik wat mij is overkomen?

Fysiek: Hoe kan ik mijn lichaam vertroetelen? Hoe kan ik fysieke ongemakken verzachten?

Ik heb niet de wijsheid in pacht. Ik bied alleen mijn eigen ervaring aan, waarvan ik hoop dat het anderen inspireert hun eigen weg te vinden. Misschien biedt mijn verhaal herkenning, zet het aan tot denken of geeft het nieuwe inzichten, wellicht helpt het kankerpatiënten keuzes te maken en de regie terug te pakken over hun leven.
Frans spoort mij aan te benadrukken dat het boek niet alleen tot steun kan zijn voor mensen die zelf kanker hebben, maar dat ook hun partner, ouder, kind of vriend er moed uit kan putten.

De geboorte van een boek is spannend. Het idee is maandenlang veilig gegroeid in mijn hoofd,  heeft zich verder ontwikkeld en gevormd toen ik er woorden aan ging geven, maar nu ligt het open en bloot op tafel. Klaar om verspreid te worden in de buitenwereld. Ik merk dat ik dat eng vind. Hoe zal het worden ontvangen? Welke reacties krijgt het? Zal het zijn doel bereiken? Het voelt kwetsbaar om mijn boek te presenteren aan de buitenwereld. Maar ik ben ook trots op mijn boek en wil heel graag dat het gelezen wordt, want ik heb het geschreven om mensen te inspireren en tot steun te zijn.

En dan nu een oproep aan mijn lezers: zouden jullie me willen helpen mijn boek “Gelukkig kreeg ik kanker” bekendheid te geven, zodat zoveel mogelijk mensen die zelf of in hun naaste omgeving te maken hebben met kanker er kennis van kunnen nemen? Als mijn verhaal maar een klein beetje kan bijdragen aan hun geluk, dan is mijn missie geslaagd.

Misschien heb je tips hoe ik mijn boek onder de aandacht kan brengen van de doelgroep?
Misschien wil je informatie delen op Social Media?
Misschien ken je mensen voor wie het boek interessant zou kunnen zijn?
Misschien wil je een recensie schrijven bij Bol.com?
Misschien wil je flyers met informatie over het boek verspreiden?
Misschien wil je over mijn boek vertellen aan familie, vrienden en collega’s?
Misschien kun je me in contact brengen met mensen die bij radio, tv, krant of tijdschrift werken?
Misschien kun je me in contact brengen met artsen, verpleegkundigen die werken met kankerpatiënten?
Misschien heb je ideeën waar ik zelf nog niet aan heb gedacht? Dan hoor ik die natuurlijk graag.

Maar misschien wil je het boek eerst zelf lezen? Dat kan natuurlijk!
Het is te koop via www.bravenewbooks.nl/dorothe-huijsmans en bij alle (online) boekhandels in Nederland en Vlaanderen. Prijs  17,95

 

Op pad met Esther

Toen ik van de zomer een aantal dagen met Huub  naar de wadden eilanden ging, had ik Esther beloofd om ook met haar een leuk uitstapje te maken. Het zou de eerste keer zijn sinds haar herseninfarct dat ze zonder Huub op reis zou gaan. Daarom besloten we een niet al te uitdagende trip te maken en kozen we voor ons uitstapje bestemming Oranjewoud in Friesland.
Esther attendeerde me op een hotel met een invalide kamer, zodat ze zelfstandig zou kunnen douchen, naar het toilet kon en in en uit bed kon komen. Met een ernstige beperking is niets meer vanzelfsprekend, toch is er met een beetje creativiteit nog veel mogelijk.

Toen ik in Deventer aankwam kreeg ik van Huub een demonstratie elektrische rolstoel demonteren en weer in elkaar zetten. Voor de zekerheid had hij het proces ook gefilmd zodat ik het ter plekke  rustig kon bestuderen, mocht het niet direct lukken. De elektrische rolstoel was namelijk een essentieel onderdeel van de reis met Esther. Zonder rolstoel kwamen we nergens.
Het viel me tegen hoe zwaar de wielen waren. Die kon ik met mijn lymfeoedeem arm beter niet tillen. Ook het frame van de rolstoel was te zwaar en onhandig voor mij om in de kattenbak van onze auto te leggen. Ik zou de hulp van het hotel moeten vragen om de rolstoel uit en weer in de auto te krijgen. Esther is gelukkig heel assertief en had dit via een mailtje al snel geregeld.

Huub legde de gedemonteerde rolstoel voor mij in de auto. De woonkamer stond vol met extra hulpmiddelen die mee moesten, zoals de vierpoot om een paar passen te kunnen lopen, het douchematje, de bedbeugel, de oplader voor de rolstoel, diverse kussens en een rolstoeltas.
Esther had er zin in, maar was ook gespannen. Zou het allemaal goed gaan? Ik vond het vooral fijn om dit samen, als twee vriendinnen, te kunnen ondernemen en ik was benieuwd wat we onderweg samen zouden beleven.

We beginnen de dag met een smakelijk ontbijt en een goed gesprek over waardevol leven. Het valt niet mee als je van de één op de andere dag te maken krijgt met ernstige beperkingen en afscheid moet nemen van veel dingen die je zo graag deed en die je waarschijnlijk nooit meer zal kunnen doen. Het kost tijd dat te accepteren. Het vergt moed en doorzettingsvermogen je leven opnieuw vorm te geven. Onzekerheid en schaamte spelen een rol. Hoe zien anderen jou nu je gehandicapt bent? Ben je nog waardevol en van betekenis voor anderen? We kwamen tot de conclusie dat je niet waardevol bent om wat je doet of kunt, maar om wie je als persoon bent.

Rustig keuvelend tuffen we richting Heerenveen. We hebben moeite de ingang van het hotel te vinden. Ik parkeer de auto op de invalidenparkeerplaats en Esther plaatst de invalidekaart voor het raam. Het is voor mij maar een klein stukje van de parkeerplaats naar de ingang van het hotel, maar voor Esther is het een ware work-out. Ze hijst zich uit de auto omhoog en grijpt de vierpoot die ik voor haar heb klaar gezet. Stapje voor stapje slingert ze haar been en de vierpoot vooruit richting ingang. Het is voor haar een flinke inspanning en we grappen dat ze de fysio voor vandaag al achter de rug heeft. We hebben even een spannend moment als de schuifdeuren sluiten als Esther net de drempel over gaat, ze komt bijna klem te zitten tussen de deuren, maar gelukkig gaan deze ook snel weer open.

Bij de incheckbalie horen we dat onze kamer nog niet klaar is, maar dat ze dat zo snel mogelijk proberen te fixen en dat er rond twaalf een jongen met flinke spierballen zal verschijnen die ons kan helpen om de rolstoel uit de auto te halen.
Na een bezoek aan het invalidentoilet heeft Esther voldoende energie verzameld om met de vierpoot naar het restaurant te lopen. We nemen het eerste de beste tafeltje dat we tegen komen en bestellen cappuccino met gebak. Daarna wandel ik naar de balie en vraag aan de jongen die daar zit of hij sterke spierballen heeft. Hij kijkt me bevreemd aan. Ik vraag of hij me wil helpen om een rolstoel uit de auto te tillen. Behulpzaam wandelt hij met me mee. Ik probeer me zo goed mogelijk te herinneren hoe de rolstoel in elkaar gezet moet worden. De jongeman is rustig en heeft een goed technisch inzicht. Met zijn hulp lukt het vrij gemakkelijk om alle onderdelen in elkaar te passen.
Als ultieme test neem ik plaats in de rolstoel en zet hem aan. Het schermpje springt op groen, ik beweeg de knop naar voren en daar ga ik. Onwennig zigzaggend steek ik de parkeerplaats over, met een rotvaart rol ik het hotel binnen en beweeg me gierend van de lach langs obstakels in het restaurant. Gasten kijken me verbaasd aan. Ik vind het fantastisch om met de rolstoel rond te rijden, maar dat komt natuurlijk alleen omdat ik eruit kan stappen als ik er genoeg van heb. Esther ziet me aankomen rollen en ligt ook slap van het lachen. Ik sta op en zij neemt plaats in de stoel.

Hoewel de kamer klaar is en ik verwacht had dat Esther zou willen rusten, kiezen we voor een wandeling. De rolstoel kan zes kilometer per uur en ik moet flink aanpikken om dat tempo bij te benen. Landgoed Oranjewoud bestaat uit een fraai aangelegd park met oude bomen, bruggetjes, vijvers en statige lanen.
In een weiland zie ik een groepje grijsbruine dieren staan en liggen. Ik herken ze als herten. Maar mijn hersenen zeggen tegen me dat ik me vast vergis en dat het wel koeien moeten zijn. Een kudde koeien in een weiland dat is logischer dan een grote verzameling reeën. Maar als we dichterbij komen, zien we aan de smalle kopjes die ons nieuwsgierig bekijken dat het toch echt om herten gaat. Een groep van zo’n dertig herten; sommige liggen te herkauwen, anderen staan te grazen in de wei, een aantal staat verscholen tussen de bomen en slaat ons nieuwsgierig gade.

We hebben een vrij recht pad uitgekozen. Er waait een stevige herfstwind en wanneer het ook nog begint te miezeren lijkt het me tijd om snel terug te keren naar het hotel. Het idee was om een blokje om te lopen, maar dat bleek alleen mogelijk met een grote boog om de snelweg heen. Dus werd het dezelfde rechte weg terug. Ik kon mezelf wel warm lopen, maar Esther zat te verkleumen in de rolstoel. Regenponcho en fleecedeken waren we vergeten mee te nemen. Shit. Ik hoopte dat we niet zeiknat zouden regenen. Voor mijzelf vond ik dat niet zo erg, maar ik wilde niet dat Esther onderkoeld zou raken. Het bleef gelukkig bij wat motregen.
Rond half drie waren we terug bij het hotel. Slapen of lunchen vroeg ik aan Esther? Het werd lunchen. Bij een grote mok thee en een tosti warmden we weer wat op en postte Esther ons vreemde wandelrondje op Strava: twee rechte lijnen in een hoek van negentig graden. Toch mooi een ruime vijf kilometer afgelegd.
Het was inmiddels vier uur en hoog tijd voor een middagdutje. Maar hiervoor moest eerst het bed voor Esther worden geprepareerd. Ik worstelde met het in elkaar zetten van de bedbeugel waar Esther zich aan op moest trekken om uit bed te kunnen komen. Ik besloot niet teveel tijd te verspillen en de hulp van de bedachtzame jongeman met de spierballen in te roepen. Dit bleek een goede zet. Rustig en bekwaam bekeek hij het karwei en even later lag Esther lekker in bed te pitten. Ik had van tevoren  allerlei dingen bedacht die ik zou kunnen doen als Esther in de middag zou rusten. Zelf een dutje doen hoorde daar niet bij, maar is het uiteindelijk wel geworden. Rond zes uur ging de wekker en schoten we allebei wakker uit een verkwikkende slaap.

Om half zeven had ik restaurant De Oranjetuin gereserveerd. We kregen eerst diverse amuses van het huis en toen Esther het voorgerecht op had, vroeg ze zich af of ze nog wel ruimte had voor een dessert en moest ik haar eraan herinneren dat er eerst nog een hoofdgerecht zou komen. Er zat ruimschoots tijd tussen de gangen dus uiteindelijk kwam het helemaal goed en namen we toch nog een dessert en ook nog een afsluitende kop thee. Het was rond een uur of tien dat we onze hotelkamer opzochten. We hadden gepraat over onze jeugd en de opvoeding die we hadden gekregen, onze ouders en hoe dat onze keuzes in het leven had beïnvloed. Aan het eind van de avond kwam er een wat oudere man bij ons tafeltje staan. Het bleek de directeur te zijn en hij wilde graag weten of alles naar wens was of dat hij nog dingen kon verbeteren. Zeker ook gezien vanuit het standpunt van een minder valide.

Het was een gezellige avond. Het voelde vertrouwd met Esther. In bed kletsten we als twee giechelende tienermeisjes op een zomerkamp. Telkens als één van ons wilde gaan slapen, begon de ander weer te kletsen.

Esther had ’s nachts liggen brainstormen over wat er allemaal beter kon in het hotel vanuit het gezichtspunt van een minder valide. Toen ze de directeur beneden in de hal zag staan, trok ze hem aan het jasje en demonstreerde hem wat lastig was (toiletrol te ver weg om te kunnen gebruiken, geen stang om de deur dicht te trekken, douche te ver weg). Ze gaf ons een korte cursus bewustworden waar je als minder valide tegenaan loopt. Ik zie mogelijkheden voor haar om zich hier maatschappelijk voor in te zetten. Ze is mondig en zit boordevol creatieve ideeën (tijdschrift voor mensen met een beperking) en verbeterpunten. Misschien kan het haar helpen om zin en betekenis te geven aan wat haar is overkomen, tenslotte kun je dit alleen doen als je zelf ervaringsdeskundige bent.

Bij het ontbijtbuffet vond ik het vreemd dat er nergens opscheplepels lagen en dat je de broodjes of kaas met je handen of gebruikte bestek moest oppakken. Bleek dat iedereen bij de ingang een eigen tang had gekregen, maar die hadden wij dus gemist….

We wandelden de kleine twee kilometer richting museum Belvedere. Aandachtspunt was dat de batterij van de rolstoel bijzonder snel terugliep. Ik had de accu gisteren wel opgeladen toen we een dutje deden, maar dat was blijkbaar niet genoeg geweest. De terugweg zou spannend worden, maar dat was van latere zorg. Eerst lekker genieten van de kunst in het museum.
Het museum ligt mooi ingepast in het Friese landschap en hangt bijna boven het water. In de tuin staan beelden die indruk op ons maakten. De entree was nog even een dingetje. We waren een uur te vroeg. Voor ons werden mensen zonder pardon teruggestuurd. ‘Komt u vanmiddag maar terug, we zitten nu vol.’ ‘Nee, er zijn geen kaartjes meer te koop.’
Toen ik terugkwam van het toilet zag ik Esther net bij de controle staan waar een dame haar de tickets teruggaf. ‘Hoe heb je dat gefikst?, vroeg ik, terwijl we snel het museum inliepen voor ze zich zouden bedenken. ‘Beetje zielig doen’, antwoordde ze met een glimlach. ‘Heel af en toe kan een beperking ook handig zijn’, zei ze. ‘Daar moet je gewoon gebruik van maken’, stemde ik met haar in.

Het was lang geleden dat ik in een museum was geweest. Ik genoot ervan. Er waren schilderijen van de wadden, landschappen met mystieke bloemen, kleurige schilderijen die met een paar vegen een landschap uitdrukten, het project nachtfoto’s en tekeningen en schilderijen van dieren. En indrukwekkende beelden van hout, brons en glas.

Buiten scheen ineens de zon en op een bankje genoten we van een appeltje en de omgeving. Om de batterij te sparen rolden we heel langzaam terug naar het hotel. Nog even genieten van de zon op het terras met een kroket en een kop soep en dan is het tijd om huiswaarts te keren. We hadden het goed uitgekiend de batterij stond al op de reservestand, maar deed het nog net. De vriendelijke jongeman hielp me weer met het demonteren en inladen van de rolstoel en toen begaven we ons in de vrijdagmiddag file naar huis. De GPS stuurde ons via de meeste kleine binnenwegen van Friesland, Drenthe en Overijssel om de file zoveel mogelijk te omzeilen. Of dit veel tijd scheelde weet ik niet, maar het was in ieder geval geografisch leerzaam. We kwamen door allerlei onbekende dorpjes en buurtschappen, liepen vast op wegonderbrekingen, zaten kilometers lang achter landbouwmachines en tractoren en kwamen uiteindelijk toch nog vast te staan door verkeersdrukte. Hongerig, moe en voldaan bereikten we uiteindelijk Deventer. We sloten af met een maaltijd van de afhaal Chinees.

Het uitstapje met Esther is me goed bevallen. Het was gezellig als vanouds. Het was vertrouwd en fijn weer samen op pad te gaan. En daarmee is voor mij bevestigd dat het er niet om gaat wat je kunt of wat je doet, maar wie je bent als vriendin, als moeder, als partner, als uniek mens. Op naar het volgende uitstapje!

 

Le Mont Saint-Michel en Suisse Normande

Op mijn verlanglijstje, die volgens Frans alleen maar langer wordt naarmate we meer reizen, stond Le Mont Saint-Michel. En nu we er zo dicht in de buurt waren wilde ik er beslist naar toe.

Dat dicht in de buurt viel een beetje tegen. Het was nog zo’n 345 kilometer rijden en we deden er ruim vier uur over. Vanaf de kleine slingerende weg zagen we het beroemde eiland met zijn vesting en abdij al van veraf liggen. Het landschap is hier vlak alsof het net gestreken is.

Le Mont Saint-Michel stamt uit het jaar 700 toen een monnik een visioen kreeg van aartsengel Michael om op het rotsachtige eiland een kerk te bouwen. Sindsdien is het eiland door de eeuwen heen – met uitzondering van een korte periode als gevangenis – steeds een plek geweest voor contemplatie en reflectie. Ook nu leeft er nog een groep broeders en zusters in eenvoud in het oude klooster. De omgeving zal hierin zeker een rol spelen. De abdij ligt hoog op de rotsen vanwaar je een prachtig uitzicht hebt over de baai die met eb kilometers droog valt. Je hebt dan drie uur de tijd om over het uitgestrekte waddengebied met zijn geulen te wandelen. Voorzichtigheid is geboden, want het water komt razendsnel opzetten, zoals Frans en ik met eigen ogen zagen gebeuren. In een kwartier tijd liep de zandvlakte onder de brug  waar we stonden te kijken vol met een kolkende stroom water. Het schijnt dat het water een snelheid heeft van tweeënzestig kilometer per uur.

Via de fraai aangelegde houten brug wandelen we van de parkeerplaats naar het eiland. We hebben kaartjes voor de abdij, die vandaag gratis zijn omdat het open monumenten dag is. Hebben wij weer geluk. Wel hebben we in verband met corona een tijdslot gekregen om binnen te komen.
We zijn niet echt voorbereid op de drukte op het eiland met zijn smalle middeleeuwse straatjes en vele winkeltjes. Het benauwt ons. Zo snel mogelijk proberen we naar de ingang van de abdij te komen, maar ook hier is het druk. In file lopen we door de enorme zalen van de abdij. Hierdoor kunnen we er minder van genieten en maakt het gebouw niet echt indruk op ons. Het uitzicht over het wad is indrukwekkend, maar ik geef toch de voorkeur aan de krijtrotsen.

‘Misschien is het eiland wel prachtig verlicht’, opper ik om Frans zover te krijgen met mij mee te gaan op een nachtelijke wandeling naar het eiland. In mijn hoofd heb ik een romantisch tafereel van wandelen met mijn lief over een brug over zee naar een sprookjesachtig verlicht eiland. Als Frans uiteindelijk meegaat, is het zwaar bewolkt en regent het zachtjes, de pendelbussen rijden nog steeds af en aan en wordt het silhouet van Le Mont Saint-Michel slechts verlicht door één miezerig lampje. Na een paar honderd meter gaan we terug en duiken het bed in.

We hebben allebei behoefte aan rust en natuur na de drukte van gisteren. Ik vind een natuurgebied dat ‘Suisse Normande’ heet. De naam duidt op de rotsige bergen die Zwitsers aandoen. We nemen afscheid van Le Mont Saint-Michel in een cafeetje met cappuccino met uitzicht op de vesting. Via verlaten landweggetjes koersen we door een boomrijk gebied. De wegen beginnen steeds meer te rijzen en te dalen. Op deze manier rijden vinden we allebei leuk om te doen.
Camping de la Rouvre is precies wat we nodig hebben: een oase van rust en natuur, gelegen aan riviertje La Rouvre en een gastvrije ontvangst. Het echtpaar dat de camping runt is vriendelijk en uitnodigend. We mogen zelf een plekje uitzoeken. Ons oog valt op het grote veld achteraan de camping. Hier kun je je hangmat ophangen, een kampvuurtje stoken, genieten van prachtige oude kastanjebomen, een appeltje plukken uit de fruitgaard of Ezel Therese en haar metgezel de bok Gaston een wortel voeren. ’s Avonds leert Frans me schaken op het gezellig ingerichte terras, wisselen we wandeltips uit met andere campinggasten en hoort Frans van de eigenaar dat er twee vliegstekken in de buurt zijn.

Suisse Normande is een dunbevolkt gebied en het blijkt een hele uitdaging te zijn om iets eetbaars te vinden. Met de camper toeren we van dorp naar dorp op zoek naar brood of iets anders dat we mee kunnen nemen op onze wandelingen. Nu het hoofdseizoen voorbij is durven we er niet op te vertrouwen dat we wel een restaurantje of terrasje tegen komen dat geopend is. En die zorg blijkt terecht. Zelfs bij het toeristische hoogtepunt van Suisse Normande, la Roch d’Oëtre zijn de restaurantjes gesloten.
Uiteindelijk vinden we een minisupermarkt. Maar als we om brood vragen, begint de eigenaresse spontaan te lachen. Ze zegt dat we al de zesde zijn die vandaag naar brood vraagt en dat dat echt een probleem is in de regio. Bijna alle bakkers zijn gestopt, omdat het hoogseizoen is afgelopen. Ze hebben een pauze ingelast. Zij laat brood bakken door een boerin, maar dat komt pas eind van de middag binnen. Na twee uur rond rijden vinden we uiteindelijk ‘une boulangerie’.

We maken een wandeling door een kloof met grote bomen en een bruin riviertje met zeldzame rivierkreeftjes. In the middle of nowhere komen we geheel onverwacht een picknick plaats tegen waar we thee en koffie kunnen krijgen. Tijd voor de lunch met koffie, thee en stokbrood. Hoewel de wolken dreigend in de lucht hangen, blijft het droog.
Na de wandeling gaan we op zoek naar één van de vliegstekken. Frans vindt het leuk om daar te gaan kijken, hoewel het vandaag geen vliegweer is. Helaas zijn er wegwerkzaamheden waardoor de toegangsweg naar de vliegstek is afgesloten. Van welke kant we het paragliding startpunt ook proberen te benaderen, overal vangen we bot en het lukt ons niet er te komen.

Het einde van onze vakantie nadert. Een beetje weemoedig nemen we afscheid van Suisse Normande. Een heerlijk gebied om tot rust te komen. Langzaam maken de kleine wegen plaats voor drukke verkeersaders en komen we bij de stad Caen weer terug in de bewoonde wereld.

Bij Honfleur waar de Seine uitmondt in zee nemen we een break. Het is een pittoresk stadje met een houten kerk (zoals je veelal ziet in Scandinavië), een haven met kleurige huisjes en een leuk plein. Op een terrasje van een ‘salon de thé’ met pianomuziek op de achtergrond genieten we nog eenmaal van de zon en van een verrukkelijk gebakje met pistachenoten en pure chocolade. Het meisje van de bediening heeft grote, heldergroene ogen en praat via gebarentaal. Ze is doof.
Op weg naar de auto komen we langs een kunstgalerie waar onze aandacht wordt getrokken door een schilderij van dansende mensen in de vorm van een hart. De mensen zijn weergegeven als kleurige stipjes en toch kun je zien dat ze dansen en bewegen en dat het mensen zijn. Knap geschilderd, mooie symboliek. We zijn ervan onder de indruk.

Net na Honfleur rijden we over de ‘Pont de Normande’. Een witte hangbrug die in een steile boog de rivier de Seine overbrugt. De twee kilometerlange brug is imposant om overheen te rijden. Ik durf nauwelijks van het uitzicht te genieten omdat ik mijn aandacht op de weg moet houden die vrij steil omhoog en omlaag gaat.

Het plan was eigenlijk om vandaag nog ergens te gaan kamperen en dan morgen de laatste etappe naar huis te rijden. Maar zoals wel vaker aan het einde van een reis, ruiken we de stal en rijden we in één ruk door naar huis. Dat biedt perspectief voor de volgende dag.

Het is eind september maar nog steeds heerlijk weer. We pakken onze fietsen en rijden naar Zutphen waar Frans zijn kleding- en schoenenvoorraad aanvult. We lunchen uitgebreid op een terras en fietsen dan terug naar huis. Een mooie afsluiting van onze vakantie samen. ’s Avonds pak ik snel mijn koffer in en vertrek richting Deventer, want er staat alweer een nieuw uitje op de agenda.

Krijtrotsen

’s Nachts regent het en kruipen we knus tegen elkaar aan. De volgende ochtend pakt Frans zijn weer-apps – die hij ook voor het paragliden gebruikt – erbij. Ons plan was om in de Franse Alpen te gaan wandelen, maar er trekt de komende dagen een koufront over de Alpen waardoor in het hele gebied veel regen gaat vallen. Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk, Italië overal gaat het regenen. De enige regenvrije spot die we op de kaart zien is Normandië.

En zo koersen we met de camper richting de krijtrotsen van Normandië. Het is druk op de weg en de navigatie leidt ons via de Route National, omdat op de tolwegen lange files staan vanwege wegwerkzaamheden. Het deert ons niet. We hebben alle tijd en genieten onderweg van ons eerste Franse stokbrood deze vakantie.
In Yport, een dromerig dorpje met statige landhuizen opgebouwd uit grijze natuursteen, vinden we een camping met uitzicht op de krijtrotsen. Genietend van een kopje thee kijken we hoe de ondergaande zon de witte rotsen langzaam roze kleurt en er steeds meer lichtjes verschijnen in de baai die ver beneden ons ligt.

’s Ochtends is het fris maar zonnig. We pakken de bus naar Etretat waar de zee bijzondere vormen in de zachte krijtrotsen heeft uitgesleten die namen dragen als ‘de olifant’, ‘de boog’ en ‘de naald’. We klauteren vanuit het kiezelstrand omhoog tot we bovenop de kliffen staan en uitkijken over de baai. Ik krijg er maar geen genoeg van. Het uitzicht is zo mooi. De witte rotsen steken fel af tegen de blauwe zee. Niet voor niets vormde dit landschap een bron van inspiratie voor vele impressionistische schilders uit de 19e eeuw zoals Monet en Courbet. Maar de schilderachtige omgeving werd ook het decor voor de verhalen van een populaire Franse held, de gentleman-dief Arsène Lupin (serie is nu te zien op Netflix). Een heel andere indrukwekkende attractie is de golfbaan boven op de kliffen!

We wandelen via een Grande Randonnée over de krijtrotsen terug naar Yport. Onderweg picknicken we met uitzicht op de naald. Aan het eind van de dag nemen we een duik in zee. Het water is heerlijk van temperatuur en er zijn nauwelijks golven, zodat je echt kunt zwemmen en rustig op je rug kunt dobberen zonder overspoeld te worden.

De volgende dag wandelen we de andere kant op, richting Fécamp. Er zijn hier nog niet zolang geleden een aantal rotsen afgebrokkeld en naar beneden gestort waarbij iemand is overleden. Daarom is het strand langs dit traject grotendeels afgezet en ook mag je voor je eigen veiligheid niet meer vlak langs de rand van de kliffen wandelen. Toch is het een mooie wandeling langs slaperige gehuchtjes, een kloof met varens en uitgestrekte landerijen. Fécamp blijkt een wat grotere plaats te zijn met een kathedraal met glas-in-lood ramen, een haven en een oud klooster dat ‘Palais Benedictine’ heet. De Benedictijnen die in het klooster woonden waren wetenschappers. Ze schreven boeken nog voor de boekdrukkunst was uitgevonden om hun kennis te delen. De monnik Bernardo Vincelli besteedde zijn hele leven aan het maken van een levenselixer. Het doel was een geneeskrachtig medicijn te maken dat het leven kon verlengen. De medische wetenschap stelde in die dagen nog niet zoveel voor en er waren eigenlijk nog geen medicijnen. Vincelli gaf zijn elixer de naam Benedictine. Het deed me denken aan het levenselixer uit Asterix en Obelix.
Benedictine is een drank die heden ten dage nog wordt gebrouwen in het Palais Benedictine en die bestaat uit zevenentwintig kruiden en een grote dosis alcohol. Na de rondleiding door het museum en de brouwerij kwamen we uit bij de proeverij, waar we drie varianten van de Benedictine mochten uitproberen. Het drankje liet een warme gloed achter in mijn keel en had een zachte, zoete afdronk. Of we ons leven hierdoor hebben verlengd weten we niet, maar met een lichte roes verlieten we het pand.

We wandelden een eindje over het kiezelstrand langs de onderkant van de witte krijtrotsen. Het was eb en de witte rotsen die normaal onder het water liggen kwamen nu tevoorschijn met flinke plakken zeewier en mosselen. Op een bordje stond dat het verboden was de mosselen te vangen. We schoten niet erg op want de kiezels rolden weg onder onze voeten en de witte rotsen waren glibberig. Af en toe wierp ik een blik omhoog om te kijken of er niet net toevallig een rotsblok naar beneden viel. Bij een trap verlieten we het strand en klommen omhoog de kliffen op, daarna keerden we via de velden terug naar de camping.

Wat een prachtig gebied.

 

Verliefd op Gouda

Tussen de Kanjers voor Kanjers dag en een gepland uitstapje naar Friesland met mijn vriendin Esther, hadden Frans en ik een paar dagen tijd om samen op vakantie te gaan. Maar daarvoor moest hij eerst nog twee dagen naar een klant in Gouda.

Toen we doodmoe thuiskwamen van de Kanjers voor Kanjers dag pakten we in een uurtje tijd onze spullen voor de vakantie in en reden richting Gouda waar ik een plekje had gereserveerd op camping Groen Geluk. Via een smal weggetje kwamen we in het donker aan op de camping, die niet zo idyllisch was als de naam deed vermoeden. We kregen een plekje toegewezen op een soort betegeld terras. De caravans stonden dicht tegen elkaar aan, er waren helaas geen fietsen te huur, de theetuin was gesloten en het geroemde natuurgebied bleek een – in onze ogen – normaal weiland met wat vogels te zijn.

Onze nachtrust werd verstoord door een kolonie muggen die blijkbaar in een onbewaakt ogenblik onze camper was binnengedrongen. Telkens weer hoorden we het irritante gezoem van muggen bij onze oren, op de gordijntjes en muren van de camper verschenen steeds meer geplette muggenlijkjes en bloedvlekjes, omdat ik – grote dierenvriend – de muggen genadeloos doodmepte. Toch leek er aan het gezoem geen einde te komen. Pas tegen een uur of vier viel ik in slaap.

Om half zeven werd ik weer wakker van gezoem, ditmaal was het de wekker. Na een lekker ontbijtje in de camper, haalde Frans zijn laptop tevoorschijn en gingen we op pad. Om acht uur werd hij verwacht bij zijn nieuwe klant in Gouda. Het smalle dijkweggetje tussen Hekendorp en Gouda was geen aanrader in de ochtendspits, je kon elkaar alleen passeren bij speciaal in de weg gemaakte vluchthavens. Dat betekende veel wachten, soms een stukje achteruit rijden, wenkende handgebaren maar ook nors voor zich uitkijkende forensen die reden alsof er geen medeweggebruikers waren. Toch arriveerden we precies op tijd bij de klant, waar we de camper op de gratis parkeerplaats neerzetten.

Frans verdween in het gebouw en ik bleef alleen achter in de camper. Er lag een hele, lege dag voor me. Ik was benieuwd hoe ik die zou gaan invullen. Ik viel om van de slaap, maar om nu in het zicht van het kantoorpersoneel te gaan liggen maffen, vond ik  niet zo gepast. Ik was bang dat het de reputatie van Frans niet ten goede zou komen bij zijn nieuwe klant. Ik schonk mezelf een kopje thee in en nam de mogelijkheden voor vandaag door. Fietsen? Naar het strand? Terug naar de camping? Museum bezoeken?

Al snel kwam ik erachter dat op maandag vrijwel alles dicht zit; fietsverhuur, musea. Ik had geen zin om in de maandagochtend spits te staan op weg naar het strand of om terug te keren naar de camping. Ik besloot naar het centrum van Gouda te wandelen. Ik had een vreselijk duf hoofd en ik hoopte dat een beetje frisse lucht me goed zou doen. Over een gezellig gevuld fietspad met aan beide kanten een brede sloot met eenden, zwanen en meerkoeten wandelde ik richting centrum. Huizen en straten zijn hier omringd door water. Overal zijn sloten, beekjes en grachten met water dat bijna tot aan het asfalt komt. Een heel ander landschap dan de Achterhoek.

Na ruim een half uur liep ik het historische hart van Gouda binnen. Het was verlaten en het stonk naar afval. Vuilniswagens waren overal bezig de kliko’s te legen. Winkels en horeca waren nog gesloten. Bij een terrasje waren ze net de stoelen aan het buiten zetten toen ik passeerde.
‘Hoe laat gaan jullie open?’, vroeg ik.
‘Om 10.00 uur. Maar kan ik u misschien ergens mee van dienst zijn?’, reageerde het meisje van de bediening vriendelijk.
Ik knikte dankbaar. ‘Ik zou heel graag even gebruik maken van het toilet en een kop thee drinken.’
‘Daar kan ik voor zorgen’, zei ze met een brede lach. ‘Loop maar met me mee.’
En zo zat ik even later met een kop thee op een bankje naar de ontwakende stad te kijken.
Ik kreeg het steeds beter naar mijn zin in Gouda.

Ik ontdekte dat Gouda een mooie oude stad is met een rijke historie. Midden op het plein ligt het stadhuis, schuin er tegenover de Waag waar vroeger de kazen werden gewogen, achter het plein de Grote Sint-Janskerk met het Goudse museum. Allemaal gesloten op maandag, maar dat maakte dat ik overal rustig en zonder andere toeristen rond kon dwalen op mijn verkenningstocht. Gouda heeft een leuke haven met oude sluis waar ik een tijdje toekeek hoe plezierjachten van de binnenwateren naar de Hollandse IJssel voeren. Gouda ligt dus net als Doetinchem aan een tak van de IJssel.

Er was ook een park met oude bomen, grote vijvers, bloemen en leuke bankjes. Bij een grote volière streek ik neer op een bankje van mozaïek en keek geamuseerd hoe de groene en blauwe parkieten op takjes heen en weer schommelden, hoe twee witte kaketoes met gele kuif elkaar voerden en kusjes gaven. Ik deed een dutje op de bank en neusde wat in de kleine huisbibliotheek die daar stond. Toen ik trek kreeg, wandelde ik terug naar het grote plein. Het was inmiddels volgestroomd met toeristen en alle terrasjes waren bezet. Op het terras van Bagels en Beans waar ik ’s ochtends zo vriendelijk was geholpen streek ik neer voor de lunch. Heerlijk gegeten en de bediening was weer super vriendelijk. Blij door zoveel vriendelijkheid verliet ik het terras.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na weer een uurtje wandelen viel mijn oog op een bioscoop. Er draaide leuke films en het was aantrekkelijk om ergens lekker rustig te kunnen zitten en uitrusten. En zo zat ik even later met een vijftal andere vijftigplussers op een maandagmiddag naar de film ‘the Father’ te kijken. Anthony Hopkins speelt een bejaarde man die langzaam de grip op zijn leven verliest omdat zijn brein hem in de steek laat. Uitgerust verliet ik de bioscoop en wandelde ik terug naar de camper waar Frans net klaar was met zijn werk.

We reden samen terug naar camping Groen Geluk waar we een smakelijke maaltijd bereidden op ons gasfornuisje in de camper, terwijl we elkaar bijpraatten over wat we die dag hadden beleefd. Ik vertelde Frans dat ik onverwacht verliefd was geworden op Gouda.

De volgende ochtend is de fietsverhuur op het centraal station van Gouda geopend. Voor het eerst van mijn leven neem ik plaats op een elektrische fiets. De enige optie bij de fietsverhuur. Gewone fietsen zijn uit de gratie, zo vertelt de verhuurder. De eerste drie slagen gaan erg zwaar, dan komt de trapondersteuning op gang en krijg ik een flinke zwieper, waardoor ik er als een raket vandoor ga. Als ik ook maar even stop met trappen, dan gaat de ondersteuning eraf en moet ik eerst weer drie zware slagen trappen om op gang te komen. Op kruisingen maakt me dit erg traag. Op de lange, rechte stukken met tegenwind is de trapondersteuning wel prettig, maar in de stad vind ik het eerder  onhandig.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik houd de batterij goed in de gaten, want als de accu leeg is, dan wordt het fietsen echt zwaar. Maar gelukkig kan ik probleemloos zo’n vijftig kilometer fietsen zonder de accu op te hoeven laden. Ik fiets van Gouda naar Boskoop en naar de Reeuwijkse Plassen, daarna via Haastrecht weer terug naar Gouda. Het is een prachtige, waterrijke omgeving om te fietsen. Kleine weggetjes langs slootjes vol waterlelies en witte bruggetjes, in Boskoop velden met gekweekte bomen en heesters, bij Reeuwijk grote plassen en vaarroutes voor plezierjachten.

Rond een uur of vier lever ik de fiets weer in en wandel terug naar de camper waar Frans al staat te wachten. In de avondspits koersen we richting Rotterdam en vervolgens naar Breda. Onze gezamenlijke vakantie is gestart.

Op de grens bij knooppunt Hazeldonk vinden we een grappige kleine camping: de Klompenboom. In een grote Lindeboom hangen diverse houten klompen om de takken de goede kant op te leiden. De camping is naar deze boom genoemd. Het is er heerlijk rustig en we genieten van de stilte. De camping is fraai aangelegd met bloeiende bloemen en rondscharrelende kippen.

Kanjers voor Kanjers paraglidingdag

Frans, Margo en een twintigtal kinderen met een beperking en hun ouders, broers en zusjes hadden zich al weken op deze dag verheugd. Eindelijk was het zo ver. Ruim een jaar geleden hadden Margo en Frans deze dag in de agenda gezet en waren de voorbereidingen begonnen. Stichting Kanjers voor Kanjers zou in samenwerking met Maurik Paragliding een vliegdag organiseren, waarbij kinderen met een beperking als tandempassagier de kans kregen een heuse paragliding vlucht te maken.

Gelukkig was het op de geplande dag uitstekend vliegweer. De zon scheen en er waaide een lichte bries. Alle teamleden hadden er zin in om de kinderen een onvergetelijke dag te bezorgen. Na het opbouwen van de stand, het plaatsen van de vlaggen en vaandels, het klaarmaken van de lier en het uitstallen van de helmen en harnassen, kregen we een briefing van Frans met de do’s en don’ts.

Rond half elf reden de eerste auto’s met opgewonden kinderen en hun familie het weiland vol koeienflatsen op. Al snel stroomde het weiland vol en vond iedereen een plekje op meegebrachte stoel of picknickkleed. Frans (Maurik Paragliding) en Harriët (Kanjers voor Kanjers) heetten iedereen welkom en legden uit wat de procedure en de regels waren.

En toen ging de eerste passagier onder luid applaus de lucht in. Kirrend van plezier kwam het kleine ventje weer terug op aarde, met een grijns van oor tot oor op zijn gezicht. Sommige kinderen trilden van spanning, maar wilden toch de lucht in. Gelukkig hadden we drie ervaren tandempiloten die de jonge passagiers op hun gemak wisten te stellen met een grapje en een praatje.
Het was mijn taak de passagiers te voorzien van een passende helm en het harnas aan te doen en vast te maken. Ik vond dat heel leuk om te doen, want zo had ik met elke passagier even contact. Margo bepaalde de volgorde van de passagiers, waarbij we afwisselden tussen groot, middel en klein, zodat we de harnassen gemakkelijk door konden wisselen.

De broodjes knakworst, chips en limonade (gesponsord door de Jumbo) vonden gretig aftrek. Vliegen maakt hongerig. De meeste kinderen vonden het ook leuk om te zien hoe andere kinderen de lucht in gingen. Soms wilden ze eerst kijken om voldoende vertrouwen op te doen voordat ze zelf een vlucht durfden te maken.

Het was een dag vol trots, vreugde en ontroering. Er werd menig traantje weggepinkt, de piloten werden blij van het applaus dat bij iedere vlucht weerklonk, het hele team genoot van de brede grijns op de gezichten van de kinderen. Sommige kinderen hadden een geestelijke beperking, anderen leden aan een chronische ziekte en hadden bijvoorbeeld een sonde, weer anderen hadden een fysieke beperking en misten bijvoorbeeld een been als gevolg van een ongeluk. Eén jongen maakte veel indruk. Nog nauwelijks een jaar geleden had hij een duikongeluk gehad, waardoor hij tot aan zijn middel verlamd was geraakt. Een drietal teamleden tilden hem op, en onder luid gejuich ging hij de lucht in. Hier kon hij zich weer even voelen als een ‘normaal mens’. In de lucht speelde zijn handicap even geen rol en kon hij zich net zo vrij wanen als ieder ander.

Het werd een onvergetelijke en emotionele dag. Na het inpakken van de spullen was ik kapot. Doodmoe maar uitermate tevreden. Frans straalde. Het is een diep gevoelde wens van hem om mensen met een beperking het gevoel van vrijheid in de lucht te laten ervaren.

Concert

Ik kwam net thuis van een tuinconcert van Wibi Soerjadi waar ik met mijn zus en ouders naar toe was geweest. Wibi had virtuoos gespeeld achter zijn vleugel in de tuin, terwijl zijn zwartwit gevlekte hond Pepper vrolijk kwispelend door het publiek had gelaveerd. Pepper had een hardnekkige interesse in mijn handtas gehad. Waarschijnlijk omdat ik daar twee krentenbollen in had verstopt. Niet voor hem, maar voor mezelf. Voor het geval ik trek zou krijgen.
Twee weken eerder was het tuinconcert in het water gevallen. Letterlijk. Een hoosbui had het gazon onder water gezet, de vleugel was nat geworden en Wibi had besloten het concert af te gelasten. Vrijwilligers in regenponcho’s brachten ons de teleurstellende mededeling, nadat we na anderhalf uur rijden vol verwachting aan kwamen rijden, want wij hadden onderweg nauwelijks regen gehad.
Maar vandaag was het zonnig geweest, we hadden in de pauze zelfs een ijsje gegeten en Wibi had ons meegenomen langs zijn repertoire door de jaren heen.
De muziek klonk nog na in mijn oren, toen Frans vertelde dat er – wegens versoepelde coronamaatregelen – extra kaartjes in de verkoop waren gekomen van pianiste Iris Hond die muziek van Ludocivo Einaudi zou spelen in het concertgebouw. Nogal overhaast zocht ik op internet naar datum en tijdstip van het concert, belde mijn zus en mijn ouders – die nog in de auto op weg naar huis waren –  met de vraag of ze mee wilden naar het concert in Amsterdam. Zonder echt hun antwoord af te wachten bestelde ik in mijn enthousiasme alvast vier kaartjes. Want ik vind de muziek van Einaudi prachtig en het is mijn doel deze ooit zelf te kunnen spelen. Als vijftig plusser moet je jezelf ambitieuze doelen blijven stellen vind ik, dat houdt het leven leuk.

De volgende dag belde mijn moeder. Ze wilde liever niet mee naar het concert; een dag na haar verjaardag was misschien iets teveel voor haar, bovendien vond ze de muziek te eentonig. Ze ervaarde het als gepingel en vond het lang niet zo mooi als het concert van Wibi waar ze erg van had genoten.

Ik had verwacht de kaartjes gemakkelijk kwijt te kunnen aan een liefhebber. Maar dat bleek tegen te vallen. Niemand van mijn vriendengroep had tijd of zin om te gaan. Ook facebook leverde geen gegadigden op. En zo kwam het dat ik nog altijd vier kaartjes had op de 86e verjaardag van mijn moeder. We vierden haar verjaardag in een Italiaans hapjes restaurant waar ze prompt vertelde dat ze Iris Hond op televisie had gezien en dat ze toch wel erg mooi speelde. ‘Nou mam, je kunt nog mee morgen’, opperde ik. Ik zag twijfel in haar ogen. ‘Slaap er nog maar een nachtje over, dan hoor ik morgen wel of jullie meegaan.’

En zo kwam het dat ik uiteindelijk toch met mijn zus en mijn ouders op een zonnige zondag in september over een vijfbaans snelweg richting het concertgebouw in Amsterdam gleed. Omdat mijn vader een dikke enkel heeft en niet zo ver kan lopen, had ik een parkeergarage op 500 meter van het concertgebouw weten te reserveren.
De garage was in een woonwijk en de ingang viel nauwelijks op. Toen ik mijn QR-code onder de scanner hield, opende een grote metalen deur en werd er een krappe, zilverkleurige bak zichtbaar. Het was een lift. Het oogde een beetje als in een lugubere film. Zo’n film waarbij je als kijker denkt: ‘doe het niet, ga er niet in.’ Mijn moeder riep iets als; ‘oh god’ en mijn zus en ik giechelden van spanning. Voorzichtig reed ik de auto in de bak. Hij paste er krap in. De metalendeur sloot zich achter ons. Nu konden we geen kant meer op. Ik zette de motor uit, opende het raampje en drukte op goed geluk op één van de liftknopjes. Langzaam kwam de bak in beweging. We konden niet voelen of we omhoog of omlaag gingen. Even gebeurde er niets. Toen opende de deur voor ons en ontsnapte er een zucht van opluchting aan mijn lippen. Met rode konen parkeerde ik de auto in één van de krappe vakken strak tegen een pilaar aan. Het was een kleine parkeergarage die plaats bood aan zo’n twintig auto’s. Om er uit te komen, zouden we weer gebruik moeten maken van dezelfde lift. Dat betekende dat ik de auto zou moeten keren in de krappe ruimte. Maar goed dat was van latere zorg. Eerst op naar het concert.

Op een bankje in de zon aten en dronken we nog wat op het gezellige museumplein. Overal zaten mensen te picknicken op het gras en te genieten van de zon. Ergens aan de overkant van het plein was een demonstratie tegen de coronamaatregelen. Wij lieten bij de ingang van het concertgebouw ons vaccinatiebewijs scannen met de corona-app die we bij iedereen op de mobiel hadden geïnstalleerd.
We waren één van de eersten die de zaal betraden en kozen plaatsen vlak bij het podium met goed zicht op de vleugel. Het concertgebouw is een imposant gebouw met mooie akoestiek. Rode pluche stoelen, op de wanden de namen van beroemde componisten geschilderd en een intieme sfeer, omdat het niet heel groot is.
Iris Hond daalde via een grote trap in wijde rozerode broek af naar het podium, ging achter de piano zitten en deed haar schoenen uit. Ze zette de schoenen met hoge hakken naast de piano, plantte haar blote voeten stevig op de grond, sloot een kort moment haar ogen, haar handen stil boven de toetsen hangend, en begon te spelen. De klanken vloeiden het publiek tegemoet. Zacht, helder en vloeiend. Het was heerlijk om naar te luisteren.
Iris was niet alleen. Ze had gezelschap van strijkorkest Kamerata zuid. Ik vond het interessant om te zien hoe Iris en de dirigent op elkaar waren afgestemd. Hoe ze met kleine, nauwelijks zichtbare gebaren met elkaar communiceerden. De muziek van Einaudi werd afgewisseld met stukjes en liedjes die Iris zelf had gecomponeerd. Ze vertelde over haar vriendschap met Einaudi en wat zijn muziek voor haar betekende. Soms speelde alleen het orkest, terwijl Iris stil genietend in een hoekje zat te luisteren.
Na een staande ovatie speelden pianiste en orkest nog één laatste stuk, toen trok Iris haar pumps weer aan en liep, zonder nog eenmaal om te kijken, de lange trap omhoog en verdween uit zicht. Het was een mooie voorstelling en ik zou er zo nog een keer naar toe gaan. Fijn om dit samen met mijn ouders en zus te mogen en kunnen doen.  Ook mijn ouders hadden er  volop van genoten. Mijn moeder vertelt me nog regelmatig hoe mooi ze de muziek en de hele entourage vond; het maakt me dankbaar en blij dat ik haar zo’n mooi cadeau voor haar 86e verjaardag heb kunnen geven.

Inmiddels heb ik mijn eerste privé pianoles achter de rug en weet ik dat ik nog een lange weg te gaan heb voor ik de muziek van Ludovico Einaudi kan spelen.

 

Panda

Toen mijn nichtje me toevertrouwde dat ze zo graag een keertje naar de panda’s in Ouwehands dierenpark wilde, reageerde ik met een spontaan: “zullen we dan samen gaan?” Ik was al enige tijd nieuwsgierig naar deze zwart-wit gevlekte beren.

Op de carpoolplaats bij Arnhem-noord ontmoet ik mijn nichtje en mijn zus en rijden we samen in de camper naar Rheden. Het is al na drieën als we het dierenpark binnenlopen. Ik was er sinds mijn jeugd niet meer geweest en kon me alleen nog vaag iets herinneren van het berenbos waar zielige beren die onder erbarmelijke omstandigheden in gevangenschap hadden geleefd werden opgevangen.
Onderweg naar de panda’s passeren we een groepje witte leeuwen die lui in de zon liggen. Het mannetje met zijn woeste manen steekt zijn kop omhoog en kijkt uit over zijn harem. Met de grote struiken op de achtergrond lijkt het bijna alsof ze in hun natuurlijke habitat zijn. Zouden ze gelukkiger zijn in het wild? Of vinden deze roofdieren het wel prima dat ze door de mens van voedsel worden voorzien en in ruil daarvoor in hun vrijheid worden beperkt? Ik sta ambivalent tegenover dierentuinen, aan de ene kant vind ik het zielig voor de dieren dat ze niet in vrijheid kunnen leven, aan de andere kant moet ik bekennen dat ik het heerlijk vind om naar ze te kijken en contact met ze te maken. Ik vind dat wij als mensen verantwoordelijk zijn voor het welzijn van dieren en dat we goed voor ze moeten zorgen; dat wij rentmeesters zijn voor de aarde. Dierentuinen kunnen de liefde voor en de kennis over dieren en hun levenswijze vergroten bij het publiek en een rol spelen in het voortbestaan van bedreigde diersoorten.

We hebben geluk. Als we Pandasia, het in traditioneel Chinese stijl opgetrokken pandaverblijf betreden ligt de één jaar oude babypanda Fan Xing op zijn rug te knabbelen aan een bamboestengel. Zijn moeder Wu Wen, dat mooie krachtige wolk betekent, zit een eindje verderop tegen de mooi beschilderde muur eveneens te kauwen op haar bamboemaaltijd. Panda’s slapen een groot deel van de dag en ze zijn op het moment van ons bezoek behoorlijk actief voor een panda, zoals we later zullen ontdekken. Deze reuzenpanda’s met hun zwart omrande ogen zien er schattig uit, maar de enorme klauwen doen vermoeden dat ze misschien niet zo zachtaardig zijn als ze eruit zien. Ze zijn bovendien kleiner dan ik had verwacht voor een reuzenpanda. Het mannetje Xing Ya (elegante ster) zit in yogahouding met zijn voetzolen tegen elkaar, zijn handen losjes in zijn schoot, heen en weer te wiegen, alsof hij aan het mediteren is. Het ziet er heel zen uit.
Een verzorger komt de enorme groene pandakeutels opruimen die overal liggen. Een panda schijt wel 28 kilo per dag!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In de shop laten we ons verleiden en kopen mijn nichtje en ik beide een uitvoering van Wu Wen, de vrouwelijke panda in de vorm van een knuffel. Ook het panda dekbedovertrek kan ik niet weerstaan; op het sloop het hoofd van de panda en dan op het overtrek heel schattig de pootjes.

We lopen langs het berenbos waar we behalve een aantal beren ook een viertal ruziënde wolven zien. De beren liggen verscholen in hutjes van takken of zitten verstopt achter een boom. Hoe langer we kijken hoe meer beren we ontdekken. Er zijn zwarte beren, bruine beren en honingberen. De honingbeer in het berenbos heeft een gladde, zwarte vacht en zit een appel te eten.
Net als ik me afvraag waar de ruziënde wolven zijn gebleven, zie ik dat ze vlak voor me in de bosjes liggen. Onopvallend dichtbij en knus tegen elkaar aan.

Natuurlijk gaan we ook kijken bij de chimpansees, de bonobo’s en de gorilla’s. We vangen een glimp op van het babyolifantje, net twee dagen oud, dat onder zijn moeder staat. We zien reuzenschildpadden van honderdtwintig jaar oud en turen naar de ijsberen die met takken aan het spelen zijn. Daarna gaan we nogmaals naar het verblijf van de panda’s. Ze slapen. Het mannetje ligt halverwege de helling van zijn klimbaan. Het ziet eruit alsof hij ter plekke dood is neergevallen.

Tevreden keren we terug naar de camper waar mijn zus een heerlijke maaltijdsalade tevoorschijn tovert en ik een kopje thee met vruchtensalade presenteer, terwijl we napraten over de panda’s.
Thuisgekomen doe ik na een snelle wasbeurt het nieuwe dekbedovertrek op bed. Verrassing voor Frans. Vannacht slapen we onder de panda’s.

Meanderen op de wadden

Meanderen. Meebewegen met eb en vloed. Het natuurlijke levensritme volgen. Met onze goede vriend Huub bracht ik drie dagen meanderend door op de wadden. Een periode waarin we alle tijd van de wereld hadden en die eindeloos leek te duren maar die tegelijkertijd is omgevlogen. We hadden geen voorop gezet plan; de dagen lagen leeg en uitgestrekt voor ons en leken zich spontaan te ontvouwen in het moment. Iets waar we allebei intens van genoten.

De waddentaxi, ms Zeehond genaamd, was een bootje dat plaats bood aan twaalf passagiers. De kapitein plaatste onze fietsen met bepakking tegen de reling en sjorde ze vast met een band. Op de vraag of we buiten op het bankje bij onze fietsen mochten blijven zitten, antwoordde de kapitein dat hij dat liever niet had. Het was rotweer, de boot zou op de golven klappen en we zouden ons tijdens de tocht niet kunnen verplaatsen en ons stevig vast moeten houden als we op het dek bleven. Huub en ik keken elkaar aan. ‘Laten we maar verstandig zijn’, zei Huub tenslotte. De kapitein herhaalde nogmaals dat het echt rotweer was en attendeerde ons op de kotszakjes die voor ons lagen. Of we die alsjeblieft wilden gebruiken als het nodig was. Ik keek Huub vertwijfeld aan. Dat kon wel eens een heftige overtocht worden. Heel anders dan het romantische tochtje dat ik in mijn hoofd had toen ik de overtocht met de ms Zeehond had geboekt.

Onze minivakantie was nog wel zo rustig begonnen. We hadden de auto op het grote parkeerterrein in Harlingen achtergelaten. Op de fiets hadden we een stukje van het oude centrum van Harlingen verkend en toen in het haventje een krentenbol etend gewacht op de komst van de waddentaxi.
De overtocht die een uur duurde was niet zo extreem als ik me had voorgesteld na de introductie van de kapitein. Weliswaar spoot het water hoog over de boot en bonkten we over de golven maar ik vond het ritme best aangenaam en genoot van het spektakel. Af en toe blikten we achterom en zagen hoe onze fietsen werden bedolven onder golven van zout water.
Het was lastig om ons te oriënteren. We voeren langs diverse zandplaten en zagen verschillende eilanden liggen, waarbij we gokten welke nu Vlieland was. Door de meanderende vaargeul veranderden we regelmatig van koers.

Bij aankomst op Vlieland waren de dreigende donkere onweerswolken verdwenen. De lucht was vriendelijk blauw en de zon scheen toen we in de kleine haven met plezierbootjes aanmeerden. Wel woei er een stevige wind.
Door Oost-Vlieland, het enige dorpje op het eiland, fietsten we naar camping Stortemelk. Omdat je op Vlieland geen auto mee kan nemen, stond de camping vol tenten. Nergens een camper of caravan te bekennen, dat was een bijzonder gezicht.
We lunchten op een bankje in de zon met meegebrachte broodjes en een koel drankje dat we in het supermarktje op de camping hadden gekocht. We fietsten de camping rond op zoek naar een leuk plekje. Hoewel het een grote camping was, hing er een rustige, ontspannen sfeer.

 

 

 

 

We hadden moeite onze tentjes op te zetten. Het waaide zo hard dat de één op het grondzeil moest gaan liggen, zodat de ander de enorme houten haringen – die we op aanraden van de receptie in de kampwinkel hadden gekocht – vast kon zetten. Een vriendelijke buurvrouw leende ons een hamer om de haringen diep de grond in te slaan. We waren verhit en moe toen we de tentjes eindelijk stormproof hadden staan. Tijd voor een duik in zee.
De zee was niet ver weg. We hoefden slechts één duin te beklimmen en toen lag een wijds en verlaten strand voor ons. We renden speels de golven tegemoet. Het water was verrassend warm en we bleven lang in de golven springen en drijven.
Liggend in het zand deden we een mindfulness oefening, waarbij je rustig ademend je ademhalingen telt. Ik was mijn adem al na een paar tellen vergeten, maar het was ontspannend om naar het geruis van de zee te luisteren en naar de blauwe lucht te staren, terwijl de wind over mijn gezicht blies. Een tweede duik in zee volgde. Daarna sjouwden we ons omhoog door het losse zand de duin over richting douche.

Huub had een waterkoker mee genomen. Briljant. Nu konden we thee zetten en soep maken. Na een cup a soepje met cracker gingen we dan eindelijk fietsen. Met de wind vol in het gezicht ploegden we ons voort over het eiland. We fietsten door een glooiend duinlandschap met kleine struikjes en grasland, afgewisseld met vennetjes en af en toe een boom. Omdat we best trek hadden besloten we niet naar het uiteinde van het eiland – een uitgestrekte zandvlakte die de Vliehors heet – te fietsen, maar via een omweg terug te gaan naar Oost-Vlieland om iets te eten.

Bij een pizzeria kozen we beiden voor pasta met curry en Noordzee krab. Op de camping genoten we nog van een mok thee en een prachtige zonsondergang in de duinen. Daarna installeerden we ons in onze tentjes die stonden te klapperen in de wind. Maar met van die mega haringen kon ons niets gebeuren. Tevreden gingen we slapen, elk in onze eigen bubbel.

De boottochten waren de enige momenten waarop we de tijd in de gaten moesten houden, daarom had ik mijn telefonische wekdienst ingesteld en werd ik de volgende ochtend wakker met een vrolijk muziekje. Het waaide nog steeds stevig en mijn binnentent ging er in een onbewaakt ogenblik met stokken en al vandoor. Het buitelde over de camping en ik moest er in een sprintje achteraan. Na het inpakken van onze spullen, ontbeten we zittend op de grond met crackers en krentenbollen uit onze basisvoorraad.
De catamaran die ons van Vlieland naar Terschelling bracht was veel groter dan we hadden verwacht. De kleine waddentaxi waarmee we de dag tevoren de overtocht van het vaste land naar Vlieland  hadden gewaagd paste er wel een paar keer in. De catamaran had geen plaatsen op het dek. Met een handje vol andere passagiers namen we plaats op de ruime stoelen, terwijl we over het water scheerden. Mijn ogen waren gefocust op de zandplaat waar regelmatig zeehonden liggen te zonnen. ‘Vandaag wil ik echt zeehonden zien’, had ik Huub tijdens het ontbijt toevertrouwd. ‘Al is het er maar één.’ De dag tevoren hadden ze zich niet laten zien en ook nu was de zandplaat verlaten.

 

 

 

 

 

Het eerste dat ons opviel in West-Terschelling toen we de boot afstapten met onze fietsen was het parkeerterrein vol auto’s. Even voelden we weemoed naar de leegte van Vlieland, maar al snel sloten we ook Terschelling in ons hart. Bij een standbeeld van de vissersweduwe uitkijkend over zee hadden we een prachtig uitzicht over het drooggevallen wad. We konden haar aantrekkingskracht niet weerstaan, parkeerden de fietsen, trokken onze schoenen en sokken uit en meanderden over geribbeld zand. We liepen tot aan de waterrand, de vaargeul gevuld met grote schepen was vlakbij, aan de andere kant witte duinen begroeid met ruw gras en een gezellig cafeetje.
We zaten misschien wel twee uur in de zon met een cappuccino en een broodje te kletsen met uitzicht op het wad. Tijdloos. Daarna stapten we op de fiets om het eiland te verkennen. We reden door bossen, langs vennen, kleine dorpjes en de zee. Bij een camping van Staatsbosbeheer in het dorpje Lies sloegen we onze tentjes op. De camping lag verscholen in het bos, zodat we er eerst voorbij waren gefietst zonder er erg in te hebben. Huub liep met de waterkoker naar het toiletgebouw om een kopje thee te kunnen zetten. Na lang zoeken vond hij een plankje aan de buitenkant van het gebouw met een stekkerdoos. Het duurde eindeloos voor het water kookte, want de waterkoker moest de stekkerdoos delen met een aantal mobieltjes die aan de oplader lagen. Maar wat maakte het uit, we hadden alle tijd.

Eind van de middag fietsten we naar zee en streken neer bij een gezellige strandtent. We gingen helemaal los met wijn en alcoholvrij bier. De tijd verstreek terwijl we kletsten en aten. Huub had het fris gekregen en ik stelde voor om een strandwandeling te maken om op te warmen. Met de voeten door het water liepen we ongemerkt een heel eind over het uitgestrekte strand dat we bijna voor ons alleen hadden.
‘Hé wat ligt daar? Is dat een zeehond?’ Ik rende dichterbij om te kijken. Op de rand van de zee lag inderdaad een zeehond. Een dode. Kreeg ik toch nog wat ik had gevraagd.
De hele wandeling liepen we elkaar al uit te dagen om te gaan zwemmen. Volgens mij was het water super lekker, juist nu het buiten wat kouder was. Snel trokken we onze badkleding aan en renden de golven in. De zee was rustig, bijna kabbelend, zodat we op onze rug op de golven konden dobberen. Verfrist en vol energie fietsten we terug naar de camping.

 

 

 

 

 

 

 

 

Liggend in mijn slaapzak kreeg ik overal jeuk. Ik probeerde het te negeren. Uiteindelijk besloot ik op te staan en te gaan douchen om het zoute water van mijn huid te spoelen. Ik pakte een plastic zak met een zipsluiting en deed er een handdoek in, nam een flesje zeep mee en liep onder de sterrenhemel over de camping naar het toiletgebouw. Er was geen verlichting en in de douche was het pikdonker. Voorzichtig propte ik mijn nachthemd in het plastic zakje. Mijn hand taste naar de knop om de douche aan te zetten. Zou het warm of koud water zijn? De voorzieningen waren nogal primitief. Er waren drie toiletten, een douche en een kraan met koud water waar alle campinggasten ’s avonds voor het slapengaan in een kring omheen stonden om hun tanden te poetsen. Ik miste iets van een wasbakje om de afwas in te doen of een schapje om je toilettas op te zetten.
Na een koude aanloop bleek de douche heerlijk warm water te geven.

De volgende ochtend stapte ik op de fiets om bij de lokale supermarkt warme broodjes en wat beleg te kopen, terwijl Huub zich ontfermde over de thee. We genoten van een uitgebreid ontbijt. Daarna stapten we op de fiets om de oostkant van het eiland te verkennen. Na een flinke kop soep fietsten we naar de Boschplaat, een natuurgebied met veel vogelsoorten. We parkeerden onze fietsen en beklommen een duin. Vanaf het duin hadden we een mooi uitzicht over zee, de uitgestrekte duinen en twee naakte mannen die daar lagen te zonnen.

Via de waddenkust reden we terug naar West-Terschelling. Links het wad, rechts de weilanden vol blèrende schapen. De kleintjes riepen hun moeder, die dan luidkeels antwoordde, waarna het jong in rap tempo op haar afliep. Elk schaap had zijn eigen geluid.
In West-Terschelling reden we nog snel even langs de Brandaris, de bekende vuurtoren van het eiland en baken in tijden van noodweer.

 

 

 

 

Vandaag was de zee glad als een spiegel. We konden de Brandaris nog lang zien liggen, terwijl de boot door de meanderende vaargeul gleed. Het leek alsof we niet opschoten en we telkens weer van richting veranderden. In de verte zagen we de windmolens op het vaste land en de afsluitdijk tussen Friesland en Noord-Holland. Na twee uur varen kwamen we aan in de haven van Harlingen.
Voordat we naar de auto fietsten verkenden we eerst nog even het centrum van Harlingen met zijn oude huizen en havens met bootjes. Rond tien uur waren we terug in Deventer waar we hongerig aanvielen op een bakje kwark, want het portie kibbeling dat we rond vijf uur hadden gegeten was al door onze magen gezakt.

Het was een heerlijke driedaagse geweest, waarin de flow zijn werk had gedaan. De volgende dag fietste ik van Deventer naar Doetinchem op mijn trekking bike en de dag daarop met mijn racefiets van Doetinchem naar Deventer om de auto op te halen. Hierbij genoot ik van het gezelschap en de gastvrijheid van mijn vrienden Huub en Esther. Ik hoop dat we nog veel leuke uitjes samen mogen meemaken.

Een onverwacht avontuur

Frans en ik zaten buiten te lunchen toen de telefoon ging. Ik sprintte naar binnen en nam hijgend op. Het was Basten, iemand die we kennen via Maurik Paragliding’. Hij vroeg of we vanavond iets te doen hadden.
‘Nee’, riep ik voordat ik er zelf erg in had, terwijl een golf van opwinding door me heen trok. ‘Nee, toevallig hebben we vanavond nog niets.’
‘Hebben jullie zin in een ballonvaart?’
‘Jazeker’, riep ik enthousiast, me vlak daarna realiserend dat Frans nog van niets wist. Maar Frans knikte instemmend ja en stak zijn duim op toen ik naar hem toe rende met de telefoon nog aan mijn oor en hem druk gebarend in staccato stijl vroeg: ‘vanavond ballonvaart ok’?’

We stonden al meer dan een jaar op de wachtlijst en twee dagen geleden toen ik een ballon in de lucht zag hangen had ik nog intens gewenst dat wij snel aan de beurt zouden zijn. Nu was het zo ver en ik was opgewonden als een klein kind. Ik had er heel veel zin in.

Om zeven uur verzamelden we ons bij het huis van Basten. We droegen een lange broek om onze benen te beschermen en hadden onze bergschoenen aan. Samen met de twee andere passagiers bracht het ballonteam ons naar het dorpje Zwiep bij Barchem in de Achterhoek. De grote aanhanger met daarin de ballon en het mandje werd op een weiland gereden. Eerst werden de branders op een frame in de mand bevestigd, daarna werd de enorme ballon uitgelegd en met een ventilator gevuld met koude lucht. De ballon is zo groot dat je er gemakkelijk in kan staan met een paar mensen. Een paar kinderen die langs de kant stonden mochten de ballon even van binnen bekijken. De mand lag nog stil op zijn zij. Toen verwarmde Basten, onze ballonvaarder, de lucht in de ballon met een brander.

De ballon, die verankerd was aan de auto met aanhanger, kwam overeind en trok de mand rechtop. Nu mochten de vier passagiers, één voor één in het mandje klimmen dat al een beetje in de lucht bungelde. In de mand zaten twee klimgaten waar we onze voeten in konden zetten, daarna mochten we op de rand van de mand gaan zitten en ons zachtjes naar beneden laten zakken. De mand slingerde een beetje heen en weer, terwijl ik omhoog klom en werd opgevangen door Basten. We moesten proberen zo stil mogelijk te blijven staan. Ik probeerde een plaatsje te vinden tussen de drie grote gasflessen. Het was krap in het mandje met vijf mensen en het was even zoeken waar ik het beste een beetje comfortabel kon staan. De gasbrander ging aan en verspreidde een warme gloed rond mijn hoofd.
De verankering werd losgemaakt en daar gingen we de lucht in. Eerst nog even slingerend, maar al snel stil en geruisloos stijgend tot grote hoogte. De mand was van riet en was aan de binnenkant bekleed met stof. Ongelooflijk dat zo’n mand sterk genoeg was om ons allemaal te dragen.
Ik genoot van het uitzicht. Je kon heel ver kijken, ook al was het een beetje heiig. We zagen Lochem met de Lochemseberg, Barchem, Ruurlo, Vorden en Zutphen liggen in het Achterhoekse coulissen landschap. We hadden zicht op boerderijen, zagen hoeveel mensen een zwembad in de tuin hebben, koeien die verschrikt naar ons op keken, kinderen die vanaf de grond naar ons zwaaiden, prachtige bossen, akkers, wegen die het landschap doorsneden en de kronkelende IJssel. We scheerden laag over de karakteristieke toren van kasteel Wildenborch en zijn lanen en uitgestrekte tuin.

De vlieghoogte is moeilijk in te schatten vanuit de ballon. Zo rond de honderdvijftig meter hoogte kun je alles heel mooi zien, op vijfhonderd meter wordt alles al kleiner, maar op een kilometer hoogte verlies je het contact met de aarde een beetje. Basten attendeerde ons op een inversielaag in de lucht, dit geeft een heel mooie lichtende streep aan de horizon en duidt op een warme luchtlaag hoog in de hemel. In de lucht zijn verschillende stromingen en op verschillende hoogtes kun je verschillende windrichtingen hebben.
Omdat de wind op tweehonderd meter hoogte ons snel in de richting van Doetinchem blies, manoeuvreerde Basten ons met behulp van de gasbrander naar een kilometer hoogte waar de ballon een andere kant op dreef. Een knap staaltje ballonvaarkunst. Met een ballon kun je alleen omhoog en omlaag, je hebt geen invloed op de richting die je uitgaat. Je kunt bijvoorbeeld niet even een stukje naar links of naar rechts sturen. De wind bepaalt waar je naar toe gaat.
Ik heb inmiddels ervaring met verschillende vormen van luchtvaart: een gemotoriseerd klein vliegtuigje, een zweefvliegtuig, een paraglider en nu ook een ballon. Alle vormen hebben iets speciaals, maar tot nu toe vind ik de ballon het fijnst. In de vliegtuigen zit je toch wat krap met een dak boven je hoofd. Met paragliden heb je het vrije gevoel van de buitenlucht om je heen, maar het is wiebelig en de wind suist om je hoofd. In het mandje van de ballon glijd je door de lucht. Stil en bijna meditatief. Alleen het geluid van de brander verstoort af en toe de stilte. Het is rustgevend. Het nodigt uit tot genieten van het landschap dat onder je doorglijdt. Er is geen wind. Ik zou dit heel graag vaker doen.

De landing is het ingewikkeldste deel van de vlucht. Je hebt een groot weiland zonder vee en prikkeldraad nodig om te kunnen landen. Liefst ook in de buurt van een weg, zodat de auto met aanhanger het weiland op kan rijden om de ballon in te laden.
De meeste landingen zijn spronglandingen, waarbij de mand met een kleine plof op de grond terecht komt, soms gaat de mand dan nog één of twee keer even omhoog en volgen er nog twee kleine plofjes, voordat de ballon echt geland is. Maar vandaag hebben we kans op een bijzondere landing, vertelde Basten enthousiast: de sleeplanding. Hierbij kiept de mand op zijn zijde zodra deze de grond raakt. Vervolgens wordt de mand nog een flink eind over de grond voortgesleept, voordat deze tot stilstand komt. Het is zaak ervoor te zorgen dat je hoofd en handen binnen de mand houdt om jezelf niet te bezeren. Of we een sleeplanding zullen krijgen hangt af van de wind, besloot hij zijn betoog.

We oefenden deze spectaculaire landing droog in de lucht. Hierbij gingen we in een rijtje dwars op de vaarrichting staan, pakten de touwlussen stevig vast en bogen door onze knieën. Als het mandje om zou vallen, lagen we op die manier met zijn vijven lepeltje-lepeltje tegen elkaar aan. We kregen instructie om in de mand te blijven liggen, totdat Basten het sein gaf dat het veilig was om eruit te klimmen. Toen we alles droog hadden geoefend, vlogen we nog twintig minuten verder.
Toen werd het tijd voor de echte landing. Hierbij kregen we zicht op de stuurmanskunst van Basten. Het eerste weiland dat we uitkozen bleek door de ondergrond toch niet geschikt, de brander ging vol aan en daar stegen we weer op tot we vlak over de boomtoppen scheerden. Onverwacht draaide de ballon en veranderden we van richting. Bij de grond bleek de wind uit een andere richting te komen dan op hoogte van de boomtoppen. We moesten wederom op zoek naar een geschikt weiland. Door de harde wind hadden we veel ruimte nodig om te kunnen landen. De stad Doetinchem naderde en daar zijn weinig landingsmogelijkheden.
We vonden vlak bij het huis van Basten een geschikt weiland om de landing in te zetten. We scheerden met grote snelheid steeds lager over de grond, terwijl we instructie kregen om in de rij te gaan staan en ons goed vast te houden. Ik greep me vast aan de touwen en boog mijn knieën om de klap op te vangen, het volgende moment sleurden we liggend over de grond, ik zag het hoofd van de jongen naast me die ver uit de mand stak vanwege zijn lengte, het gras dat vlak langs mijn hoofd  voorbij raasde, spetters koeienpoep die door de lucht vlogen. Het leek eindeloos te duren. Ineens was het afgelopen en lagen we stil. Beduusd bleven we liggen, totdat we van Basten het sein kregen dat we overeind mochten komen. De jongen naast me zat helemaal onder de koeienflatsen. De poep was door de gaten in de mand waar je je voeten in kan zetten naar binnen gekomen. Ik vond het GEWELDIG.

Al die tijd had het ballonteam ons zo goed mogelijk met auto’s gevolgd. Vlak voor de landing was er radiocontact over de te verwachten landingsplaats en vlak na de landing arriveerde het team om te helpen opruimen en inladen.
Terwijl de zon onder ging en het al schemerig werd, vouwden we de ballon op en pakten de spullen in de aanhanger. Omdat we vlak bij het huis van Basten waren geland hoefden we niet ver te rijden. Onder een oude perenboom bij kaarslicht en onder het genot van een hapje en een drankje genoten we na van deze mooie ervaring.

Die nacht beleefde ik de ballonvaart nog diverse keren opnieuw in mijn dromen.

 

Half rondje Nederland

Dit voorjaar zou ik twee weken met Margo de Groene Weg naar de Middellandse zee gaan fietsen, maar door corona moesten we onze plannen wijzigen. Het is een half rondje door Nederland geworden via diverse langeafstandsroutes (LF-routes) door de provincies Noord-Brabant, Zeeland, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland. Graag breng ik je via dit blog op de hoogte van onze avonturen door storm en regen, waarbij we op wonderbaarlijke wijze altijd de juiste voorzieningen op het juiste moment tegenkwamen. Ons motto was dan ook: alles komt goed!


Dag 1 – Om de buien heen fietsen
(Eindhoven  –  Alphen-Chaam – 50 km)

Frans bracht ons met het campertje naar Eindhoven. In een park vlak bij het centraal station laadden we onze fietsen van de fietsendrager en hingen onze fietstassen aan de fiets. Aan mijn voorwiel had ik mijn twee oude, lekke fietstassen waarin ik mijn toiletspullen en alle etenswaren had gestouwd. Achterop zaten mijn twee nieuwe felblauwe 100% waterdichte fietstassen met daarin mijn kleding,  daartussen had ik een knalrode bagagezak met daarin mijn schattige Hubba Hubba lichtgewicht tent, slaapmatje, superdunne slaapzak en mijn luxe uitspatting: een opklapbaar stoeltje om de avond op door te brengen, bevestigd met een net met haken.
De dagen daarvoor was onze woonkamer veranderd in een soort buitensportzaak en lagen overal schoenen, kledingstukken, briefjes, kampeerartikelen, voedsel en bidons verspreid door de ruimte. Mijn nieuwe tentje had ik opgezet in de tuin en samen met Frans een nachtje uitgeprobeerd. Halverwege de nacht waren we door de tuin terug naar onze slaapkamer geslopen, ik had een stijve nek en Frans had last gekregen van zijn rug. Niettemin hadden we een gezellige tijd doorgebracht in de tent, giechelend als twee verliefde tieners hadden we tegen elkaar aangelegen in de te krappe ruimte.
Ik had geprobeerd het gewicht zo goed mogelijk over de fietstassen te verdelen. De achtertassen  waren allebei zo’n vier kilo, de voortassen allebei drie en dan nog zo’n vier kilo voor de bagagezak. Alles bij elkaar een ruime achttien kilo. Ik had me dan ook beperkt tot het strikt noodzakelijke, want ik wist dat ik door mijn operatie had ingeboet op kracht en conditie en elke kilo meer zou mijn tocht alleen maar zwaarder maken.
Ik had heel veel zin in de tocht, maar zag er ook een beetje tegenop. De weersvoorspellingen waren ronduit slecht en ik was een beetje bang dat ik het fysiek niet zou trekken. Maar het enthousiasme van Margo werkte aanstekelijk.
We zwaaiden Frans uit en gingen op zoek naar de bordjes met LF-13 Schelde-Rheinroute. De eerste meters had ik moeite de zware fiets in beweging te krijgen, het stuur trilde en slingerde een beetje door het gewicht. Na een paar honderd meter dook ik de bosjes van het stadspark in voor een sanitaire stop. Opgelucht fietste ik verder.
Via Best reden we over een fietspad langs een kanaal richting Oirschot. Donkere wolken pakten zich samen en al snel plensde de regen in mijn gezicht. We schuilden onder een viaduct tot de ergste regen voorbij was. Toen de lucht geklaard was reden we verder langs het kanaal. Via een slingerende houten brug fietsen we Oirschot binnen, een gezellig Brabants plaatsje waar we op een terrasje wat warms te drinken namen en ons door de vrolijke ober lieten overhalen tot zelfgemaakte monchoutaart. We vervolgden onze tocht via Hilvarenbeek richting Tilburg en Breda. Toen er weer een wolkbreuk dreigde vonden we wederom een viaduct om te schuilen. We benutten de tijd goed door twee crackers met kaas te verorberen. Tot nu toe hadden we de buien aardig weten op te vangen. Margo zei: we fietsen gewoon om de buien heen vandaag. Maar rond een uur of vier zagen we de lucht opnieuw donker worden, op de weer-app zagen we dat er onweer op komst was. We zochten onze toevlucht onder een overkapping van een gesloten winkel. Margo dook nog even snel de supermarkt binnen. Ik stond buiten te klooien met de ritsen van mijn nieuwe regenbroek. De zippers waren losgeraakt van de rits en ik kreeg ze er met geen mogelijkheid meer aan. Margo met haar pragmatische inslag lukte het gelukkig wel de ritsen te repareren. We zochten op goed geluk een camping uit met een trekkershut en hoopten maar dat deze vrij zou zijn. De laatste kilometers fietsten we door de regen.
De receptie was gesloten. Ik drukte op de intercom en een stem vertelde dat er iemand zou komen. We wachten tien minuten. Nogmaals op de intercom gedrukt. Geen reactie. Ineens stapten een man en een vrouw uit een auto en liepen steunend en kreunend onze kant op. Ze openden de receptie en vertelden dat ze net boodschappen aan het doen waren, toen ze werden opgeroepen om de receptie te openen. Het was erg verwarrend. Het leek alsof ze geen idee hadden wat ze moesten doen. Tijdens de registratie liep de computer vast en moesten we alles opnieuw invoeren. Het duurde eindeloos. Op ons voorstel om contant te betalen en de registratie te laten zitten gingen ze niet in.
Gelukkig kregen we een prima trekkershut met bedden, kooktoestel en picknick bank. We hingen onze kleding te drogen en kookten ons potje aan de picknick tafel, want het was inmiddels droog.
We hadden zo verlekkerd zitten kijken naar de kip op de BBQ van onze buren, dat ze ons een paar kippenboutjes aanboden, die we dankbaar verorberden bij ons mini glaasje wijn en groenteprutje. We besloten de dag met een spelletje Punto.

Dag 2 – Brabantse bossen en landerijen
(Alpen-Chaam – Bergen op Zoom  – 63 km)

We vertrekken met lichte regen. Mijn nieuwe regenpak doet goede diensten. We fietsen door bosrijk gebied en ploegen over mulle zandpaden, de vogeltjes fluiten hun hoogste lied, de regen tikt tegen mijn gezicht, ik snuif de geur van het bos op, het groen van de prille bladeren is zo fel dat het bijna pijn doet aan mijn ogen. Ik geniet. Het is een prachtig stukje en voor mij onbekend Nederland.
Hele stukken fietsen we door het bos. Mijn ketting kraakt en piept door al het zand. Het is zwaar fietsen, maar de moeite waard.

We stoppen voor de lunch bij ‘t Proathuis’, een houten, overdekte picknickplaats waar we lunchen met crackers besmeerd met la vach qui ri. Het regent nog steeds, dus we zijn blij met dit kleine toevluchtsoord waar we even droog kunnen zitten.

Ineens is het landschap veranderd in een vlak gestreken gebied met grote landerijen. Vruchtbare akkergrond met vers geploegde lappen donkere aarde, aspergeteelt, uien, aardbeien. De regen wordt minder en de wind steekt op. Een felle wind blaast in mijn gezicht en doet mijn snelheid terugzakken. Ik leg mijn armen op het stuur, zoals ik vroeger als scholier ook wel fietste als ik moe was en toch thuis moest zien te komen. Langzaam kom ik in een cadans die goed vol te houden is. We fietsen door een puntje van België. De Belgen zijn galant in het verkeer en laten ons bij oversteekpunten netjes voor gaan. Uit een automaat bij een boerderij trekken we een bakje zoetgeurende aardbeien. We passeren het plaatsje Wouwse Plantage. Dit gebied van grote landerijen en rijke landbouwgrond is de streek waar mijn vaders familie zijn wortels heeft. Ik realiseer me dat ik er eigenlijk nog nooit geweest ben.
We vinden een camping net onder Bergen op Zoom bij het gehuchtje Heimolen. Gezien de vele regen die we hebben gehad willen we graag een trekkershut, maar de enige trekkershut op het terrein is net vergeven. We komen terecht op een trekkersveldje samen met een aantal andere fietsers. We zoeken een enigszins beschut en vlak plekje uit en zetten ons tentje op. Voor mij is het de eerste keer dat ik de tent onderweg op zet en het kost me beduidend meer tijd dan fietsroutinier Margo, die ondertussen het eten al klaar heeft. Een vullende salade met gekookte eieren en croutons, een tomatensoepje afgemaakt met verse tomaat en stokbrood met kaas. Een drie gangenmenu inclusief miniglaasje rode wijn.
Er zijn heerlijk warme douches en kluisjes waar je veilig je telefoon kan opladen. Mijn eerste nachtje in de tent is nog wennen, ik glijd telkens van mijn smalle matje en krijg dan een stijve rug van de optrekkende kou. Ook worstel ik met de lakenzak die als een wokkel om me heen gedraaid zit.

Dag 3 – Tegenwind
(Bergen op Zoom – ’s Gravenpolder – 55 km)

Het is droog als we de tent opbreken, maar de buitentent is nat en ik besluit deze los onder het bagagenet te proppen in de hoop dat het droogt tijdens de fietstocht. In ieder geval wordt zo de rest van de slaapspullen niet nat. Na een ontbijt met kwark, verse aardbeien en muesli vertrekken we richting Zeeland, maar eerst spuiten we bij de camperplaats onze fietsen schoon die helemaal onder het zand en de modder zitten. Het lijkt wel of gemountainbiked hebben.
Rondom Bergen op Zoom is het heuvelachtig en bosrijk. Langzaam wordt het landschap kaler en vlakker als we richting de grens tussen Brabant en Zeeland komen. De sfeer is anders in Zeeland. Het is er leeg en kaal. De weinige dorpjes die er zijn hebben geen voorzieningen. Geen bakker, geen gezellig terrasje. De vrouwen lopen hier allemaal in een rok. We missen de Brabantse gezelligheid.
We hebben uitzicht op het Antwerpse havengebied met grote opslagtanks en walmende pijpen van chemieconcerns. Zeecontainerschepen varen naast ons op de Westerschelde. De westenwind is straf en blaast pal in ons gezicht. De grasdijk met schapen en lammeren strekt zich eindeloos voor ons uit. De geur van zoete meidoorn en koolzaad vermengt zich met de lucht van pittige ui en de zilte zee. Af en toe staat er ergens een verlaten boerderij, die wat afwisseling in het landschap brengt.
We ploeteren voort tegen de wind in. Om iets minder wind te vangen fietsen we onder langs de dijk in plaats van erover heen. Het nadeel is dat we geen zicht hebben op de zee en aankijken tegen de grasdijk met schapen die ons gedag lijken te zeggen met hun geblaat.

We hebben honger en gaan in het dorpje Waarde op zoek naar eten. We fietsen een rondje om de kerk, maar nergens een spoor van een winkeltje. Het is met fietsen de kunst om net genoeg eten mee te nemen dat je een basisvoorraad hebt; teveel eten past niet in de fietstas en zorgt voor onnodig veel gewicht, te weinig eten kan ervoor zorgen dat je met een lege maag verder moet, omdat je niets kunt vinden. Ons motto ‘alles komt goed!’ komt ook deze keer weer uit. We treffen een fruitkraam die net aan het opbreken is. We kopen een tomaat, kersen, een peer en een appel. Op een bankje in de zon met uitzicht op het water, dat zich langzaam terugtrekt waardoor de zanderige bodem tevoorschijn komt, eten we crackers met tomaat, mueslireepjes en fruit. Er komt een man met een lelijk Zeeuws accent naast ons zitten. Hij is verlegen om een praatje. Hij vertelt dat de corona in dit gebied hoger is dan het landelijk gemiddelde. De mensen kruipen hier bijeen in de kerk en vertrouwen op de Heer. Hij heeft zelf niet zo’n vertrouwen in Gods hand, heeft al verschillende mensen zien sterven aan het virus. Hij behoort tot de schamele vijf procent van de bevolking op Zuid-Beveland die zich laat inenten tegen corona.

Na onze fruitlunch vervolgen we onze tocht tegen de wind in. We fietsen inmiddels over een dijkje met uitzicht op het water en de vele vogels die hier op het drooggevallen wad hun voedsel bijeen pikken. We passeren Kruiningen en bij Hansweert steken we via een brug het sluizencomplex over het Zuid-Bevelands kanaal over. We staan een tijdje te kijken naar de schepen die in de sluis liggen. Ineens horen we iets omroepen waarbij het woord dames valt, de rest kunnen we niet verstaan. Maar als er ook een belsignaal klinkt, begrijpen we dat we ons snel uit de voeten moeten maken, omdat de sluisdeuren waar we op staan binnen afzienbare tijd omhoog zullen gaan.

Als we het smalle deel van het eiland gepasseerd zijn fietsen we meer het binnenland in. Langs kleine bosschages, rietvelden en plassen. Net onder Goes bij het dorpje ’s Gravenpolder vinden we een prachtige natuurcamping. Het toiletgebouw ligt verscholen onder de grond en er is een mooie binnenplaats met een rond houten dak waar je lekker kan zitten mocht het slecht weer zijn. Maar vanmiddag is de zon gaan schijnen en we hebben allebei ons gezicht verbrand. We gloeien als rode kooltjes in het vuur. Mijn handen zijn ook verbrand en laten een scherpe grens zien met mijn witte polslijn.
De plekken op deze camping zijn zeer royaal. We trekken onze lange broeken uit en laven onze witte benen aan de zon. We hebben de tijd om lekker rustig aan te doen. We zitten in de zon en drinken eerst een kopje thee met wat lekkers. Dat hebben we wel verdiend na zo’n lange dag tegen de wind in fietsen. Ondertussen krijgen we allemaal appjes van vrienden en familie die meer landinwaarts in de regen zitten en enigszins medelijden met ons hebben.
We grijpen deze kortstondige zonnige periode aan om onze fietsbroeken te wassen en te drogen te hangen in de wind. De uitgeknepen zemen blijven lang vochtig, maar we vinden een droogrek en hangen de was te drogen in het warme toiletgebouw.
Vanavond kook ik voor de afwisseling. Het wordt pasta met spinazie á la boursin, champignons en kaasflakes. Ik heb altijd moeite om iets te bedenken voor het eten. Ben daar niet zo creatief in. Vaak vergeet ik het zelfs helemaal en komt pas het besef dat ik iets te eten moet regelen als mijn maag knort. Margo daarentegen zit boordevol ideeën wat betreft het samenstellen van smakelijke, voedzame maaltijden. Ze duikt even de supermarkt in en hop daar is ze weer met een gevuld rugzakje met lekkernijen. Ik ben telkens weer verrast door wat ze heeft meegenomen. De ene keer bananenpannenkoekjes, dan weer griekse yohurt met honing, ingrediënten waarmee ze een maaltijd salade tevoorschijn tovert inclusief geroosterde pijnboompitjes en nog veel meer. En dat allemaal op ons één pits gasbrandertje.
We liggen vroeg in ons tentje, want na het zakken van de zon wordt het ijzig koud. Voor morgen is er weer regen voorspeld.

Dag 4 – De Zeeuwse kust
(’s Gravenpolder – Vebenabos  – 56 km)

Het is zwaar bewolkt maar droog als we wakker worden. We pakken snel onze tent in en lopen naar de binnenplaats om te ontbijten. Dan merkt Margo dat haar voorband leeg is. Terwijl ik het ontbijt maak en de fietsbroeken van het wasrek haal, plakt Margo de band van haar fiets. Het is handig dat we een wasbak met water bij de hand hebben, want het is een klein lekje dat lastig te vinden is.
Bij het dorpje Nisse ontdekken we bij de kerk een piepklein terrasje. Het wordt thee, cappuccino en verse worteltaart. Nisse is een leuk dorpje met huizen van felrood gemêleerde bakstenen met typisch Zeeuwse gevelstijl en donkergekleurde vensters. We fietsen door Zeeuwse polders en hoge graslanden met bloeiende meidoornhagen die hoog opgeschoten langs de weg staan om ons te beschutten tegen de wind.
Rond een uur of twee zijn we in Middelburg, bekend terrein voor Margo, waar we op een terrasje met uitzicht op het Middeleeuwse gemeentehuis een tosti verorberen. Vanuit Middelburg is het niet ver meer naar Vlissingen. Margo krijgt vleugels en fietst blij rond in haar korte broek. Ik houd stug al mijn kleding aan. We stappen over van de LF 13, die hier eindigt, op de Kustroute. Een route die ook met bordjes is aangegeven.


In hartje Vlissingen stoppen we bij een supermarkt. Margo attendeert me op een louche type met capuchon die verdacht tegen een grote pilaar aan leunt, precies zo dat ik hem niet kan zien. Ik bewaak de fietsen, terwijl Margo de boodschappen doet. De louche figuur verdwijnt snel als ik mijn blik strak op hem gericht houd.
Ik vind Vlissingen echt een mooie stad. Stijlvolle huizen aan het water, overal bootjes, kinderkopjes, uitkijkpunten en natuurlijk het strand dat zich geel voor ons uitstrekt. Enorme schepen die vlak langs de kust varen. We genieten even van de zee en fietsen dan weer verder. Iets voorbij Vlissingen bij Vebenabos vinden we een boerenminicamping. We hebben het veld bijna voor ons alleen, er staat nog één caravan. We planten onze tentjes aan de rand van struiken in de late middagzon. Snel de korte broeken aan en genieten van deze schaarse zonnige momenten. We eten een maaltijdsalade met gerookte kip, pistache noten en gekookt ei. Na het eten wordt het snel fris.
Om warm te worden lopen we naar zee. Op een duin kijken we naar de passerende schepen en de zon die langzaam in de zee zakt. Het belooft met zo’n vijf graden een bitter koude nacht te worden. Ik trek alle kleren aan die ik zo ongeveer bij me heb en lig nog te rillen. Had ik toch maar voor die iets dikkere slaapzak gekozen.

Dag 5 – Piraat in de duinen
(Vebenabos – Scharendijke – 65 km)

Mijn oog was gisteren al wat geïrriteerd door de wind en de kou, vandaag is het dik en rood als ik opsta. Het traant voortdurend en daardoor kan ik het nauwelijks open houden. Ik zie wazig en dat is erg vermoeiend. Ik besluit het oog af te blokken door mijn zwarte mondkapje er overheen te trekken. Ik zet het mondkapje vast met speldjes. Ik voel me net een piraat met één oog. Margo fietst met haar knal oranje jasje als een baken voor me uit. Ik focus me op het oranje voor me. Ik zie echt slecht. Een  deel van mijn gezichtsveld is verdwenen. En dat net nu we door een prachtig duinlandschap fietsen.
Bij Domburg fietsen we door een bosgebied. Ik voel me onzeker op de fiets, omdat ik de hoogteverschillen en bobbels op het fietspad niet zie. In Domburg hebben we een lekkere pauze bij een koffietentje waar ik verse Verveine thee neem. We kopen een aantal toeristische kaartjes van het strand, de duinen met fietsen en een zeehond en sturen die naar het thuisfront.

Het mondkapje gaat weg en ik doe eerst mijn zonnebril op en plaats daar schuin overheen mijn buf tegen de wind. De kustroute is echt prachtig voor wat ik ervan kan zien.
Zoals gehoopt toen we onze route planden, is de wind zuidwest en blaast pal in onze rug. We vliegen dan ook over de Oosterscheldekering langs Neeltje Jans en de Roggeplaat naar het volgende Zeeuwse eiland. De tocht gaat verder door het natuurgebied van Westenschouwen waar Margo haar befaamde eiersalade maakt door gekookte eieren met mayonaise en wat peper en zout fijn te knijpen in een plastic zakje.


Mijn darmen vertellen mij al een tijdje dat ik naar het toilet moet. Ik negeer dit signaal zo goed als mogelijk, want er is nergens gelegenheid. Uit het niets duikt een wit huisje op. Is het wat ik denk? Ja, het is een openbaar toilet en er is nog toiletpapier ook. Wonderlijk hoe we telkens op onze tocht precies tegen komen wat we nodig hebben.
We komen in wat toeristischer gebied met plaatsen als Burg-Haamstede en Renesse. De campings zijn hier groot en lux. Margo wil nog wel doorfietsen naar het volgende eiland, maar ik heb de knollen op. Het is vermoeiend om de hele dag wazig te zien en met één oog de wereld te aanschouwen. Bovendien is er storm op komst en zoeken we een windvrij onderkomen voor de nacht, wat nog wel eens lastig kan worden omdat het Pinksterweekend is. Terwijl ik buiten op een stoel moedeloos mijn hoofd in mijn handen laat zakken, zie ik een beetje viezige man in zijn kantoor draaiend op zijn bureaustoel bellen. Hij blijft wel tien minuten aan de lijn. Plotsklaps komt Margo opgetogen met de man naar buiten. ‘Het is geregeld’, zegt ze. We lopen naar een gebouw, de man opent met een sleutel de deur voor ons en zegt: ‘zet de fietsen ook maar gewoon binnen hoor’. Voor ons ligt een grote ruimte met een achttal tafels en stoelen er omheen. Het is de kantine en wij mogen vannacht in deze ruimte onze matjes neerleggen. De viezige man zegt nog, dat het wel wat vies is, want er is lang niet schoongemaakt en overhandigt ons de sleutel. ‘Fijn dat ik jullie blij heb kunnen maken’, zegt hij en Margo stopt hem vijfentwintig euro in de hand. Binnen maken we een kleine vreugdedans. We hebben een overnachtingsplek gevonden waar we stormproof de nacht kunnen doorbrengen. Margo vertelt dat de man alles in de omgeving had afgebeld om onderdak voor ons te regelen, maar alles had vol gezeten. Toen had hij gezegd dat we als we vannacht moesten schuilen, we wel in de kantine mochten gaan liggen. ‘Mogen we ook direct in de kantine gaan liggen?’, had Margo ad rem gevraagd en zo was het gekomen. We konden via een verbindingsdeur zelfs binnendoor naar de douches en de toiletten. We hingen de natte tenten te drogen, maakten een lekkere maaltijd en zaten met een slaapzak over ons heen te kletsen, want het was koud in de kantine. We legden onze matjes op het grondzeil en installeerden ons voor de nacht.
De wind loeide, de regen ramde op het dak, maar wij lagen lekker droog en beschut.

 

Dag 6 – Relaxen
(Scharendijke – Oostvoorne  – 44 km)

Margo vond mijn oog er beter uitzien. Ik vond dat niet. Mijn oog deed zeer en ik maakte me zorgen. Margo maakte twee foto’s van mijn oog en die zond ik voor advies naar mijn huisarts, die schreef een recept voor een antibioticazalfje voor dat ik tegen de middag op kon halen bij een apotheek in Rockanje. Top geregeld. Gerustgesteld klom ik weer op de fiets. Het idee dat er iets aan mijn oog gedaan kon worden, zorgde er direct voor dat ik minder last had van de klachten.
Overal lagen afgewaaide takken en bladeren op de weg. Het stormde nog steeds. Als de wind schuin stond werd ik zomaar tien centimeter opzij gezet. Het was koud, nat en winderig. Maar we hadden de wind in de rug. Met windkracht zeven bliezen we over de Brouwersdam naar Goeree-Overflakkee. Het waaide zo hard dat ik niet eens hoefde te trappen. Af en toe blies de wind me zo hard voorwaarts dat ik het zelfs een beetje eng vond. In het leuke plaatsje Goedereede pauzeerden we op een terras met een kop thee en cappuccino. Het vriendelijke meisje dat ons bediende adviseerde ons de Maasvlakte te vermijden, omdat het daar erg vlak is en de wind er vrij spel heeft. Bovendien was het onzeker of het pontje dat ons van de Maasvlakte naar Hoek van Holland zou brengen in de vaart was met dit onstuimige weer.
Eveneens met de wind in de rug passeerden we de Haringvlietdam en kwamen aan op Voorne-Putten waar we in Rockanje op zoek gingen naar de apotheek en mijn antibioticazalfje ophaalden.
Toen was het eindelijk tijd voor een visje. De hele vakantie had ik daar al naar uitgekeken. Op het gezellige marktplein scoorden we een groot portie kibbeling met ravigotte saus. Hier leerden we dat we al lang Zeeland uit waren en dat we ons in Zuid-Holland bevonden.
Aangekomen in Oostvoorne moesten we een beslissing nemen over de route die we gingen volgen. We stopten bij een uitzichttoren en klommen omhoog. We keken uit over zee en de duinen. De Maasvlakte op, gokken dat het pontje zou gaan en de route langs de kust vervolgen of afbuigen en overstappen op de Maasroute? Een keiharde windvlaag blies ons bijna omver. Het was duidelijk. Die Maasvlakte moesten we niet doen. Te gevaarlijk met die harde windstoten. Vanaf nu gingen we de Maasroute volgen. We bogen af en kregen de wind van opzij. Het was hard werken. Margo had een hele leuke overnachtingsplek gezien op internet die ons lonkte. Het was nog wel een beetje vroeg, maar we hadden een relaxte middag wel verdiend vonden we.
Helaas was alles vol geboekt voor het Pinksterweekend. Toch kwam er weer een oplossing. Er was een blokhut die pas de volgende dag verhuurd was, maar al wel helemaal in orde gebracht voor de nieuwe bewoners. Wij mochten er slapen als we onze matjes op de grond legden en alles pico bello achter zouden laten. Dat lieten we ons geen twee keer zeggen.
Wat hadden we weer een mooi plekje gevonden. Eerst dronken we een kopje thee op de veranda, maar al snel gingen we naar binnen, want het was te fris om buiten te zitten, ook al scheen er een waterig zonnetje. Ik ontfermde me over de was, die we te drogen hingen aan een rek op de veranda. Al snel zagen we onze fietsbroeken in de heg bij de buren hangen en misten we een paar sokken.
We maakten dankbaar gebruik van de cateringservice en bestelden een maaltijd bij het eetcafé van de camping. Zalm, frites en salade. Jammie. Bij de thee nog een Zeeuwse bolus. Het werd een latertje voor ons, we bleven lang kletsen en speelden een paar spelletjes Punto.

 

Dag 7 – Regen, regen, regen
(Oostvoorne – ’s Gravendeel – 66 km)

In de spetterende regen met onze capuchon op hebben we moeite de Maasroute te vinden. Na een half uurtje fietsen zijn we weer bij ons startpunt van de dag. We hebben blijkbaar ongemerkt een rondje gefietst. Een bonustrack voor extra kilometers zo grappen we.
Eenmaal op de route hebben we aan onze linkerkant uitzicht op petrochemische industrie van de Maasvlakte. Het oogt bijzonder lelijk en we zijn blij dat we daar niet tussendoor hoeven te fietsen. Het hoogtepunt van de dag is Spijkenisse. Echt een plaats die je niet wilt missen…. We maken nog een extra rondje alvorens we de brug over de Oude Maas pakken naar Hoogvliet Rotterdam.

We fietsen al uren door de regen en we zijn dringend toe aan een leuke pauzeplek. Niet veel later ontdek ik een donker houten gebouw. Ik stop en rijd er naar toe, Margo heeft er niet veel vertrouwen in, maar ik ga toch even kijken of het open is. ‘Alles komt goed’, zeg ik tegen Margo, ‘follow mee.’ Met lichte tegenzin komt Margo met haar fiets achter me aan. Aan de achterkant van het gebouw is een overdekte veranda met terrasverwarmers, dekentjes en zitbanken met zachte kussens. We pellen onze natte kleding uit en hangen die over een stoel te drogen. We nestelen ons onder de heater in een fleecedeken en bestellen tomatensoep en een broodje kroket. Het smaakt hemels. Als we zijn opgedroogd en opgewarmd bezoeken we nog even het toilet en dan trekken we onze natte kledder weer aan. In loop van de middag wordt het zowaar droog. Met een pontje steken we bij Zwijndrecht de Oude Maas weer over naar Puttershoek, vandaar uit gaan we naar ’s Gravendeel.
Net voor sluitingstijd bezoeken we een bijna lege bakkerij. Er is nog boterkoek en er zijn nog Zeeuwse moppen. Het brood is allemaal op. De vriendelijke dame die ons helpt vraagt waar we overnachten. Ze weet namelijk nog wel een passende plek voor ons. Ze verdwijnt naar achteren en we vragen ons af wat ze allemaal aan het doen is. Blijkt dat ze een routebeschrijving voor ons heeft uitgeprint naar Camping Polderland. Als ze uitlegt hoe we er moeten komen, lijkt het een heel eind de verkeerde kant op, maar uiteindelijk is het nog maar iets van drie kilometer. In het centrum van ’s Gravendeel doen we inkopen voor de avondmaaltijd en het ontbijt. Ik bel naar de camping met de vraag of ze twee fietsende dames een warm en comfortabel onderdak kunnen bieden. Dat blijkt geen probleem. ‘Kom maar deze kant op, ik heb verschillende opties voor jullie’, antwoord de campingeigenaar. Als we op de camping arriveren doen we hem de groeten van Jeanette van de bakkerij, die ons zo spontaan de camping heeft aanbevolen. De eigenaar neemt ons mee naar een fantastisch huisje met verwarming, eigen keuken en douche en toilet en twee slaapkamers. En dat alles voor de prijs van veertig euro. We trekken onze natte schoenen en sokken uit en laten onze weke, bleke voeten drogen in de buitenlucht.
We zetten de thermosstaat op twintig graden en hangen al onze natte spullen op de verwarming. Zelf ontploffen we bijna van de hitte en lopen met een rood hoofd door ons huisje. Zoveel aangename warmte zijn we niet meer gewend. We hebben trek en slaan een stuk boterkoek en een flink aantal Zeeuwse moppen achterover totdat ik misselijk ben en de restjes wegspoel met een warme mok thee. Het diner bestaat vandaag uit een broodje hamburger met salade en een broodje broccoliburger.
Maar eerst regel ik mijn coronavaccinaties. Frans had me geappt dat ik een oproep had gekregen. Het lukte niet om via internet een afspraak te maken, maar telefonisch lukte dat wel. Ik kon niet in Doetinchem terecht waar Margo de prikstraat bemant. Ik had het leuk gevonden om door haar geprikt te worden, maar het is Lichtenvoorde geworden. Op 31 mei de eerste prik met Pfizer of Moderna en op 5 juli de tweede vaccinatie.
’s Nachts lig ik in een heerlijk zacht tweepersoonsbed, voor het eerst deze vakantie zonder extra kledinglagen en zonder pijn aan mijn heup.

Dag 8 – Bezoek
(’s Gravendeel – Rumpt – 79 km)

Uitgerust word ik wakker. We zijn vroeger dan anders en zitten al snel op de fiets. Het is lekker fietsweer vandaag. Op de vroege Pinkersterochtend fietsen we door het centrum van een verlaten Dordrecht. Een leuke havenstad met oude houten boten, slingerende grachten, kleurige huizen en gezellige pleinen met grote bloeiende kastanje bomen. Daarna koersen we richting de Biesbosch met zijn vele water- en weidevogels. Met een pont steken we de Nieuwe Merwede over en komen dan in het echte waterland uit. Stil genieten. Net op tijd kom ik erachter dat het pontje over het Steurgat is gestremd. We kijken op de navigatie-app van Margo en kiezen een alternatieve route die ons naar Werkendam brengt. Via Sleeuwijk en Hoekeinde bereiken we Woudrichem waar we de pont pakken naar Gorinchem waar op een terrasje bezoek op ons wacht.
Onze mannen, Hans en Frans, zijn ons met een bezoek komen vereren. Ze hebben warm thermo-ondergoed voor ons meegenomen om de koude nachten iets te verzachten en nemen vuile was en t-shirts voor mooi weer mee terug naar huis. Hans heeft ook de nieuwe slippers voor Margo mee genomen, waar ze erg blij mee is.
We hebben vandaag stevig doorgefietst om de afgesproken tijd te halen, we zijn slechts tien minuten te laat en hebben er voor de lunch al vijftig kilometer opzitten. We vinden een fijne lunchplek waar we de mannen onze verhalen vertellen en uitgebreid bijpraten, terwijl we een stevige lunch verorberen. Rond een uur of drie stappen we uitgezwaaid door Hans en Frans weer op de fiets. We stappen over van de Maasroute op de LF9, die loopt tussen Bad Nieuwe Schans in Groningen en Breda. Aan de overkant van de Merwede zien we slot Loevestein liggen. We fietsen door de West Betuwe en volgen het riviertje de Linge over een dijkje dat ons slingerend naar Kedichem, Vogelswerf en Leerdam brengt. Dit gebied ken ik van eerdere fietstochten op mijn racefiets. Vooral in het voorjaar als de appelbomen in bloei staan is het hier prachtig. Via fort Asperen, gaan we naar Acquoy, Gellicum en tenslotte naar camping de Pit in Rumpt.
Op een vers gemaaid grasveldje onder de appelbomen slaan we onze tentjes op. Het toiletgebouw heeft vloerverwarming en mocht het vannacht weer heel koud worden dan neem ik me voor het matje in één van de douches te leggen. Er is een kapschuur waar we onze fietsen droog kunnen neerzetten en waar we aan een tafel onze maaltijd bereiden. Een zak droogvoer waar we alleen wat warm water bij hoeven te doen. We mengen het met een beetje extra rijst. Het is nasi met cashewnoten en het smaakt prima. We besluiten de maaltijd met een kop thee en boterkoek. Daarna doen we nog een spelletje Punto.
In de douche grapt Margo: ‘vannacht doe ik mijn vierentwintiguurs broek weer aan.’ Het belooft wederom een koude nacht te worden en het is inmiddels routine geworden om voor het slapen gaan warm te douchen en ons dan te hullen in alle warme kleding die we bij ons hebben. We hebben eigenlijk al dagenlang dag en nacht dezelfde kleding aan. Mijn nachtkledij bestaat uit: warme sokken, een lange thermo-onderbroek met daar overheen een lange wandelbroek, thermoshirt met lange mouwen, fleecejack en donsjas, buf en capuchon.

 

Dag 9 – De stal lonkt
(Rumpt – Arnhem – 77 km)

Op camping de Pit hangen overal gedichtjes van de eigenaresse. In de bomen, op het toilet, in de kapschuur. Ook staan overal boeketjes met vers geplukte bloemen. Het is een camping die met zorg en aandacht wordt gerund. De douches zijn warm en schoon en er hangt ontsmettingsmiddel om je handen te desinfecteren.
We ontbijten met warme pannenkoekjes met banaan en jam. Echt super lekker! De weersvooruitzichten zijn ronduit slecht. De komende dagen blijft het koud en nat. Ik opper dat we in twee dagen thuis kunnen zijn, Margo denkt dat we zelfs vanavond al in ons eigen bed kunnen liggen. Dat lijkt me wat te ver om in één dag te fietsen. Maar ik vind het ook geen aantrekkelijk vooruitzicht om in Arnhem te overnachten. Als ik zo dicht in de buurt van Doetinchem ben ruik ik de stal en wil ik naar huis. De trein lijkt een aantrekkelijk alternatief voor onze laatste etappe naar huis. We zullen zien hoe het gaat lopen. Voorlopig regent het weer als we op de fiets stappen. Ik trek ’s ochtends direct mijn regenpak aan, dat is handig als ik op het natte gras moet zitten bij het inpakken van de tent of op een nat bankje onderweg. De route is mooi en voert ons langs landgoed Mariënwaerdt, fruitstad Geldermalsen, via Buren naar Ravenswaay waar we het pontje naar Wijk bij Duurstede nemen. We zijn inmiddels in de provincie Utrecht aangekomen. Net op tijd vinden we weer een gezellige en warme lunchplek met verwarming, kaarsjes en dekens om op te warmen. We zitten onder een overkapping aan de rand van het water waar de regendruppels in grote bellen uiteen spatten. De aspergesoep smaakt ons goed.
We stappen over van de Lf 9 op de LF 4 die van Den Haag naar Enschede gaat en komen terecht op de Utrechtse Heuvelrug langs statige buitenplaatsen en landgoederen in Amerongen, Rhenen en Wageningen. We fietsen over fietspaden vlak langs de rivier. In Doorwerth hebben we nog een venijnig klimmetje door het bos dat me de adem beneemt en mijn benen laat verzuren.

Margo wil nog wel doorfietsen naar huis, maar ik vind het alternatief met de trein te aantrekkelijk. Die laatste dertig kilometer zullen echt niet lollig zijn en ik vind het jammer onze reis chagrijnig te eindigen. Ik app Frans dat de stal lonkt en ik graag wil mee eten. Hierop biedt mijn held aan ons op te komen halen. We nemen dit aanbod met beide handen aan. Ergens tussen Oosterbeek en Arnhem worden we opgepikt. We zetten Margo af in Nieuw-Wehl waar ze haar jarige dochter gaat verrassen met een onverwacht bezoek. Natuurlijk fietst ze de laatste kilometer naar het huis van haar dochter. Stoer zo’n moeder!

En dan ben ik weer thuis. Het is vreemd om na negen dagen weer binnen te zijn in een warm huis. En om te slapen zonder sokken aan en zonder muts op mijn hoofd. Maar het went ook weer heel snel.

Ik heb genoten van het fietsen, van de groei van mijn conditie, van het buiten zijn, de vele mooie landschappen, de leuke lunchplekjes die we telkens vonden, de blokhutten en campings, de maaltijden die Margo bereidde op haar éénpits kooktoestel, het druppen van de regen op het tentdoek als ik lekker knus in mijn slaapzak lag en natuurlijk van het gezelschap van mijn fietsmaatje Margo.

Wat mij betreft smaakt het naar meer!

Tegenwind

Ik had een koude, winderige dag uitgekozen om mijn excentrieke, jarige tante te verrassen met een bliksembezoek. Het was een mooie gelegenheid om mij voor te bereiden op mijn aanstaande fietsvakantie en mijn splinternieuwe fietstassen uit te proberen. Toen ik mijn felblauw gekleurde fietstassen voor de trekkingbike ging inpakken, merkte ik al snel dat het een hele andere manier van denken vergde dan wanneer ik met de racefiets op stap ging. Bij de racefiets was ik eraan gewend geraakt zo weinig mogelijk mee te nemen; alleen dat wat in de zakken van mijn wielrenshirt paste. Thuis moest ik al beslissen welke kleding ik aan zou doen en ook qua eten kon ik alleen het hoognodige meenemen. Nu met de nieuwe fietstassen kon ik mijn beslissingen uitstellen: ik nam drie paar schoenen mee om onderweg uit te testen, ik propte regenkleding in de tassen, vulde een thermoskan met heet water, voegde een mok, brood, banaan, appel en mueslireep toe, besloot ook nog maar mijn dons jasje en fleecejack mee te nemen en nog zaten de fietstassen niet vol. Toch was ik er niet helemaal happy mee.
De fietstassen waren stug en ik vond het onduidelijk hoe ik ze dicht moest maken. Toen ik onderweg stopte voor een pauze kon ik in de tassen niet vinden wat ik nodig had; het was een wanordelijke bende waar ik niets in terug kon vinden. Ik vond het irritant dat ik de hele tas open moest maken, ik miste een rits en een handig klein zakje waar ik dingen als mijn telefoon, bankpas en zonnebril in kon doen. De telefoon zat nu in de grote zak en telkens als ik even wilde kijken voor de route moest ik stoppen, de fietstas open maken, graaien en zoeken naar de telefoon, die natuurlijk naar beneden gezakt was… Kortom, ik begon al enigszins humeurig aan de tocht.
Dat ik van begin af aan wind tegen had hielp ook niet mee. Ik heb nu eenmaal een hekel aan wind, vooral aan koude, noorden wind. Om de wind enigszins te omzeilen koos ik voor een fietspad door het bos. Toch lukte het niet echt te genieten van de tocht, mijn hersenen waren gefixeerd op mijn nieuwe fietsonderbroek met zeem, die knelde en schuurde tegen mijn billen. Bovendien kreeg ik al snel last van mijn rechterknie. Het duurde even voordat ik me realiseerde dat dat waarschijnlijk kwam, omdat ik te zwaar trapte tegen de wind in. Ik vond het fietsen met de lompe fietstassen zwaar en log in vergelijking met de tochtjes op de racefiets. De fietstassen klapperden en knarsten toen ik over de hobbelige keien in het centrum van Doesburg reed en ook ik zelf werd flink door elkaar geschud. Ik liet mijn mopperstand even varen toen ik door de Havikswaard fietste langs geurende witte bloesems en weilanden vol pinksterbloemen en er een waterig zonnetje aan de hemel verscheen. Ik vervolgde mijn tocht met aan de rechterhand de heuvelrug van de Posbank, langs statige herenhuizen en mooie oude bomen. In Velp kocht ik bij patisserie Christian twee gebakjes met gele room en verse aardbeien, die ik voorzichtig bovenin één van de fietstassen plaatste. Het was druk in het centrum van Velp; voetgangers, fietsers en automobilisten krioelden door elkaar heen alsof er geen corona bestond. Terwijl ik voortploeterde werd ik regelmatig ingehaald door schijnbaar moeiteloos fietsende oude van dagen op een e-bike, oude mannen op een racefiets, moeders op een bakfiets en jonge meiden op een stadsfiets.
Ik verliet de drukke hoofdweg en sloeg rechtsaf richting Rozendaal waarmee ik aan een flinke klim omhoog begon. Voldaan kwam ik boven aan en constateerde dat ik mijn bezoekadres op drie kilometer was genaderd. Ik hoefde alleen nog maar linksaf te slaan en die weg een aantal kilometers te vervolgen. Toen ik de heuvel omlaag knalde, drong het tot me door dat ik waarschijnlijk te vroeg naar links was gegaan en de heuvel opnieuw zou moeten beklimmen. Dapper klom ik de berg weer op. Voor de zekerheid even checken op google maps of ik goed zat. Nee, ik moest toch een andere kant uit dan ik had verwacht. Dus hop de heuvel weer af. Al snel was ik aan het ronddolen door de stad en had geen idee meer welke kant ik uit moest. Ik was al drie kwartier aan het heuvel op en af fietsen en de afstand tot mijn doel was nog steeds drie kilometer. Uiteindelijk bereikte ik toch bekend terrein en vond ik na enig zoeken het juiste adres. Ik parkeerde mijn fiets in de voortuin en belde aan.

In mijn hoofd had ik een beeld van mijn tante die verbaasd maar blij in de deuropening stond, terwijl ik haar feliciteerde en de twee gebakjes overhandigde. Daarna zou ze me blij verrast uitnodigen om binnen te komen en zouden we gezellig samen van het gebakje smullen. Het was mijn bedoeling haar een leuke verjaardag te bezorgen. Ze zat al meer dan een jaar alleen in haar huisje en had alleen wat contact met haar buren. Ook had ik rekening gehouden met het scenario dat ze – ondanks dat ze vrijwel nergens naar toe ging – niet thuis zou zijn. Maar het liep anders dan ik had verwacht.
Na het aanbellen, hoorde ik gestommel en daarna een luide roep met ‘ik kom er aan hoor’, de deur werd van het slot gedaan en daar stond mijn tante met een zwart mondkapje waarop twee panters waren afgebeeld. Het eerst wat ze zei was: ‘oh ben jij het, hoe kom jij nou hier verzeild? De bloemen zijn er al hoor, die staan al in de vaas.’ Ik had voor haar verjaardag een bos bloemen met een kaartje gestuurd, omdat ik toen nog niet van plan was om langs te gaan. We bleven even sprakeloos staan. Toen feliciteerde ik haar en probeerde haar de gebakjes te geven, maar ze deed een stap opzij en zei:  ‘kom dan maar even binnen.’ Het was niet onaardig, maar het was ook niet heel uitnodigend. Het voelde ongemakkelijk. Ik had beter even kunnen bellen dat ik in de buurt was, zo realiseerde ik me, ik had haar nu natuurlijk overvallen. Maar ik had haar ook niet onnodig nerveus willen maken voor mijn bezoek.
Ik kreeg een kopje thee. Zelf nam ze niets, want ze had al koffie gehad. De twee gebakjes stonden op het aanrecht. Die zou ze van de week een keer als toetje eten, zo vertelde ze me. En daar zat ik dan op de eikenhouten bank recht tegenover haar, terwijl ik nipte van mijn kopje thee en ik enorm verlangde naar een van de overheerlijke gebakjes die ik had meegenomen of in ieder geval iets anders om mijn honger te stillen.
Haar huisje was net een museum, elke vierkante meter was gevuld met kunstvoorwerpen. Speren en schilden van geitenvel, etsen en schilderijen, beelden van wilde dieren, droogboeketten, wandkleden en boeken. Heel veel boeken.
Ik had het gesprek op reizen gebracht, want daar werd ze meestal vrolijk van zo wist ik uit ervaring. Al snel zat ze beeldend te vertellen over haar reizen naar Zuid-Afrika, Namibië en Botswana. Afrika het continent waar ze haar hart aan had verpand en waar ze bijna was gaan wonen als haar man toen niet ziek was geworden. Reizen waar ze met een grote glimlach aan terugdacht. Reizen die ze alleen als oudere dame van in de zestig had ondernomen. Mijn excentrieke tante die aan de ene kant zoveel weet en wereldwijs is en aan de andere kant soms tenenkrommende opmerkingen kan maken in gezelschap, rollend met haar grote ogen en blazend van verontwaardiging en nog leeft in een wereld van vijftig jaar geleden. Ze is alleen bereikbaar via een geheim nummer op haar vaste telefoon die aan een snoer vastzit en naast de bank staat. Ze had haar huisarts een handgeschreven brief gestuurd om te vragen wanneer ze aan de beurt was voor haar vaccinatie tegen corona. Ze is heus goed geïnformeerd over alles wat er in de wereld gebeurt en ze is geestelijk volkomen helder, alleen moderne technologie als een laptop, mobieltje of telebankieren hebben niet haar interesse. Ze heeft een hart van goud, maar toch voel je je meest van tijd enigszins opgelaten in haar gezelschap, al is het moeilijk onder woorden te brengen waar dat precies door komt.

Ze zwaaide me uit, terwijl ze in de voortuin stond in haar knalgele ensemble van een duur merk met de snit uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. Voor een tientje op de vlooienmarkt gekocht, maar van een heel goed merk, zo had ze me toevertrouwd. Ik kan het wel waarderen als iemand zo zijn eigen stijl heeft. Ze is beslist authentiek en zichzelf, maar zeker ook een tikkeltje wereldvreemd.

Ik liet me de heuvel afrollen, fietste door mooie stadsparken en door wijken met oude arbeidershuisjes. Al fietsend at ik twee boterhammen met pindakaas. Het was koud. In Velp stopte ik weer bij patisserie Christian en kocht opnieuw twee gebakjes. Ditmaal met het idee ze samen met Frans op te eten.
Ik fietste langs landgoed Biljoen en kwam uit op het dijkje richting Westervoort. Tegen het verkeer in fietsend stak ik de brug over de IJssel over. En toen was het nog zevenentwintig kilometer tegen de wind in naar huis.
Ik reed met de wind in mijn gezicht over de dijk richting Lathum, Bahr en Giesbeek en ik begon te begrijpen wat mijn fietsvrienden bedoelden met afzien. Tot nu toe had ik mijn fietstochten altijd met plezier beleefd. Natuurlijk zat het wel eens even wat tegen, maar dat duurde nooit lang. Ik vond het niet erg om nat te regenen of om wind tegen te hebben, maar vandaag was dat anders. Ik vond er voor het eerst sinds mijn fietsrevival helemaal niets aan. Ik kon me gewoon niet meer voorstellen wat er leuk was aan fietsen. Waarom was ik hier eigenlijk aan begonnen? Ik vond de wind onaangenaam, het fietsen zwaar en ik verlangde enorm naar warm op de bank zitten met een kopje thee en een gebakje.

De terugtocht leek eindeloos lang. Ik vond het landschap saai en monotoon. Telkens verwachte ik dat ik eindelijk de wind in de rug zou krijgen, of in ieder geval van opzij, maar dat gebeurde niet. De wind leek met me mee te draaien. Op een bankje bij camping Siebieverden in Eldrik at ik kleumend één van de twee gebakjes op, met plakkerige handen stapte ik even later weer op de fiets. Klaar voor de laatste etappe. Koud en knorrig arriveerde ik rond zes uur bij ons huis. Ik installeerde me op de bank met een deken, een kopje thee en gebakje nummer twee. Dat had ik wel verdiend vond ik na zoveel tegenwind.

De tegenwind was niet alleen fysiek, maar zat vooral in mijn hoofd zo realiseerde ik me. Het was mijn mindset die het onaangenaam maakte, niet de wind. Bij iedere trap was ik bezig met zo snel mogelijk thuis zien te komen, verlangde ik naar warmte, thee en iets lekkers als beloning, hierdoor was ik niet aanwezig in het hier en nu en daardoor kon ik niet genieten. Ik was teveel bezig met een moment in de toekomst. Als ik maar eenmaal thuis ben, dan wordt het beter, zo dacht ik en hiermee ging ik voorbij aan het mooie en waardevolle van wat zich op dat moment onder mijn neus afspeelde.  Het is goed dat ik nu weet wat afzien is. Maar een volgende keer ga ik gewoon weer als vanouds genieten van het fietsen heb ik me voorgenomen.

Zwerven

Ik ben een zwerver. Niet in de strikte betekenis van een armlastig persoon zonder vast woonadres, want ik woon in een prachtig huis en slaap bijna altijd met een dak boven mijn hoofd, maar in de zin van iemand die graag rondtrekt zonder vastomlijnd plan.

Zwerven staat bij mij voor ontdekken en avontuur. Op verkenningstocht gaan, ronddwalen zonder strak gedefinieerd doel, onbekende wegen inslaan en niet precies weten waar je uit gaat komen, de route kiezen die je intuïtie je ingeeft en genieten van wat je onderweg tegenkomt. Ik hou van zwerven. Het is gezellig als er iemand mee gaat, maar ik kan ook goed alleen zwerven.

Als ik teveel en te lang alleen in huis achter de computer heb gezeten, dan doet het vooruitzicht op een zwerftocht mijn hart sneller slaan van opwinding en plezier. Zwerven kan in de camper samen met Frans, op de fiets met een vriendin trekkend door de Achterhoek of in mijn eentje wandelend in Montferland. Het gaat om het gevoel van vrijheid. Om het avontuur van het onbekende. Rondstruinen zonder tijdsbesef. Doelloos en zonder prestatiedrang.

Soms zwerf ik met vrienden door het bos achter ons huis, waar ik na jaren van bijna dagelijkse wandelingen, toch nog nieuwe paden weet te ontdekken. Sommige vrienden schrikken wanneer ik vertel dat ik me op onbekend terrein bevind, ze pakken dan meestal snel hun mobieltje erbij om de locatie te traceren en de route naar huis terug te vinden. Ik weet dan vrij zeker dat ik niet met een medezwerver te maken heb.

Op een warme zonnige dag in april pakte ik sinds lange tijd weer eens mijn trekkingbike uit de schuur voor een zwerftocht. Ik had deze keer wel een doel (noten kopen in Zutphen met aansluitend een kopje thee drinken bij mijn zus), slechts een vage tijdsplanning (ik ben er ergens begin van de middag), maar geen uitgestippelde route. De route koos ik intuïtief, door de weg in te slaan die de grootste aantrekkingskracht op me uitoefende. Dit bracht me via de Kruisbergsebossen in de uitgestrekte landbouwgronden rond Steenderen en in het vestingstadje Bronkhorst. Via de dijk slingerde ik richting de buitenwijken van Zutphen en arriveerde ik in het oude stadscentrum waar ik een flinke voorraad noten kocht. In de tuin bij mijn zus in Eefde dronk ik een kopje thee en kletsten we zoals alleen zussen dat kunnen.
De terugweg ontvouwde zich via Huize de Voorst, naar Almen aan de Berkel, via bosrijk gebied naar landgoed Wientjesvoort en het dorpje Linde. De vogeltjes floten, aan de bomen meldde zich het eerste prille groen, de zon scheen op mijn blote huid en ik genoot met volle teugen.

Ik vond het een uitdaging door de onbekende landerijen richting Doetinchem te koersen zonder de plaatsen Hengelo of Zelhem aan te doen. En zo ontdekte ik een heel nieuw gebied bij de buurtschappen Dunsborg, Oosterwijk en Wittebrink, terwijl de zon steeds lager zakte, mijn benen slapper werden en de hongerklop toesloeg. Mijn bidon was leeg, maar gelukkig had ik een fietstas vol noten bij me. In het zonnetje in de berm van een zandpad ruste ik wat uit en at een handvol noten en cranberry’s. Het landschap was verlaten en ik had geen flauw idee waar ik was.

Ik had Frans rond vijf uur een appje gestuurd dat ik bijna thuis was, maar het was inmiddels half zeven en het leek erop dat ik nauwelijks progressie had geboekt. Uit het niets doemde het dorpje Velswijk op. Ik was weer op bekend terrein. Om kwart voor zeven fietste ik onze oprit op, moe maar weer een avontuur rijker. Hongerig viel ik aan op de maaltijd die Frans voor me had bereid.

Zwerven. Je laten verrassen en de flow zijn werk laten doen. Een rotsvast vertrouwen hebben in een mooie reis met een goede afloop. Ik word er telkens weer blij van.

Zelfredzaamheid

Dit blog draag ik op aan mijn vriendin Esther, die een aantal jaren geleden een herseninfarct kreeg, waardoor ze gedeeltelijk verlamd raakte. Ik ben ongelooflijk trots op haar. Trots op hoe ze haar leven met veel inspanning weer heeft opgepakt en er het beste van probeert te maken. Trots op haar doorzettingsvermogen. Trots op haar niet aflatende inspanning om vooruit te komen. Het dagelijkse rondje dat ze door weer en wind fietst op haar driewieler. Ik denk de laatste dagen veel aan haar. Dat komt omdat ik door mijn operatie een aantal dingen – tijdelijk – niet meer zelfstandig kan. Zo heb ik hulp nodig bij het uittrekken van een T-shirt of pyjama, bij het uit de kast halen van een schaal of zware pan en bij het wassen van mijn haren. Om geen rek op de wond te zetten mag mijn arm niet boven mijn schouder uitkomen. Zes weken lang mag ik niet sporten, niet bukken, niet tillen, niet rekken en geen zwaar huishoudelijk werk doen als dweilen en stofzuigen. In eerste instantie lijkt dat laatste best aanlokkelijk en een mooi excuus om het mijn partner te laten doen, maar in de praktijk merk ik dat ik het best lastig vind om zo afhankelijk te zijn. Vooral de eerste dagen na de operatie had ik best veel hulp nodig en voelde ik me bezwaard daar telkens om te moeten vragen.
Aan de andere kant merkte ik soms ook het tegenovergestelde bij mezelf; dan vroeg ik Frans iets voor me te doen terwijl ik dat stiekem met wat meer inspanning en creativiteit best zelf had gekund.

Wanneer iets voor een ander slechts een kleine moeite is, maar voor jou een grote inspanning en je bovendien zuinig moet omspringen met je energie, is het verleidelijk om hulp te vragen. Maar er zitten natuurlijk grenzen aan. Ik kon niet verwachten dat Frans continue paraat stond om als een goede toverfee aan al mijn wensen en verwachtingen te voldoen op het moment dat ik daar om vroeg. Hij was tenslotte ook gewoon aan het werk.
Het was ook niet echt mijn wens om zo afhankelijk te zijn van mijn man; ik heb mijn zelfredzaamheid hoog in het vaandel staan.

Ik vroeg me af hoe dat bij mijn vriendin en haar man ging. Daar lagen de zaken waarschijnlijk veel complexer. Mijn hulpbehoevendheid was tenslotte tijdelijk en betrof slechts een beperkt aantal zaken. Zij moesten op zoek naar een nieuwe balans in hun relatie. Een balans die voor beiden acceptabel en langdurig vol te houden is.

Om Frans niet te overvragen maar ook mezelf niet tekort te doen, stelde ik een aantal selectiecriteria op voor mezelf. Het eerste en belangrijkste criterium was: Kan ik het zelf? Wat zou ik doen als ik alleen thuis was? Wat als ik het op een andere manier probeer?
Het tweede criterium betrof de vraag: Hoe belangrijk is mijn wens? Hoe graag wil ik het? Is het een ramp als het niet gebeurt?
En tenslotte criterium drie dat te maken had met het tijdstip van uitvoering. Belangrijk hierbij was de vraag: moet het NU gebeuren of kan het net zo gemakkelijk op een ander moment worden gedaan? Voor Frans was het fijn als hij de dingen voor mij op een zelfgekozen moment mocht doen.

Deze vragen hielpen me om creatieve oplossingen te bedenken, prioriteiten te stellen en te relativeren. Ik irriteerde me bijvoorbeeld aan een vaas met halfvergane bloemen met stinkende stelen die nog op tafel stond. Ik wilde deze vaas heel graag oppakken, de bloemen in de groenbak gooien en de vaas lekker uitsoppen. Toch besloot ik dat het geen ramp was als de vaas nog even bleef staan. Evenals de moddersporen op de vloer geen drama waren. Of dat ik best nog twee nachtjes langer onder hetzelfde beddengoed kon slapen. Of de lelijke lappen die Frans voor het raam had gehangen, zodat de zon niet op het televisiescherm viel en ik lekker kon netflixen, maar die ik ook graag weer had verwijderd om in de zon te kunnen liggen soezen. Het waren geen dingen die echt belangrijk waren, al had ik ze zelf graag aan willen pakken als ik dat had gekund.

Op mijn tenen gaan staan en mijn arm omhoog strekken om toch nog net die borden uit de kast te kunnen pakken, de chirurg maande me dit vooral niet te doen. ‘Niet die zware pan van het fornuis tillen of nog net dat kopje van die te hoge plank willen pakken of je bukken om de vaatwasser uit te ruimen, doe dat vooral NIET’, zo waarschuwde hij me tijdens de laatste controle. Omdat ik Frans dus niet voor elk wissewasje wilde vragen, ging ik netjes op de knieën zitten om de vaatwasser uit te ruimen, serveerde ik het eten soms op gebaksbordjes, maakte de salade in een plastic kom, schepte het eten uit de pan op een bord in plaats van met de pan te gaan sjouwen, liep zes keer de trap op en neer om de was naar boven te brengen en maakte knielend het toilet schoon.
Op een ochtend moest ik voor iets kleins even naar de huisarts. Toen ik de telefoon neerlegde nadat ik de afspraak had gemaakt, realiseerde ik me dat ik een beroep op Frans moest doen. Ik kon nog niet autorijden of fietsen en lopend zou ik niet op tijd op de afspraak komen. Lastig die afhankelijkheid. En ja, het moest ook nog al la minuut geregeld worden. Frans fronste zijn grote, grijze wenkbrauwen, zuchtte diep, streek over zijn hart, keek me diep in de ogen,  verzette zijn werkafspraak en bracht me met de auto naar de huisarts. De schat.

Frans helpt me bij de zaken die essentieel zijn en die ik echt niet zelfstandig kan, zoals mijn haren wassen boven de badrand, mijn steunkous aantrekken, mijn zwachtel bh met twintig haakjes losmaken, me uit mijn pyjama jasje helpen en me ’s ochtends na een lange nacht op de rug liggen uit bed takelen. Deze kleine verzorgingsmomenten zijn uitgegroeid tot knusse, intieme momenten waar we allebei van genieten.

Gelukkig neemt mijn zelfredzaamheid langzaam weer toe. De chirurg heeft de pleisters en de knoopjes van de hechtingen verwijderd. De wonden genezen goed, daarom heb ik toestemming om weer op mijn zij te slapen. Eindelijk weer eens heerlijk de hele nacht door kunnen slapen. Daar word ik zó gelukkig van. En vanaf volgende week weer autorijden. Nog drie weken dan mag ik ook weer fietsen en langzaam opbouwen met bukken, strekken en tillen.

Het was een leerzame ervaring om een tijdje niet geheel zelfredzaam te zijn. Ik kan me beter verplaatsen in mijn vriendin die veel van haar zelfredzaamheid heeft moeten inleveren, maar die door hard werken ook weer een deel van die zelfredzaamheid heeft terug veroverd. Chapeau Esther!

Ontboezeming

Hier dan eindelijk weer eens een blogbericht. Op de één of andere wijze had ik de laatste maanden weinig schrijfinspiratie. Ik leefde door de corona maatregelen samen met Frans in een kleine, comfortabele, maar ook wat saaie bubbel. Er gebeurde weinig schrijfwaardigs.
Intussen was ik bezig met iets waarvan ik niet goed wist of ik dit nu openbaar wilde maken of niet. Een onderwerp dat je niet direct in elk gesprek op tafel legt, zeker als het nog in een verkenningsstadium verkeert. Uiteindelijk voelde ik toch de behoefte er open over te zijn. Net zoals ik altijd open ben geweest over mijn ervaringen met borstkanker. En dit onderwerp ligt in het verlengde ervan. Hoop dat je geniet van mijn ontboezeming.

Sinds de kanker en de okselklieren uit mijn rechterborst waren weggesneden, ging ik door het leven met twee ongelijke borsten. Een tijdlang interesseerde me dat totaal niet. Ik was blij dat ik überhaupt nog twee borsten had en verder lag de focus op overleven, de behandelingen zo goed mogelijk doorstaan, beter worden, herstellen en vervolgens het leven weer oppakken en leuke dingen doen. De aangedane borst lag door de bestraling als een vaste klomp tegen mijn lijf gedrukt en behoefde weinig ondersteuning. Ik bleef gewoon mijn oude, vertrouwde bh’s dragen.
Toen de chirurg bij een controle eens vroeg of ik niet overwoog mijn borsten symmetrisch te laten maken, omdat er toch wel een groot verschil tussen zat, antwoordde ik nogal kortaf, dat ik dat een luxe probleem vond. Ik had mijn leven net weer op de rit. Genoot met volle teugen van alles wat ik weer kon. Dat ging ik toch niet op het spel zetten voor twee gelijke borsten? Ik moest er niet aan denken opnieuw onder het mes te gaan, om te laten snijden in mijn gezonde borst, om zes weken niet te kunnen sporten, om weer moe te worden. Nee, geen denken aan.

Toch zette de opmerking van de chirurg me aan het denken en na een tijdje trok ik de stoute schoenen aan en plande ik een oriënterend gesprek bij de afdeling plastische chirurgie. Dit was echter zo’n nare ervaring, dat ik het idee snel weer in de ijskast zette. Mijn borsten waren door de jaren heen door vele vrouwen- en mannenhanden betast en bevoeld, maar dat was altijd respectvol en met de juiste intentie gebeurd. De plastisch chirurg ging te werk alsof hij in de slagerij een gehaktbal stond te kneden. Ik voelde me een stuk vleeswaar dat ter keuring werd aangeboden. Ik was zo verbijsterd door zijn gedrag, dat ik met stomheid was geslagen en geen woord kon uitbrengen. Zwijgzaam verliet ik zijn kamer. Het duurde een tijdje voor de ervaring was ingedaald en ik de woorden had gevonden die ik tegen hem had willen zeggen op dat moment.

Onder invloed van lymfe therapie veranderde de harde klont in mijn borst langzaam weer in zacht en soepel weefsel. Door de hormoontherapie maakten mijn borsten een enorme groeispurt door en veranderde mijn cup D in een cup F. Het werd steeds lastiger om een geschikte bh te vinden met deze borsten waar meer dan een cupmaat verschil tussen zat. In de grote maten is een beugel gebruikelijk, maar dat klemde te veel af, waardoor het lymfeoedeem toenam. Wat overbleef waren een soort korsetten die me aan mijn oma deden denken en die helemaal niet prettig zaten. De wanhoop nabij na een uur in zo’n krap pashokje, waarbij de verkoopster telkens weer vol goede hoop een draak van een bh tevoorschijn toverde, ging ik dan toch weer overstag, kocht een duur exemplaar, deed die een middag aan waarbij ik me continue irriteerde aan het gevoel en borg het ding dan op in een verborgen lade van mijn kledingkast waar hij nooit meer uitkwam.

Afgelopen zomer rijpte dan toch het plan om mijn gezonde borst te laten verkleinen. De eerste stap was een chirurg te vinden die ik mijn borst kon toevertrouwen. Die vond ik in het Alexander Monro ziekenhuis, een ziekenhuis in Bilthoven dat zich volledig richt op de behandeling van borstkanker. De plastisch chirurg was een vriendelijke man die openstond voor al mijn vragen en twijfels, die zorgvuldig en respectvol te werk ging en die duidelijk trots was op zijn vak. Hij zei dat hij volledige symmetrie niet kon garanderen, maar dat hij zijn uiterste best ging doen om het zo mooi mogelijk te maken en de balans te herstellen. Een gedreven vakman, die honderden operaties aan borsten had verricht; precies wat ik nodig had.

Mijn vakman, door zijn vrouwelijke collega’s liefkozend bij zijn voornaam genoemd, vroeg of ik tevreden was met mijn rechterborst waar ter hoogte van de voormalige tumor een deuk zit. Beroepsmatig wilde hij mij erop attenderen dat ook die deuk te verhelpen was. Met een naald zou er buikvet worden weggezogen, dit vet zou worden gefilterd en dan vervolgens in de borst worden ingespoten. Ik verzekerde hem dat ik de rechterborst wilde houden zoals die was. Het deukje en het tien centimeter lange litteken onder mijn oksel zie ik als zichtbare tekens van mijn ervaringen in het leven. Het maakt zichtbaar wat ik heb meegemaakt in het leven, dat hoeft niet verdoezeld te worden. Dat hoort nu bij mij. De kanker is een belangrijke fase in mijn leven geweest; een fase waar ik trots op ben en die me veel heeft geleerd.

De volgende stappen in het proces waren: een verwijzing regelen via de huisarts, goedkeuring vragen aan mijn zorgverzekeraar, mijn behandelend arts informeren en vragen om informatie door te sturen en een scan regelen. Daarna werd ik op de wachtlijst geplaatst.
Het was een onzekere tijd. Ik stond vanaf half december op de wachtlijst. Had geen idee wanneer ik aan de beurt zou zijn, dat zou ik pas kort van tevoren horen. Ik wilde het risico op corona zo klein mogelijk houden, zodat de operatie geen gevaar zou lopen, want inmiddels was ik er klaar voor. Ik wilde heel graag dat het door zou gaan. Natuurlijk vroeg ik me ook wel eens af wat ik me nu weer op de hals had gehaald. Waarom wilde ik dit avontuur aangaan? Waarom risico lopen dat het lymfeoedeem zou toenemen? Waarom snijden in een gezond lichaamsdeel?  Maar toch, vanbinnen was ik vastbesloten. Ik ging dit doen. Ik wilde weer door het leven met twee min of meer gelijke borsten.

Begin februari werd ik gebeld. De operatie stond gepland voor maandag acht februari. Omdat ik het lastig vind om lang nuchter te zijn, had ik gevraagd of ik voor de ochtend ingepland kon worden. Mijn wens was gehonoreerd, ik was de eerste van die dag en moest om 07.15 uur in Bilthoven zijn.
Donkere wolken pakten zich samen boven Nederland. Wolken waaruit een flink pak sneeuw tevoorschijn kwam. Het was prachtig. Maar het maakte mijn operatie onzeker. Zouden we in de vroege ochtend in staat zijn het ziekenhuis te bereiken of zouden we ergens stranden in een sneeuwduin of de weg af roetsjen vanwege ijzel? Er was immers code rood voorspeld wegens sneeuwval en gladheid. Er werd gewaarschuwd niet de weg op te gaan als dit niet strikt noodzakelijk was.
Terwijl Frans de oprit zo goed mogelijk sneeuwvrij probeerde te maken, zodat we de volgende ochtend weg konden rijden, ging mijn brein aan de slag met noodscenario’s. Wat als we vast kwamen te zitten? Dan was het koud. Dus dekbedden en waxinelichtjes meenemen. Dan kregen we honger en dorst. Dus thermoskan warm water, thee en brood mee. Misschien moesten we ons uitgraven, dan werden we vies en nat. Dus warme, droge kleding mee.

Na een korte nacht, waarin ik telkens droomde dat ik per ongeluk iets had gegeten terwijl ik nuchter moest blijven, reden we om half zes in onze camper (want voorzien van winterbanden en met lekkere warme stoelverwarming) stapvoets door een dikke sneeuwlaag naar de snelweg. Het was verbazingwekkend druk op dit tijdstip. Welkom bij werkend Nederland. Allemaal mensen die zich door de barre omstandigheden naar hun werk begaven, extra vroeg om op tijd te komen. Soms was het wegdek zwart, dan weer vol stukken bevroren ijsklonters, waar we stapvoets overheen reden in een lange, trage kolonne van voertuigen. Mijn noodvoorziening hadden we niet nodig. Veilig bereikten we precies op de afgesproken tijd het Alexander Monro ziekenhuis.

Al snel werd ik klaargemaakt voor de operatie. Het hele operatieteam had het gered om op tijd aanwezig te zijn. De chirurg tekende met een zwarte viltstift allerlei vlakken op mijn borst, waarbij hij uitlegde wat zijn overwegingen waren. Ik vertelde de anesthesist nogmaals dat ik lymfeoedeem heb aan mijn rechterarm en dat ik daarom geen infuus of bloeddrukmeting aan mijn rechterarm wilde. Gelukkig was ik nog helder genoeg om waar te nemen dat ze dit aansloten op mijn linkerarm.

Het eerste wat ik merk is dat er iets uit mijn keel word getrokken. Een heel onprettig gevoel. Verder lijkt het alsof mijn ledematen nog verdoofd zijn, ik kan ze niet bewegen. Ik merk wel dat mijn rechterarm hoog is weggelegd en in gedachten deel ik een punt van waardering uit voor het operatieteam. Ze hebben goed zorggedragen voor mijn lymfeoedeem arm. Als ik mijn ogen open is het alsof ik op een deinend schip op volle zee ben. De verkoeverkamer golft op en neer en ik heb moeite om scherp te stellen. Ik sabbel op een waterijsje maar heb moeite met slikken, mijn keel lijkt nog verdoofd. Af en toe komt er een verpleegkundige naar me toe om te vragen hoe het met me gaat. Ze houden me twee uur langer op de verkoeverkamer omdat ik telkens moet braken. Als ik mijn ogen open of mijn hoofd een beetje beweeg is het  alsof ik in een zweefmolen op de kermis zit waar ik heel graag uit wil.

Eind van de middag word ik naar een ruime kamer met uitzicht op een besneeuwd boslandschap gebracht. Een prachtig gezicht. Jammer dat ik niet optimaal kan genieten van deze luxe hotelsuite met eigen badkamer. Ze hebben me de mooiste kamer van het hele ziekenhuis gegeven en ik mag een nachtje blijven, omdat ik me zo beroerd voel. Heel voorzichtig drink ik twee glaasjes water, een kopje thee en eet drie rijstkorrels. Dan komt alles er weer uit.
Het braken lucht wel op en rond zeven uur begin ik me een beetje beter te voelen. Ik lig nog aan een infuus met pijnstilling. Frans mag vannacht gezellig in het bed naast mij slapen. Om half twaalf komt de nachtzuster kennismaken. Als ze vraagt of ze iets voor me kan doen, vertel ik haar, dat ik een visioen heb van een beschuitje met suiker. Ze zijn hier ontzettend vriendelijk en leggen me echt in de watten. Even later staat mijn wens voor mijn neus. Het is het lekkerste beschuitje met suiker dat ik ooit heb gegeten.

Omdat ik nog wat wiebelig op de benen sta begeleidt Frans me naar het toilet. Op de terugweg vergeet ik helemaal de infuuspaal mee te nemen, gelukkig is Frans alert en sleept de paal op wieltjes snel achter me aan.

Om half zeven wordt het ontbijt geserveerd. Als ik me daarna wat opfris in de badkamer trek ik voorzichtig het elastische steunverband waarin ik verpakt zit naar beneden en werp een eerste blik op de borst. De wonden zijn afgeplakt met smalle pleisters waar op sommige plaatsen wat bloeddruppels doorheen komen. Verder wat bloeduitstortingen bij mijn oksel. Ik vind de borst er vreemd bol uitzien en allerminst bescheiden van formaat. Wanneer de chirurg even later de borst komt controleren, zie ik aan zijn ogen dat hij gekrenkt is in zijn beroepstrots als ik zeg dat ik de borst nog behoorlijk groot vindt. Hij vertelt dat er nu nog vocht in de borst zit, dat moet langzaam wegtrekken. De komende maanden gaat de borst pas zijn definitieve vorm krijgen. Hij heeft zijn uiterste best gedaan de borsten ongeveer van gelijke omvang te maken, zodat ik aan beide zijden weer dezelfde cupmaat heb. Hij heeft tweehonderddertig gram weg weggehaald. Dat is behoorlijk veel verzekert hij me. Ik zie direct een pakje roomboter voor me, met van die kleine streepjes na iedere vijftig gram. Bijna een heel pakje boter eraf, dat is inderdaad best veel. Een gewicht dat ik niet meer iedere dag hoef mee te dragen, dat niet meer aan mijn schouder trekt of diepe gleuven achterlaat in mijn huid.

 

 

 

 

 

De verpleegkundige koppelt het infuus af en helpt me in een zwachtel bh die ik zes weken lang dag en nacht moet dragen om de borst te ondersteunen. Ook krijg ik een lijstje met do’s and don’ts mee voor de komende zes weken: niet rekken, niet bukken, niet tillen, niet sporten, niet stofzuigen of ander ‘zwaar’ huishoudelijk werk, de arm niet boven de schouder uit laten komen, op de rug slapen, wandelen en oefeningen om de schouder soepel te houden.
Dan rijden we door een prachtig besneeuwd landschap met blauwe lucht naar huis. Frans heeft het bedbankje in de kamer uitgeklapt, zodat ik liggend op mijn rug kan genieten van de sneeuw en de vogeltjes die zich vrolijk te goed doen aan de vetbolletjes en de pindakaas.

 

 

 

 

 

Het herstel verloopt voorspoedig. Af en toe maak ik een verkeerde manoeuvre en krijg ik een pijnscheut, maar over het algemeen heb ik geen pijn. De borst ziet er bont en blauw uit; het blauwpaars verandert langzaam in geel. Alleen het op mijn rug slapen is lastig; het veroorzaakt rusteloze benen. Om de paar minuten trekken mijn benen in een onwillekeurige, spastische beweging samen waardoor ik niet in slaap kan komen. Afgelopen nacht duurde het tot vier uur in de ochtend voor ik in slaap viel. ’s Nachts spook ik dan door het huis. Ik loop rondjes in de woonkamer om extra moe te worden of probeer het matras van het logeerbed uit, maar ik heb nog niets ontdekt wat helpt. ’s Ochtends heb ik zo’n pijn in mijn rugspieren van het in één positie liggen dat Frans me als een oud wijf uit bed moet takelen.

Ondanks deze kleine ongemakken ben ik blij met mijn gedeeltelijke ontboezeming. Ik denk dat ik er nog minstens dertig jaar plezier van ga hebben.

 

Fietstocht langs de Maas

Het begon op een zonnige woensdagmiddag toen ik na lange tijd weer eens samen met Margo een fietstocht maakte. We reden op het fietspad langs de IJssel tussen Doesburg en Keppel. Margo vertelde over haar droom om ooit nog eens de ‘Groene weg naar de Middellandse zee’ te fietsen. ‘Ja’, stemde ik met haar in, terwijl mijn avontuurlijke fietshart sneller begon te kloppen: ‘het lijkt me geweldig om na weken fietsen aan te komen bij de Middellandse zee.’
Het plan was snel gemaakt. We zouden een paar dagen gaan proefdraaien in Nederland. Kijken of het fietsen met bepakking en het kamperen in een lichtgewicht tentje me zouden bevallen en of we elkaars gezelschap ook na een paar dagen fietsen nog konden waarderen. De keuze viel uiteindelijk op de nieuwe Maasroute. Een bewegwijzerde route tussen Maastricht en Rotterdam, waarbij we vanaf Gennep zouden afbuigen naar het oosten.

De route van 250 kilometer zouden we afleggen in vier dagen. Margo is gewend om 100 kilometer per dag te fietsen, maar voor mij hebben we de afstand aangepast naar zo’n 60 tot 65 kilometer per dag. Margo zou ook haar tempo, dat een stuk hoger ligt dan dat van mij,  aan mij aanpassen. Onder deze voorwaarden durfde ik het avontuur wel aan.

Enthousiast begon ik te wroeten in onze oude, lang niet gebruikte kampeerspullen op zolder. Zo vond ik de fietstassen die Frans en ik in 1986 hadden aangeschaft voor onze eerst vakantie samen: een fietsvakantie. Ik herinner me nog de pittige heuvels van Zuid-Engeland waar we met onze drie versnellingen fietsen tegen op probeerden te trappen. De stevige zeewind altijd pal in ons gezicht. De dagen vol regen, waarbij het water sopte in onze schoenen. De keren dat ik zo moe was, dat ik de fiets vol nijd in de berm smeet. Wat is er ook weer zo leuk aan fietsen?

Ik kwam er al snel achter dat de tentjes die we hadden te groot waren voor op de fiets, de slaapmatjes te dun voor mijn rug en de slaapzakken te pompeus en dik om mee te nemen. Margo regelde voor mij een lichtgewicht slaapmatje en een minuscuul, opvouwbaar stoeltje. Het tentje leende ik van mijn zus.
Ik verzamelde alle spullen die ik mee wilde nemen op de eetkamertafel en woog zorgvuldig af wat beslist mee moest en wat eventueel kon afvallen. Ik wilde zo licht mogelijk reizen, maar ook geen noodzakelijke dingen moeten missen. Op de dag van vertrek zette ik de fiets in de woonkamer, bevestigde de oude fietstas op de bagagedrager, verpakte alles in plastic diepvrieszakjes en was blij verrast dat alles er met enig proppen in paste.

Frans was bereid om Margo en mij, op zijn tocht naar de Franse Alpen, af te zetten bij het beginpunt van onze reis in Maastricht. Met de fietsen achterop en de camper volgeladen met fietstassen en paraglidersspullen reden we richting het zuiden. Ik had een camping geboekt aan de Maas in het plaatsje Eijsden, net onder Maastricht. Margo zette haar ronde, lichtgewicht tentje op en presenteerde een heerlijke maaltijd met wraps, pasta en groente. Dat was genieten.

’s Nachts had ik het voor het eerst in jaren weer eens koud. Bibberend lag ik in mijn lakenzak onder een fleecedeken, want de dikke slaapzak had ik niet meegenomen. Nu kon ik nog lekker warm tegen Frans aan kruipen, maar hoe zou dat de komende nachten gaan, als ik alleen in mijn tentje zou liggen koukleumen?

 

Fietsdag 1 – Eijsden – Maastricht – Ohé en Laak – Grathem

Na een stevig ontbijt en een kop thee, nemen we afscheid van Frans en stappen we op onze fietsen. Een beetje onwennig rijd ik de camping af. Twee fietstassen aan de zijkant van de voorwielen en een grote fietstas achterop maken dat mijn fiets aanvoelt als een moeilijk bestuurbare mammoettanker. Het fietspad tussen Eijsden en Maastricht is recht en rustig met uitzicht op de Maas. Het helpt om te wennen aan het fietsen met bepakking en aan de schoenen met kliksysteem die ik voor het eerst op de trekking bike aan heb.

We zijn al snel in Maastricht en Margo vraagt of ik al toe ben aan een koffiepauze, maar eigenlijk zit ik net lekker in het ritme, dus fietsen we door. De tocht gaat voor een deel door de stad en kruist een aantal bruggen, waarbij we even flink moeten aanzetten om boven te komen. Het is bewolkt maar droog. Volgens de buienradar kan er wat lichte regen vallen.
We passeren de pittoreske plaatsjes Borgharen en Itteren en fietsen door een natuurgebied met woeste runderen en weides vol wilde, bloeiende bloemen.

Bij Brommelen gaan we de Maas weer over. Het is een steile klim omhoog, mijn snelheid is laag en als Margo onverwachts moet afstappen om een groepje wielrenners voorrang te verlenen, val ik helemaal stil. Eén moment sta ik in balans, dan val ik om. Vergeten dat ik mijn schoenen had vastgeklikt. Op het laatste moment probeer ik nog los te klikken, maar bij een te lage snelheid lukt dat niet meer. Wielrenvrienden hadden me er al voor gewaarschuwd: vroeg of laat valt iedere wielrenner een keer, omdat hij vergeet zijn schoenen op tijd los te klikken.
Ongelukkig lig ik onder mijn fiets met mijn rechtervoet nog vastgeklikt, hangend in de lucht. Eén van de wielrenners maakt de schoen los, een ander tilt de fiets van me af en trekt me met zijn uitgestoken, corona hand, zoals hij grapt, omhoog. Met wat schaafwondjes en blauwe plekken op ellenboog, heup en knie stap ik nog een beetje bibberig van de schrik weer op de fiets.

Het waait stevig. Maar we hebben de wind in de rug en worden bijna als vanzelf vooruit geblazen. Het landschap is afwisselend met kleine dorpjes, woeste weidegebieden met wilde grazers, oude bomen en kolken.
Aan mijn slappe benen merk ik dat een hongerklop op komst is en ik tip Margo dat het tijd is voor een lunchpauze. Op een stenen muurtje genieten we van crackers met smeerkaas, een muesli bol, verse dadels en een appel, terwijl de donkere wolken boven ons hoofd voorbij razen in de lucht. Voor de zekerheid hebben we ons regenjasje aangetrokken, maar we houden het droog.
De tocht gaat verder via Urmond, Obbicht en Illikhoven naar Roosteren waar we neerstrijken op een terrasje voor een kopje thee met waarschijnlijk de laatste aspergesoep van het jaar. Dat is genieten, zeker nu de zon doorbreekt.
Met de zon en de wind in de rug vliegen de kilometers voorbij en voor we het in de gaten hebben arriveren we in Ohé en Laak waar we eigenlijk hadden willen overnachten. Maar het is pas twee uur ’s middags en het voelt nog iets te vroeg om te stoppen. We hebben nog zin om door te gaan en laten de leuke minicamping met enige weemoed aan ons voorbij gaan.
De Maas maakt hier een bocht en we krijgen te maken met tegenwind. Het tempo gaat snel omlaag en het lichte trappen verandert voor mij in zwoegen. Moegestreden tegen de wind komen we aan in Stevensweert waar we even stoppen om een plan te maken voor onze overnachting. Voor een camping moeten aan de overkant van de Maas zijn, nog een kilometer of tien te gaan. Omdat we niet zeker weten of we in de kleine dorpjes nog een supermarkt tegenkomen, doen we inkopen in het iets grotere Maasbracht. Dat wil zeggen, ik ga uitgeteld op een bankje liggen en Margo gaat de supermarkt in.
Via de app Campy heeft Margo twee campings geselecteerd. We kiezen beiden unaniem voor de kleine minicamping in Grathem in plaats van de camping bij de jachthaven in Wessem. Margo leidt ons via de kortste route naar de camping. Een prachtige route via onverharde zandpaden, bosrijke kronkelwegen en een recreatieplas. Ik heb inmiddels behoorlijk last gekregen van mijn linkerknie, maar de camping is in zicht. Rond een uur of vier arriveren we bij een leuke hoeve met geel met groen geschilderde deuren en luiken. Er staat een picknick tafel met bloemen voor ons klaar om aan te koken en we kunnen onze tentjes op een beschut plekje zetten met uitzicht op een weide met alpaca’s. Een grote bruine alpaca met een witte kop komt bij het hek staan en kijkt ons brutaal aan. ik ben even bang dat hij gaat spugen, maar hij blijft ons alleen nieuwsgierig observeren.

De tent van mijn zusje kenmerkt zich door oneindig veel haringen. Gelukkig krijg ik hulp van Margo die haar tentje in een mum van tijd heeft staan. Na een aperitiefje en een warme douche voel ik me weer een heel ander mens. Op haar één pits brandertje en met haar nieuwe pannenset tovert Margo een smakelijke pastamaaltijd tevoorschijn. De gastvrouw van de camping komt een praatje maken en informeert ons over de beverkolonie die hier huist. De bevers hebben een ondergronds nest dat half onder water zit, rond een uur of negen worden de bevers meestal actief en heb je kans om ze te spotten. Dus wandelen we even later via de achterkant van de camping richting de beek met dotterbloemen waar de bevers wonen in hun ondergrondse vesting. We hebben geen geluk, de bevers laten zich niet zien en ook de ijsvogeltjes die hun nestjes bouwen door gaten te maken in de lemen oever houden zich schuil voor ons. Later die avond vertelt de gastvrouw dat ze een bever heeft gezien in een ander deel van de beek.

Zelfs met al mijn kleren aan heb ik het nog koud in de tent. De wind waait ongenadig hard en het tocht in de tent. Ik sluip naar buiten en probeer de buitentent dichter bij de grond te krijgen, zodat de wind er niet onderdoor kan waaien. Dat helpt wel iets, maar toch slaap ik die nacht niet echt lekker, omdat ik lig te bibberen. Les één: neem altijd een slaapzak mee, ook al denk je dat het warm genoeg is, buiten slapen is een stuk kouder dan binnen in een gebouw.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fietsdag 2 – Grathem – Roermond – Venlo – Lottum

De tentjes ingepakt en ontbeten met kwark en muesli in het ochtendzonnetje. De omgeving van Grathem is prachtig en ik zou er echt van hebben kunnen genieten als ik niet zo’n pijn aan mijn knie had gehad. Via de recreatieplas waar een ‘pretpark voor duikers’ is ondergebracht (een onderwater wereld met bussen, boten en huizen waar duikers zich in uit kunnen leven), zoals de gastvrouw van de camping ons vertelde, fietsen we richting Beegden en Horn waar we via een lange brug de Maas oversteken en in het centrum van Roermond uitkomen. Tijd voor een bakje koffie.

Mijn knie blijft opspelen. Ik merk dat ik niet meer zo alert ben in het verkeer, omdat ik gewoon geen zin heb om af te stappen en weer opnieuw gang te moeten maken. Doortrappen doet pijn. Ik denk dat het een overbelaste pees is. Margo oppert dat het misschien toch van de val van gisteren is en adviseert een pijnstiller en daarnaast om een paar versnellingen lichter te gaan trappen, zodat de knie zo min mogelijk wordt belast. Misschien heb ik gisteren met de tegenwind te zwaar getrapt, mijmer ik in mezelf, en ook het telkens op gang komen met de bepakking is zwaar.

De pijnstiller lijkt te helpen, we raken in een leuk gesprek verwikkeld en de kilometers glijden onder onze banden door. Op een bankje met uitzicht op een kwakende kikkerpoel nuttigen we onze lunch. Het is droog en er schijnt een voorzichtig zonnetje. Bij Beesel steken we met een wit pontje het water over naar Kessel en bij Baarlo gaan we weer met een pontje naar het aan de overkant gelegen Steyl. Van daaruit gaat het richting Venlo, maar niet voordat we op een terras hebben geproefd van een echte Limburgse vlaai. In Venlo stoppen we om een kijkje te nemen in een kapelletje met brandende kaarsjes. Van Venlo gaat het naar Grubbenvorst en door naar Lottum waar het heerlijk geurt naar rozen. Rond een uur of vier arriveren we bij camping de Rozenhof.

Donkere wolken pakken zich samen. De buienradar voorspelt heftige buien. We besluiten de eigenaar van de camping te vragen of we vannacht onze matjes in de recreatieruimte mogen leggen. Dat heeft als voordeel dat we morgen niet in de stromende regen alles in hoeven te pakken en dat onze tentjes droog blijven. De eigenaar kijkt ons even peinzend aan en zegt dan dat hij even iets aan zijn vrouw moet vragen. Ons enigszins verrast achterlatend loopt hij weg. Even later komt hij terug. We mogen voor € 35,- in een zespersoons huis overnachten als we ons eigen beddengoed gebruiken. Superdeal.

Omdat het zo kan gaan regenen fietsen we eerst naar Lottum centrum om inkopen te doen voor ons avondeten en ontbijt. Lottum heeft alleen een bakkerij en een snackbar. Het meisje bij de bakker is bijzonder behulpzaam en geeft ons behalve broodjes ook plakjes kaas en boter mee voor ons ontbijt. Bij de snackbar scoren we een frietje dat Margo in haar rugzakje meeneemt. En zo zitten we even later aan een grote houten tafel met friet met smakelijke kip curry saus van Hak. Ons toetje is een sappige nectarine en een kop thee met een stroopwafel.

Na de warme douche wandel ik wat over het terrein van de camping. De heftige buien zijn nog niet gearriveerd. Voor ons huis is een mooie rozentuin, er zijn kassen met groenten en kruiden waar een gezellig zitje is gemaakt om te lezen en te mijmeren zo staat er geschreven op een bordje. Overal scharrelen kippen rond, voor de liefhebbers is er een groot schaakbord en er is een konijnenheuvel met grote hangoor konijnen die ik natuurlijk even wil aaien. Wat bijzonder dat we op deze fijne plek zijn uitgekomen.

De avond brengen we door met het spelen van Punto, een tactisch kaartspel en Wordfeud. Het is een genot om in een warm en zacht bed te liggen, terwijl de regen tegen de ramen slaat. We zijn zo blij dat we warm en droog de nacht door kunnen brengen en morgen zien we wel weer verder.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fietsdag 3 – Lottum – Bergen – Boxmeer –  Gennep – Plasmolen

Tussen negen en tien in de ochtend trekt een front over met pittige buien, daarom slapen we lekker uit, kijken foto’s liggend op onze rug in bed en geeft Margo me een aantal handige tips op het gebied van social media. Rond half elf trekken we onze regenkleding aan en stappen wederom bepakt op de fiets. In Broekhuizen pakken we de Maasroute weer op. We fietsen nu door een tuinbouw gebied. Er valt een lichte regen, mijn knie is een beetje stijf en pijnlijk, maar toch geniet ik van het fietsen.

Bij Blitterswijck wacht ons weer een pontje. Het veer ligt er verlaten bij. We willen net aan de bel trekken als de veerman verontschuldigend aan komt lopen. Hij was even een bakje koffie drinken. Hij vertelt dat hij tussen Venlo en Gennep de Maasroute heeft gecontroleerd, dus de bewegwijzering moet tiptop in orde zijn. Fijn dat er vrijwilligers zijn die dit werk doen. Wat leven we toch in een heerlijk land.
In een klein dorpje vinden we een lunchroom waar we gastvrij worden onthaald. We pellen onze natte kleding uit en hangen deze te drogen over de leuning van een stoel. We zijn de enige gasten. De courgettesoep met spekjes gaat er goed in. Nog een cola voor de suikers en dan springen we weer op de fiets. Het is droog, maar de donkere wolken om ons heen voorspellen weinig goeds.
We zijn omringd door zwarte luchten, maar tot onze verbazing fietsen we nog steeds zonder regen. En dan ineens barst het los. Ik voel het water via mijn hals naar binnen stromen, langs mijn borstkas omlaag, mijn zeem loopt vol, mijn voeten soppend in mijn schoenen, nat tot op het bot.
Het is zo extreem dat het grappig is. Even later ga ik naast Margo fietsen met een brede grijns op mijn gezicht, ik heb de neiging om keihard één of ander flauw liedje te gaan zingen. ‘Je kunt nog lachen’, zegt Margo verbaasd.
‘Wil je stoppen?’, vraagt Margo. Ik kijk om me heen. We fietsen door een verlaten landschap met weiden en akkers. Ik fiets liever door dan dat ik hier in de stromende regen onder een lekkende boom ga staan. Met fietsen blijf je tenminste warm en erger dan dit kan het niet worden.
‘Grote, diepe plas’, waarschuwt Margo me. Lachend fiets ik er dwars doorheen. Alles is toch al kletsnat en de tijd dat ik een eind achter Margo bleef fietsen, omdat haar achterwiel water en modder omhoog spatte is al lang voorbij.
Het scheelt dat de temperatuur goed is. We naderen weer een pontje. De schipper ziet ons aankomen in de stromende regen en wacht op ons voor hij naar de overkant vaart.
We fietsen door nationaal park de Maasduinen over fietspaden omringd door heggen en bossen. Bij een stenen kapelletje stoppen we. Een kleine schuilplaats om even iets te eten en uit te rusten. Er staat een mooie houten bank in waar we op kunnen zitten. Het kapelletje is splinternieuw; gebouwd in 2020 het jaar van de coronacrisis, door een moslim, een katholiek en een protestant om de eenheid te gedenken van al wat leeft, zo staat er geschreven op een bordje in de vorm van een vlinder. Onder de indruk van de ‘vlinderkapel’ delen we onze laatste muesli bol.

‘Ik moet even stoppen, mijn band maakt een vreemd geluid, ik denk dat er een steentje in zit’, zegt Margo. Even later stapt ze op de fiets en begint als een razende te trappen. ‘Shit, ik heb een lekke band’, roept ze. Net tevoren had ik nog gezegd, dat ik fietsen op de trekking bike zo fijn vind, omdat je vrijwel nooit een lekke band krijgt….
We verlaten de Maasroute en gaan richting Sambeek op zoek naar een fietsenmaker. Een vriendelijke bewoner vertelt ons dat we voor de dichtstbijzijnde fietsenmaker in Boxmeer moeten zijn. Ik fiets vast vooruit om de hulptroepen in te schakelen en Margo volgt lopend met haar fiets in de hand. In de winkelstraat van Boxmeer vind ik al snel een grote fietsenzaak. Wanneer ik aan kom rijden knijp ik hard in de remmen en val om. Voor de tweede keer deze week lig ik op het asfalt met mijn fiets boven op me. Ik kijk in het verschrikte gezicht van een oudere vrouw die me helpt de fiets overeind te tillen. ‘Kijkt u toch alsjeblieft uit’, smeekt ze me bijna. Ik voel mijn heup en ellenboog branden.
Mijn linkerschoen was ongemerkt vastgeklikt aan het pedaal en toen ik af wilde stappen, lukte dat niet. Mijn voeten waren door de regen zo gevoelloos geworden dat ik niet meer kon voelen of ik nu wel of niet vast zat.
Ik trek mijn regenkleding uit en loop de winkel binnen. ‘Geen probleem, dat bandje plakken we direct voor u.’ Ik opperde nog voorzichtig of ze ook een mobiele service hadden en ze Margo misschien tegemoet konden rijden, maar dat zat er niet in. Toen ik belde om het goede nieuws door te geven, kreeg ik een opgetogen Margo aan de  lijn, ze was er al bijna. Niet lang daarna zag ik haar blauwe jasje de hoek omkomen. De fietsenmaker zette mijn zadel, dat door de val scheef was komen te staan, weer recht en hing de fiets van Margo in de touwen. Een jonge jongen zette er een nieuwe binnenband in en we konden onze tocht zonder al te lang oponthoud weer vervolgen. Er scheen inmiddels een waterig zonnetje en wij waren in de warme fietsenwinkel weer een beetje opgedroogd.
Op een bankje in Gennep overlegden we over onze laatste overnachtingsplaats. We kozen voor camping de Geuldert in Plasmolen. Omdat we niet zeker wisten of we nog winkels tegen zouden komen, deden we voor de zekerheid boodschappen in Gennep. Bij het schoonmaken van het winkelwagentje spoot ik per ongeluk een man nat met de ontsmettingsvloeistof. Hij had zelf niets in de gaten, maar zijn hele blouse was nat. Een vrolijke dame kon er wel om lachen. ‘Een dag niet gelachen, is een dag niet geleefd’, fluisterde ze ons toe in het voorbij gaan.

We trakteren ons op een flesje rode wijn en toastjes met Franse kaas, dadels en gekruide amandelen. De slaapzak en andere natte spullen hangen te drogen in de zon, wij zitten op onze ministoeltjes te genieten. Het was ondanks de regen een hele leuke dag. We sluiten af met een kleurrijke groente maaltijd met kipfilet en quinoa.

Vannacht is het niet koud, maar nu is er weer iets anders dat me uit mijn slaap houdt. Een oude, dove, rokende man heeft de televisie in zijn voortent keihard staan. Ik kijk op mijn mobiel. Het is kwart voor één ’s nachts. Niks, lekkere rustige minicamping, denk ik chagrijnig. Wat ga ik doen? Opstaan en vragen of het zachter mag of het geluid negeren en proberen in slaap te vallen? Ik ga eerst naar het toilet. Als ik terugkom, sta ik even besluiteloos voor de dichte voortent te luisteren naar het lawaai dat daar vandaan komt. Ik zie vaag de blauwe lichten van een televisie, maar ik zie geen persoon. Ik heb eigenlijk niet zoveel zin om in mijn nachtkleding een vreemde tent binnen te dringen om te vragen of het zachter mag, dus sluip ik weer terug naar mijn tentje en ga op mijn zij liggen met de deken over mijn oor getrokken. Weldra val ik in slaap. De volgende ochtend hoor ik dat Margo ook last had van het lawaai, maar dat het rond één uur was gestopt.



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dag 4 – Plasmolen – Sint-Jansberg – Millingen aan de Rijn – Babberich – Doetinchem

We worden opgeschrikt door een telefoontje; de man van Margo heeft een motorongeluk gehad. De motor heeft flink wat schade, maar gelukkig is hij er met een gebroken teen vanaf gekomen. Dat betekent dat Margo morgen en de komende dagen de winkel moet draaien. Bij het ontbijt bekomen we van de schrik en praten nog wat na.
Margo haalt de clips onder mijn schoenen vandaan, zodat ik – als ik nog eens val – in ieder geval niet de schoenen de schuld kan geven.

Net na Plasmolen wacht de uitdagende Sint Jansberg op ons. In een uiterst licht verzet klim ik omhoog. Ik heb er lol in. Mijn knie doet het goed vandaag. Rondom Groesbeek is het druk op de wegen, de auto’s rijden hard en ik vind het irritant dat ik telkens moet inhouden om achter Margo te komen als er een auto aankomt en daarna weer moet aanzetten. Ik kom zo niet lekker in een ritme. In Duitsland is het rustiger en kunnen we weer naast elkaar op het fietspad rijden.
Uit het weiland net naast het fietspad stijgt gracieus een ooievaar op, met zijn vleugels wiekend en zijn lange zwarte poten gestrekt naar achteren vliegt hij net voor ons langs, op weg naar een hoog nest waarop nog twee andere ooievaars staan.

In Millingen aan de Rijn stoppen we op een pleintje. We zijn op zoek naar een leuke lunchplek. ‘Zullen we naar de Millinger theetuin gaan?’, vraagt Margo. Ik stem enthousiast in. Het is wel vijf kilometer van de route, dus in totaal fietsen we er tien kilometer voor om, maar dat hebben we er wel voor over.  Ik ben al wel eens in de theetuin geweest, maar dat is lang geleden. Margo ziet altijd bordjes staan als ze in dit gebied fietst en is nieuwsgierig. We hebben wind tegen, maar de route is mooi.
Bij de theetuin aangekomen blijkt dat we entree moeten betalen, dat is een beetje een afknapper. We willen alleen even lekker lunchen en dan weer verder. Omdat er verder in de omgeving niets is aan horeca, gaan we toch naar binnen. Het ‘Muharadha’ broodje met geroosterde paprika, granaatappelpitjes en feta smaakt heerlijk en maakt veel goed. Margo vindt dat je in een theetuin toch op z’n minst losse thee zou moeten krijgen en geen thee uit een zakje. Misschien iets voor haar dochter die thee sommelier is.

Met de wind in de rug fietsen we over de dijk en pakken de pont van Millingen naar Pannerden over de Rijn. De Maas hebben we gisteren bij Gennep achter ons gelaten. Vanaf toen zijn we overgestapt op een knooppuntenroute die Margo van te voren al heeft gedownload op haar mobiel. Het is een drukke vaarroute en we moeten even wachten op een groot vrachtschip dat passeert. De pont gaat flink schommelend naar de overkant en we moeten ons goed vasthouden.

We fietsen weer in bekend terrein, langs watersport gebied de Bijland, het dijkje van Babberich en landgoed Halsaf, langs Beek en de Montferlandse bossen. Bij de waterskibaan in Braamt nemen we nog een drankje en dan splitsen zich onze wegen.

Thuisgekomen pak ik de klamme spullen uit de fietstassen, hang de tent te drogen en stop de wasmachine vol. En dan heerlijk in een bad met arnica olie om mijn stramme spieren en gewrichten te verwennen. In bad dommel ik een beetje in slaap.
Ik twijfel, maar ik pak toch de auto in plaats van de fiets,  als ik weer schoon en fris op weg ga naar Margo voor een heerlijke Thaise maaltijd en nabespreking van ons avontuur. Het fietsavontuur is goed bevallen en smaakt naar meer. Nieuwe plannen zijn al in de maak. Op naar de Middellandse zee.

Geluk in tijden van corona

Nu het coronavirus over de hele wereld uitwaaiert, de intensive care afdelingen in ziekenhuizen volstromen en we afstevenen op een economische crisis, maken veel mensen zich zorgen over de gezondheid van hun geliefden of hoe ze het hoofd boven water moeten houden nu er geen inkomsten meer zijn. In tijden van crisis staat ons geluk onder druk. Maar wat is geluk eigenlijk?

Lange tijd dacht ik dat geluk iets ongrijpbaars was, iets dat je onverwachts kon overvallen. Zomaar gelukkig. Kleine momentjes van geluk die me overstroomden bij de glimlach van een bekende op straat, bij een mooie zonsondergang of tijdens een goed gesprek met vrienden. Inmiddels noem ik deze vorm van geluk: het kleine geluk. Het is het geluk dat je tegenkomt in alledaagse dingen. Het genieten van een kopje thee, plezier beleven aan het kijken naar een mooie film of luisteren naar ontroerende muziek. Deze vorm van geluk kan je spontaan overvallen, maar je kunt het ook een handje helpen. Dit kun je doen door bewust stil te staan bij de kleine dingen die jou blij maken, door dankbaar te zijn voor al het moois in je leven. Door je aandacht te richten op de fijne en mooie dingen die er naast alle zorgwekkende corona ontwikkelingen in de wereld zijn, ontstaat er bijna als vanzelf een glimlach van geluk op je gezicht.

Naast klein geluk bestaat er wat ik westers geluk noem. Het stapje voor stapje toewerken naar een doel dat je wil bereiken. Het is wetenschappelijk onderzocht dat het hebben van een doel mensen gelukkig maakt. Het motiveert en geeft voldoening om ergens mee bezig te zijn, om iets te creëren. Een doel voor ogen hebben geeft richting en structuur aan het leven en dat valt voor veel mensen weg nu het coronavirus mensen hen aan huis gekluisterd houdt. Het coronavirus zet een streep door veel sportieve, sociale en carrière gerichte doelen. De maatregelen om het virus in te dammen zetten het hele leven op zijn kop. Alles is anders. De vraag is hoe kunnen we ons soepel en creatief aan de nieuwe situatie aanpassen? En dan komen we uit bij wat ik noem de oosterse manier van geluk noem.

De oosterse wijze van geluk ziet het leven als een stromende rivier waarin je je kunt laten meedrijven. Onderweg kom je van alles tegen. Verzet je je tegen wat de rivier van het leven je brengt dan ervaar je lijden. Kun je zonder oordeel en met verwondering kijken naar alles wat er gebeurt in je leven dan ervaar je een innerlijke staat van geluk, die je ook vrede zou kunnen noemen. Accepteren is het sleutelwoord. Er het beste van maken, gegeven de omstandigheden. Er de voordelen van inzien. Elke crisis biedt ook een kans. Een mogelijkheid om eens iets heel anders te ervaren, om je creativiteit aan te boren, om het leven vanuit een ander perspectief te bekijken.
Ook de coronacrisis biedt kansen. Het thuiswerken geeft nieuwe technologieën een impuls, we brengen meer tijd door met ons gezin en we krijgen tijd en ruimte voor activiteiten waar we anders niet aan toekomen.

Tot slot is er nog een diepere laag van geluk. Geluk dat verbonden is met zingeving en van betekenis zijn voor anderen. De grootste staat van geluk ervaren we als we het gevoel hebben ergens deel van uit te maken en wanneer we iets kunnen bijdragen aan het geluk van anderen. Daarom zie je nu zulke mooie initiatieven ontstaan. Natuurlijk de medewerkers in de zorg die zich met hart en ziel inzetten om mensen te verzorgen en weer beter te maken. Muzikanten die hun muziek gratis aanbieden ter inspiratie, of die optreden om ouderen een hart onder de riem te steken, bloemisten die gratis bloemen laten bezorgen, restaurants die heerlijke maaltijden bereiden en laten bezorgen bij kwetsbare mensen die zelf geen boodschappen kunnen doen. Heel ontroerend vind ik ook het initiatief van medewerkers van een Spaans verzorgingstehuis, die zich samen met de bewoners opsluiten in het tehuis om er zo voor te zorgen dat het coronavirus buiten de deur blijft. Ze gaan ’s avonds niet terug naar hun eigen huis, maar blijven vierentwintig uur per dag bij de bewoners. Een vrijwillige en volledige lock down om de kwetsbare ouderen waar ze voor werken te beschermen.

We realiseren ons door de coronacrisis wat echt belangrijk is in ons leven. De verbinding met onze geliefden, er voor elkaar zijn. We voelen weer tot in het diepst van ons hart hoe belangrijk contact met anderen voor ons is nu dat niet meer vanzelfsprekend is.
Blijf gezond. Blijf verbonden. Creëer momentjes van geluk voor jezelf en anderen.

Muziek voor je brein

In de krant viel mijn oog op een advertentie. Muziek voor je Brein – pianolessen voor volwassenen stond er. Nu koesterde ik al jaren een stille wens om eens in mijn leven nog een keer piano of gitaar te leren spelen. Toch ben ik nooit naar een muziekleraar of de muziekschool gestapt. Die drempel vond ik gewoon te hoog. Bovendien was ik stiekem toch een beetje bang dat ik hiervoor al te oud zou zijn of niet muzikaal genoeg.
In de advertentie stond echter nadrukkelijk dat je geen enkele muzikale ervaring nodig had om te kunnen starten en de cursus van tien lessen was speciaal bedoeld voor mensen boven de vijfenvijftig jaar. Kortom, ik herkende me helemaal in de doelgroep, ook al had ik de gewenste leeftijd nog niet bereikt. Ik kon me vast wel een jaartje ouder voordoen dan ik was…

Nu wil het toeval dat ik een vriendin sprak die mijmerde dat ze ooit nog eens piano wilde leren spelen. Enthousiast vertelde ik haar van de cursus die ik had gezien en dat ik net als haar de wens had om piano te leren spelen. En zo kwam het dat we samen op een zaterdagochtend in Wijk bij Duurstede bij muziekwinkel van Ginkel stonden. De bevlogen eigenaar liet ons de klanken van verschillende elektrische piano’s horen, terwijl wij geobsedeerd naar zijn soepel bewegende vingers keken. Er ging een hele, nieuwe wereld voor ons open.
Een uurtje later hadden we onze keuze gemaakt, het huurcontract ondertekend en probeerden we twee elektrische piano’s, twee standaarden en twee pianokrukjes in de auto te stouwen. Wat uiteindelijk ook lukte. We konden niet wachten om te beginnen met oefenen, want de avond ervoor hadden we onze eerste les gehad.

Het leren spelen van een instrument stimuleert onze hersenen intensief. Muziek maken activeert verschillende delen in je brein. Niet alleen de motorische gebieden, maar ook de delen die verbonden zijn met je geheugen, je creativiteit, je empathie en je timing worden geprikkeld en moeten samenwerken om muziek te maken. Piano leren spelen is dus een uitstekende manier om je brein actief te houden. Tijdens de eerste les begreep ik direct waarom dit zo is.
Niet alleen kregen we uitleg over de toetsen van de piano met hun verschillende toonladders, lopend van A t/m G en de basispositie van onze handen, waarbij elke vinger correspondeerde met een cijfer. De duimen staan bijvoorbeeld voor het cijfer één, de wijsvingers corresponderen met cijfer twee en zo verder tot de pinken die de vijf vertegenwoordigen. Daarnaast leerden we dat er twee notenbalken zijn; één voor de linkerhand en één voor de rechterhand. Deze twee notenbalken moet je tegelijkertijd kunnen lezen. KANSLOOS. In mijn brein werd het één chaos van noten, letters en cijfers. Ik wist niet meer waar mijn pink zat, wat links of rechts was (dat komt wel vaker voor, ook in het dagelijks leven), laat staan dat ik een noot gedurende de juiste lengte kon aanslaan of enige melodie kon produceren.
Ik kwam er tot mijn verbijstering achter dat ik mijn vingers helemaal niet onafhankelijk van elkaar kon bewegen. Als ik een toets wilde aanslaan dan gingen al mijn vingers mee de lucht in en was ik daarna de positie van de toetsen kwijt. Het lukte mijn brein nog niet om de juiste route naar mijn wijsvinger en pink te vinden om deze een korte, krachtige beweging te laten maken, zonder dat mijn middelvinger meedeed. Dat was dus het eerste wat ik ging trainen; het onafhankelijk leren bewegen van mijn vingers. Enthousiast maar kapot kwam ik thuis van mijn eerste pianoles.

Dagelijks korte stukjes oefenen kregen we mee als tip. Tien minuutjes is effectiever dan een uur, omdat de spieren nog moeten wennen en het brein anders oververhit raakt. Ik merk dat het de ene dag veel beter gaat dan de andere dag. Als ik moe ben of als mijn hoofd veel heeft moeten nadenken dan gaat het pianospelen niet zo best. Ik vind het lastig om de positie van een noot op de notenbalk te kunnen ontcijferen – op welk lijntje staat dat ding eigenlijk  – laat staan dat ik twee notenbalken tegelijkertijd kan interpreteren. Volgens de leraar een kwestie van langdurig oefenen, dan wordt het uiteindelijk automatisme. Zo ver ben ik nog lang niet. Maar het oefenen werpt al wel zijn vruchten af; af en toe klinkt het echt al een beetje als een melodie. En dat geeft voldoening.

Ik heb nu drie lessen gehad, die ik trouw volg. Toen ik met de fiets was gevallen was één van de eerste dingen die ik dacht: ‘zou ik wel piano kunnen spelen nu ik last heb van mijn pols?’
Ik had het nog aan de dienstdoende arts van de huisartsenpost gevraagd, die mijn lip aan het hechten was: ‘denkt u dat ik piano kan spelen?’. De arts had bevestigend geantwoord, waarop ik had gezegd: ‘dat is mooi, want dat heb ik nog nooit gekund…..’ (grapje van Frans).
Gelukkig was mijn pols niet gebroken en kon ik al mijn vingers nog bewegen, al deed de duim wel wat zeer. En zo zat ik vrijdagavond met een dikke lip maar uiterst tevreden bij de pianoles.

Mijn lip heeft inmiddels weer zijn normale proporties, de hechtingen zijn eruit en mijn knieën en schenen zijn alleen nog wat geelpaars. Mijn uitdaging met de piano is nu om toetsen afwisselend hard (forte) en zacht (piano) aan te slaan, en om staccato of legato te spelen. Nog geen idee hoe dat moet, maar ik heb er veel plezier in om dit uit te vinden.

Dat mijn brein druk bezig is alle indrukken van de pianoles te verwerken, bleek toen Frans ’s nachts wakker werd van mijn vingers die piano speelden op het matras.

petit affairs  klik hier voor muziek

Gevallen vrouw

Ja, ik ben een gevallen vrouw. Hoe dat zo is gekomen? Nou, dat zal ik je vertellen.

Afgelopen donderdag ging ik met een vriendin naar een boekpresentatie in de stad. Ik vond het leuk een andere schrijfster uit de Achterhoek te ontmoeten. Ze had meegedaan aan een schrijfwedstrijd en was tweede geworden. Van de winnaar zou het verhaal worden uitgegeven als boek. De uitgever vond haar bijdrage echter zo goed dat ook haar thriller ‘Op het verkeerde moment’ in boekvorm was uitgegeven. Een beetje onwennig, maar met gevoel voor humor en zelfspot, stond de schrijfster tegenover haar toekomstige lezers, terwijl ze vertelde dat ze als klein meisje al spannende verhalen verzon en ervan droomde om schrijfster te worden.
Ik maakte een praatje met de dames van de uitgeverij, die zich volledig hadden gespecialiseerd in het spannende boek. Het thriller genre is populair in Nederland. Meedoen met een schrijfwedstrijd biedt een goede gelegenheid om je in de kijker te schrijven en in beeld te komen bij een uitgeverij. Willen ze je manuscript eenmaal uitgeven dan verzorgen zij de publiciteit;  ze organiseren boekpresentaties en zorgen voor recensies in kranten en tijdschriften. Dat heb ik voor mijn boek allemaal zelf moeten doen.
Onder het genot van een kopje thee en een paar bitterballen kletste ik wat met mijn vriendin en wat andere mensen, totdat het tijd werd om naar huis te gaan. Het miezerde een beetje toen ik huiswaarts keerde op mijn fiets. Ik neuriede een liedje in mezelf, want ik voelde me blij en tevreden dat ik voor het eerst in dagen niet misselijk was en verheugde me op de maaltijd die Frans voor me aan het klaarmaken was. Zonder ook maar het geringste vermoeden van wat me te wachten stond.

Verbaasd constateerde ik dat ik vol met mijn gezicht op de straatstenen was terechtgekomen. Daar lag ik dan op straat naast de artiesteningang van het Amphion theater. In flits had ik mijn achterwiel weg voelen glijden, om het volgende moment met een smak tegen de grond te slaan. ‘Au, au, wat doet dat zeer’, kermde ik luid. Van alle kanten kwamen mensen aanlopen. Ik voelde een stekende pijn door mijn linkerpols en beide knieën trekken. Ik weet niet meer of ik zelf ben opgestaan of dat vriendelijke omstanders me overeind hebben getrokken. Ik weet nog dat ik daar verdwaasd en bibberig van de schrik stond en uitprobeerde of ik mijn benen nog kon bewegen.
Kan ik iets voor u doen mevrouw? Moeten we hulp inroepen? Wilt u niet even op het trapje gaan zitten? Ik dacht diep na, maar mijn hoofd kon geen goed antwoord verzinnen. Ik wist wel dat ik naar huis wilde en helemaal geen zin had om op een trapje in de regen te gaan zitten. Ik kon mijn armen en benen nog bewegen dus volgens mij viel het allemaal wel mee.
‘Hier, een zakdoekje voor het bloeden, mevrouw’. Een jongeman overhandigde me een papieren zakdoekje. ‘Ik wil best met u mee lopen hoor.’
Ik voelde me ineens een heel erg oude vrouw, waarvan niemand in de gaten heeft dat ze pas vierenvijftig jaar is. Gevallen met de fiets. Zomaar midden in de stad. Zonder enige aanleiding. Ik die op de racefiets over bospaden had gehobbeld, onverharde zandpaden had getrotseerd en me zelfs voorzichtig had gewaagd aan een slingerende afdaling. Hoe kon ik hier nu vallen?

Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik denk dat het wel gaat, dank je wel’, zei ik tegen de bezorgde jongen.
Het leek me het beste om voorzichtig naar huis te fietsen. Toen ik wilde opstappen, zag ik echter dat mijn stuur helemaal verbogen was. Twee sterke mannen fatsoeneerden het stuur zo goed mogelijk en daar ging ik. Ik had het koud. Stram en een beetje wankel fietste ik richting Kruisbergseweg. Bij het passeren van het ziekenhuis bedacht ik dat het misschien wel goed was om even langs de huisartsenpost te gaan.
Toen ik me meldde bij de balie met de mededeling dat ik was gevallen met de fiets had ik geen idee hoe mijn gezicht er aan toe was. Ik wist wel dat ik bloedde, maar niet waar dat bloed vandaan kwam. ‘Dat moet gehecht worden’, zei de assistente, ‘neemt u maar plaats in de wachtkamer.’
Ik moest denken aan die keer dat ik onder een bromfiets was gelopen. Toen was ik ook met mijn gezicht op straat terecht gekomen en had de arts mijn neus met schuurpapier behandeld om de kleine steentjes eruit te krijgen. Ik weet nog dat ik toen dagenlang met een rietje heb gedronken en dat eten heel pijnlijk was.
Twee weken geleden had ik nog lacherig gedaan over vallen. Nou ja, dan heb ik osteoporose, dacht ik, de kans dat ik iets breek door te vallen is verwaarloosbaar klein. Wanneer val je nou? De laatste keer dat ik echt was gevallen was op de middelbare school, toen er een dikke laag ijs op het wegdek had gelegen en ik in een bocht hard onderuit was gegaan met de fiets. Ik had nog wekenlang last van een pijnlijke heup.

Ik belde Frans om te vertellen dat ik was gevallen met de fiets en voor de zekerheid even bij de huisartsenpost was langs gegaan.
‘Zal ik naar je toe komen?’
‘Ja, dat vind ik wel gezellig.’
Er verstreken vijftien minuten en nog steeds geen Frans. Ik appte met de vraag of hij er bijna was.
‘Ik zit al in de wachtkamer.’
‘Eh???’
‘Dan zou ik je toch moeten zien, want ik zit daar ook.’
‘Ja, in de wachtkamer bij de spoedeisende hulp.’
‘Nee, ik zit bij de huisartsenpost.’

‘Mevrouw Huijsmans’, riep de jonge huisarts, terwijl hij een hand uitstak en me mee loodste naar een soort tandartsstoel. Met een doekje met water maakte hij de wond op mijn lip schoon. Ik ga het hechten, dat kan even zeer doen hoor. Het zijn maar twee hechtinkjes, dat is net zoveel als twee prikjes, dus ik zet geen verdoving.

Ik voelde de naald in mijn vlees snijden en een stukje verder er weer uit komen. Het naarste gevoel was echter het aantrekken van de draad. Er waren twee hechtingen nodig. Er rolde een traan uit mijn oog. De huisarts vroeg hoe het gebeurd was. Of ik uit mijn werk op weg naar huis was. Intussen plaatste hij de tweede hechting.
‘Ik zeg even niets’, beet ik hem toe.
‘Nu ben ik net een tandarts die van alles vraagt als hij in je mond bezig is hé?’, realiseerde de arts zich.
Hij boog zich over me heen om het resultaat te bekijken. ‘Helaas is het rafelig ingescheurd, dat blijft wel zichtbaar.’ Hij plaatste een derde hechting. Het aantrekken van de draad gaf een naar gevoel. Toch niet tevreden over het resultaat, haalde hij de derde hechting er weer uit.
‘Ik doe er toch maar wat lijm in’, zo mompelde hij in zichzelf. De lijm prikte in mijn wond. Ik had nog steeds geen idee hoe ik eruit zag.

Mijn pols kon gebroken zijn, daar twijfelde hij over. Ik kon het rustig twee dagen aankijken. Mocht het niet beter worden, kon ik altijd een foto laten maken. Voor het eindresultaat zou dat niets uitmaken. Mijn knieën waren blauw en gezwollen, maar leken nog goed te functioneren.
De assistente gaf me een tetanusprik en drukte me op het hart om het weekend vooral terug te komen als de wond zou gaan ontsteken.

Frans zat in de wachtkamer en samen wandelden we door de regen naar huis met de fiets aan de hand. In de spiegel in de hal zag ik onder mijn neus een rommelig tafereel van draadjes en korstjes bloed. Mijn bovenlip was opgezwollen, waardoor ik iets weg had van Katrien Duck.
Met een klein lepeltje hapte ik voorzichtig van de pasta die Frans had klaargemaakt. Het was lastig mijn mond vergenoeg open te krijgen om het eten binnen te krijgen. Net nu ik na dagen misselijkheid weer flinke trek had. Ik was blij dat ik tijdens de boekbespreking wat lekkere hapjes had verorberd.
Even later zat ik op de bank knus tegen Frans aan. Hij had een warme kruik gemaakt, want ik bleef maar bibberen. Ik had icepacks op mijn knieën en pols gelegd en in mijn mond klemde ik een koud, nat watje in de hoop dat mijn bovenlip wat zou slinken.

Een gevallen vrouw. Hoe wonderlijk en onverwachts kan het leven gaan.

Dilemma

Allereerst iedereen hartelijk bedankt voor de kaartjes en appjes met lieve, wijze en bemoedigende woorden die ik heb mogen ontvangen. Mijn vorige blog heeft een stroom aan reacties opgeleverd, waaraan ik veel steun heb ontleend. Ik heb verhelderende gesprekken gevoerd, ben extra geknuffeld, er zijn kaarsjes voor me gebrand en ik heb dolfijnen healingen gekregen. Dat alles heeft me enorm geholpen. Wat niet wil zeggen dat ik niet heb geworsteld om een goede, afgewogen beslissing te nemen, niet enorm opzag tegen de effecten van de behandeling en me niet beroerd heb gevoeld.

‘Vertrouw op Allah, maar bind wel je kamelen vast’, is een Arabisch gezegde dat uitdrukt dat het mooi is om vertrouwen te hebben, maar het ook goed is om daarnaast je verstand te gebruiken en praktische voorzorgsmaatregelen te treffen. In dat kader had ik mijn nieuwe oncoloog een mailtje gestuurd. Hoewel ik er vertrouwen in heb dat de borstkanker uit mijn lichaam is verdreven, moet ik ook de realiteit onder ogen zien. En die realiteit is dat de borstkanker tussen het vijfde en tiende jaar bij één op de vijf vrouwen terugkomt. In deze statistieken zijn alle vrouwen met borstkanker meegenomen, dus ook de vrouwen met een laag risico op terugkeer. Statistisch gezien heb ik veel kans dat ik die ene ben. Mijn risicoprofiel is hoog; borstkanker ontstaan voor het 50e levensjaar in zijn meest agressieve vorm met acht aangetaste okselklieren en angiogenese door de tumor.
Angiogenese is de aanleg van nieuwe bloedvaten. Tumorcellen kunnen andere cellen gijzelen en hen dwingen voor hen te werken. Zo had mijn tumor bloedcellen gegijzeld om nieuwe bloedvaten aan te leggen voor de bevoorrading van extra zuurstof en voedsel voor de tumor. Je kunt je voorstellen dat tumorcellen hierdoor gemakkelijk via het bloed door het hele lichaam kunnen bewegen en zich dus overal in het lichaam kunnen schuilhouden om zich, als de kans zich voordoet weer te gaan groeien en een nieuwe tumor te vormen. In de volksmond heet het dan dat de kanker is teruggekomen, maar eigenlijk waren de kankercellen al die tijd nog aanwezig in het lichaam en hebben ze gewoon gewacht op gunstige omstandigheden om weer te gaan groeien.
Gunstige omstandigheden waren voor mijn tumor bijvoorbeeld de aanwezigheid van vrouwelijke hormonen. Vandaar dat die hormonen via anti-hormoontherapie al vijf jaar lang worden geblokkeerd. Dit allemaal in de hoop dat de eventueel nog aanwezige kankercellen het niet zo lang volhouden en gestorven zijn tegen de tijd dat ik stop met de therapie. Maar wat is dan een goed moment om te stoppen? Moet je überhaupt wel stoppen?

Standaard wordt vijf jaar anti-hormoontherapie aanbevolen, maar voor vrouwen met een hoog risicoprofiel zoals ik, is dat twee tot drie jaar langer. Nog langer doorgaan levert geen voordeel op; de kankercellen die dan nog in leven zijn hebben inmiddels een andere manier gevonden om aan voedsel te komen. Ze hebben zich aangepast aan de omstandigheden.
De anti-hormoontherapie is een ware aanslag op het lichaam. Het zorgt voor een versnelde veroudering, onder andere van hart- en bloedvaten, huidcellen, botten en gewrichten. Eén van de bijwerkingen is dan ook vervroegde en vergrootte kans op osteoporose. Oftewel botontkalking.

Daarom had ik mijn oncoloog om advies gevraagd. Nu ik de standaard aanbevolen vijf jaar hormoontherapie er bijna op heb zitten, wilde ik graag zijn advies over stoppen of doorgaan met de therapie afgewogen tegen de risico’s op botontkalking. Ik wilde graag een goed overwogen beslissing nemen, zo informeerde ik hem.
Hij stelde voor een nieuwe botscan te laten maken en nodigde me uit voor een gesprek, waarin we één en ander konden bespreken. En zo zat ik op een vrijdagmiddag met een pijnlijk oog tegenover hem.

Uit de scan bleek dat mijn botdichtheid afgelopen anderhalf jaar met 11% was afgenomen. Een significante afname stond er met hoofdletters in het radiologisch verslag. Ik was er al een klein beetje bang voor, al had ik dat verdrongen. Mijn broekspijpen leken op onverklaarbare wijze langer geworden en ook het zadel van mijn fiets, dat ik vorig jaar zo zorgvuldig had laten afstellen, leek ineens te hoog te staan.
Ik had altijd wat lacherig gedaan over osteoporose; misschien zou ik krimpen tot formaat theelepelvrouwtje grapte ik dan. Maar de oncoloog verzekerde me dat ernstige osteoporose geen grapje is. Spontane wervelfracturen en blijvende invaliditeit met chronische pijnklachten kunnen het gevolg zijn.

Ik had verwacht te moeten kiezen tussen doorgaan met anti-hormoontherapie en leren leven met osteoporose óf stoppen met anti-hormoontherapie met een verhoogde kans op terugkeer van de kanker. Toen de arts echter vertelde dat er een middel is om de botontkalking af te remmen, leek me dat de perfecte oplossing. Het beste van twee werelden. Ik zei dan ook spontaan en zonder echt na te denken ja tegen de voorgestelde behandeling.

Het voorgestelde middel was echter wel een heftig medicijn. Mijn nieren zouden blijvende schade op kunnen lopen, ik zou kaaknecrose kunnen krijgen waarbij je kaakbot ontstoken raakt en je tanden en kiezen spontaan uitvallen, hartritmestoornissen en ernstige spijsverteringsproblemen. Daarnaast moest ik rekenen op een griepachtige periode van een aantal dagen met koorts, hoofdpijn, bot- en spierpijn, misselijkheid en diarree.
Het medicijn zou worden toegediend via een infuus en bleef een half jaar werkzaam. Dat maakte me bang. Als ik last zou krijgen van bijwerkingen was er geen weg terug. Het zat in mijn lichaam en ik zou niet zoals bij pillen kunnen besluiten om te stoppen.
Bovendien zou ik het middel voor enig effect drie jaar lang moeten gebruiken. Ik zag op tegen weer drie jaar lang behandeling, voelde weerzin om opnieuw te veranderen in een patiënt en weer ziek te zijn net nu ik me zo krachtig en gezond voelde. Ik dacht terug aan een jaar geleden. Wat voelde ik me toen fit en energiek door het fietsen. Vanaf dat moment werd ik bang dat dit medicijn net een stapje teveel zou zijn in mijn race om de kanker voor te blijven. Dat dit medicijn mijn lichaam blijvende schade zou toebrengen waardoor ik me nooit meer gezond en fit zou voelen.

Was het door de arts voorgestelde middel het juiste middel? Waren er alternatieven? Was het stoppen met hormoontherapie nog steeds een optie? Wat als ik blijvende nierschade zou oplopen? Zou ik dan nog achter mijn keuze kunnen staan of zou ik dan de rest van mijn leven mezelf verbitterd verwijten ‘had ik het maar niet gedaan’?
Ik wilde een keuze maken waar ik achter kon staan. Een keuze waarvan ik de mogelijk negatieve consequenties zou kunnen dragen. Ik wilde geen spijt krijgen. Niet tegen mezelf zeggen: ‘had ik het maar beter uitgezocht, had ik maar beter nagedacht, had ik het maar geweten.’ Het was een dilemma dat me ernstig in zijn greep had.
Ik voerde gesprekken met vriendinnen en deskundigen, ging naar de tandarts om een kaakfoto te laten maken, liet controleren of mijn oog helemaal genezen was, las allerlei onderzoeken over de verschillende middelen tegen botontkalking, deed een lijfopstelling, zette de verschillende voor- en nadelen op een rijtje en maakte uiteindelijk de beslissing om het te doen.

Frans ging mee naar het ziekenhuis. De dagbehandeling oncologie waar ik me moest melden was vernieuwd. Er was een mooie ruime wachtkamer. Trots stelde ik vast dat mijn ‘Expeditie Borstkanker’ in de boekenkast stond. De verpleegkundige kende me nog en vroeg of we plannen hadden om met  de camper op pad te gaan.  Het was een warm en persoonlijk weerzien. Opgetogen vertelden we dat we van het voorjaar voor langere tijd wilden rondtrekken met de camper.
Ze zette een bakje warm water op mijn schoot waar ik mijn handen in moest leggen, want ze kon geen geschikte ader vinden voor het infuus. Ik schijn hele kleine aders te hebben die moeilijk aan te prikken zijn.
Niet veel later druppelde het zakje met Zometa vloeistof via een ader in mijn hand mijn lichaam binnen. Ondertussen dronk ik verschillende glazen water om de kans op nierbeschadiging zo klein mogelijk te houden en kletste met de verpleegkundige over de veranderingen in de ziekenhuiswereld. Er waren sinds een paar jaar veel nieuwe middelen bijgekomen, vertelde ze, vooral immuuntherapieën op het gebied van hematologie en longkanker.

Het infuus riep herinneringen op aan de chemo. Ook toen wandelden we na de behandeling huiswaarts en was het wachten op het moment dat ik ziek zou worden. Ik vind dat mentaal  zwaar. De wetenschap dat je bewust iets in je lichaam spuit, waarvan je zeker weet dat je er beroerd van wordt. Uiteraard met een doel voor ogen, maar toch.
Eenmaal thuis voelde ik me prima. Ik had zelfs flinke eetlust en Frans haalde twee pizza’s die we gretig verorberden. Ik begon zelfs stille hoop te krijgen dat ik tot de zeldzame gevallen zou behoren die geen bijwerkingen kregen.
Van het één op het andere moment voelde ik me naar worden. Vreemde hartkloppingen, een knallende hoofdpijn, misselijk, buikkrampen, ijskoude rillingen, spierpijn, stekende pijn in mijn botten. Nu moest ik net als bij de chemo lijdzaam wachten tot het over zou gaan. Het uithouden. Afwachten en volhouden. Daar ben ik gewoon niet zo goed in. Ik vind ziek zijn zo’n verspilling van kostbare levenstijd. Tijd die ik veel liever aan leukere dingen besteedt.

Gelukkig knapte ik redelijk snel weer op. Af en toe krijg ik nog een aanval van misselijkheid en acute diarree waarbij ik het dan ijskoud krijg. Net of al mijn bloed naar mijn maag en darmen trekt. Mijn hoofd is nog wat wazig en ik kan me nog moeilijk concentreren, maar ik ben weer mee geweest naar een verjaardag waar ik me tegoed heb gedaan aan taart en toastjes en heb genoten van het gezelschap.

Ik hoop dat de bijwerkingen langzaam wegtrekken en ik me vol kan gaan richten op onze rondrit door Europa, de presentatie over omgaan met kanker die ik aan het voorbereiden ben en niet te vergeten mijn pianoles….

Lichtschuw en levensbang

Afgelopen weekend lag ik op de bank met de gordijnen stijf dicht en een zonnebril op. Niet dat het zonnig weer was. Integendeel, het regende pijpenstelen, maar zelfs het door wolken gedempte winterlicht was teveel voor mijn oog.
Het was begonnen met een irritant gevoel, alsof er een zandkorrel in mijn oog zat. Al snel ging het oog heftig tranen en kreeg ik stekende pijnscheuten als er licht in mijn oog viel of als ik mijn hoofd naar links bewoog.
De opticien, waar ik voor de zekerheid mijn oogdruk liet meten, viel het op dat mijn pupillen ongelijk waren en verwees me door naar de huisarts. Die dacht aan een ontsteking. De antibiotica zou binnen een dag moeten werken. Bij toenemende pijn of lichtschuwheid moest ik niet aarzelen de volgende dag naar de huisartsenpost te gaan.
’s Nachts lag ik wakker van de pijn. Het was alsof iemand met een mes in mijn oog stak. Bij het opstaan kon ik mijn oog niet meer open krijgen. Op de tast liep ik naar de badkamer en verbaasde me erover dat ik zoveel spullen blind kon vinden. Met mijn ogen dicht smeerde ik crème in mijn gezicht, maakte een staart in mijn haar, ging naar het toilet en liep de trap af naar beneden. Mijn geheugen en mijn handen wisten alles prima te vinden, dat vond ik leuk om te merken.
Hoe zou het zijn om blind te zijn?, schoot het even door mijn hoofd. Zou ik daar aan kunnen wennen? Er zouden zoveel dingen afvallen, die ik heel graag doe. Zoals lezen, televisie kijken, sporten, genieten van mooie natuurlandschappen of uitdrukkingen op gezichten. Ik ben erg visueel ingesteld. Ik zou het verschrikkelijk vinden om niets meer te kunnen zien. Er zouden andere dingen voor in de plaats komen natuurlijk. Het luisteren naar muziek, de aandacht voor iemands stem, geuren, aanrakingen, maar toch. Zo’n akkefietje met mijn oog deed me weer even beseffen hoe heerlijk het is om te kunnen zien en hoe vanzelfsprekend ik dat meestal vind.
De arts van de huisartsenpost onderwierp mijn oog aan een uitgebreid en pijnlijk onderzoek. Om het vol te kunnen houden werd mijn oog verdoofd. Dat bracht een heerlijke, tijdelijke verlichting van de pijn. Er werd niets bijzonders gevonden en het advies was om de antibiotica voort te zetten. Mocht de pijn niet minder worden, moest ik de volgende dag terugkomen.
Thuis nestelde ik me op de bank met een kopje thee en een koptelefoon met mijn lievelingsmuziek. De telefoon die regelmatig rinkelde negeerde ik. Geen zin om op te nemen. Totdat Frans, die net aan het douchen was,  nat en naakt de trap af kwam rennen met de telefoon in zijn hand en me toefluisterde dat het de huisartsenpost was. De huisarts die me had onderzocht, zei dat hij me al drie keer had gebeld, maar telkens geen gehoor had gekregen. Sorry,  zei ik verontschuldigend, ik had geen zin om op te nemen.
De arts had het vanwege de heftige pijn toch niet vertrouwd en had contact opgenomen met een oogarts, die dacht dat het een ontsteking van de oogrok was. Scleritis, een ontsteking dieper in het oog en bijzonder pijnlijk. Er stond een ander medicijn voor me klaar. Ik voelde me ontroerd en dankbaar voor de betrokkenheid van de arts, die zo met mijn leed begaan was.
De pijn zakte al snel af en ook het tranen werd minder. Toch voelde ik me bang en somber. Ik had even helemaal nergens meer zin in. Ik was levensbang. Ik voelde me angstig voor alle nare dingen die het leven nog voor me in petto zou hebben. Ik wist wel hoe dat kwam.
Vrijdagmiddag, na het bezoek aan de huisarts, had ik een afspraak met de nieuwe oncoloog gehad. Enigszins ontredderd had ik daar gezeten met mijn heftig, tranende oog en mijn zonnebril op. Het was de oncoloog niet eens opgevallen volgens mij. Hij was vooral verdiept in mijn statistieken en mijn uitslagen. Ik had een meting van mijn botdichtheid gehad en die was niet goed. Door invloed van de anti-hormoontherapie worden mijn botten in rap tempo afgebroken. Ondanks de calcium en vitamine D supplementen is de afbraak groter dan de opbouw.
Om mijn kansen op overleving te vergroten adviseerde de oncoloog nog drieënhalf jaar door te gaan met de hormoontherapie. Dat was even slikken. Ik had gehoopt het kankertraject te kunnen afronden. Bovendien zou ik drie jaar lang elk half jaar een infuus krijgen met een middel om de botafbraak tegen te gaan. Goed nieuws natuurlijk dat er iets tegen de botafbraak gedaan kan worden. Bovendien beschermt het middel me tegen uitzaaiingen in de botten. Ik knikte dan ook instemmend toen ik tegenover de oncoloog zat, maar eenmaal thuis zakte de moed me in de schoenen. Weer aan het infuus. Weer ziek zijn. De bijwerking van het anti-botafbraak medicijn is drie dagen hoge koorts met griepachtige verschijnselen als spier- en botpijn, rillingen en hoofdpijn. Ik had daar zo helemaal geen zin in.
En toen ik zaterdag na het telefoontje van de arts van de huisartsenpost op zocht wat een scleritis eigenlijk is, schrok ik me een ongeluk toen ik las dat dit slechts zelden wordt veroorzaakt door een infectie, maar er meestal een auto-immuunziekte of een tumor aan ten grondslag ligt. Mijn maag kromp ineen en ik voelde een vlaag van misselijkheid opkomen. Zou ik een uitzaaiing in mijn hersenen hebben?
Dus ja, ik was levensbang. Niet doodsbang. De dood leek me eerder een verlossing, dan hoefde ik al die ellende die voor me lag niet mee te maken. Levensbang. Bang voor de risico’s die het leven nu eenmaal met zich meebrengt. Angst voor wat er mogelijk allemaal mis kan gaan. Angst voor alle nare dingen die me nog te wachten staan. Weg was het vertrouwen dat alles goed zou komen. Sinds de chemotherapie had ik me niet meer zo kwetsbaar en bang gevoeld. Ik heb de angst omarmd. Het mag er zijn. Net als mijn verdriet en onzekerheid.

En nu zit ik weer achter mijn computer, nog wel met mijn zonnebril op, maar het oog geneest goed. De gordijnen zijn weer open en voor volgende week dinsdag staat het anti-botafbraak infuus gepland. Ik heb weer nieuwe moed verzameld in de strijd tegen terugkeer van de kanker. Steek een kaarsje voor me op en bid, net als ik, dat de bijwerkingen meevallen, want ik zie er gigantisch tegen op. Ik ben niet meer lichtschuw, maar nog wel een beetje levensbang.

 

Dierenvriend

Als ik thuiskom van het boodschappen doen tref ik op ons grasveld een klein egeltje aan. Ze zit een beetje in elkaar gedoken en kijkt me vragend aan. Als ik op mijn hurken bij haar ga zitten, loopt ze waggelend naar me toe. Ze loopt moeilijk en lijkt verzwakt. Op internet zoek ik op wat egels eten, maar eenduidig is dat niet. Daarom bel ik Stichting Opvang Noach, een stichting die hulp biedt aan in het wild levende inheemse dieren, om ze na verzorging en revalidatie weer terug te zetten in de natuur. Hier krijg ik het advies om kattenvoer te geven. Het liefst kip of rundvlees, want egels zijn kieskeurige eters. Dus fiets ik terug naar de winkel om een blikje kattenvoer te kopen voor de hongerige egel. De egel is helemaal niet bang en komt snuffelend op het bakje kattenvoer af dat ik in mijn hand houdt. Ze ruikt aan de vochtige brokken en begint dan voorzichtig, proevend te eten. Ze eet langzaam en maakt hierbij smakkende geluiden. Als ik een uur later terugkom is ze verdwenen. Het bakje is nog half vol. Ik hoop dat ze sterk genoeg is om de winter door te komen.

Een week daarvoor liepen we naar onze auto op weg naar een verjaardag toen ik een zielige kauw zag zitten. De kauw hipte opzij toen wij eraan kwamen, zijn vleugel meeslepend over de grond. Ik kon niet zomaar in de auto stappen en hem aan zijn lot overlaten. Ik ging achter de computer zitten en vond Stichting Opvang Noach in Halle, waar we de kauw konden brengen om weer op krachten te komen.
Maar hoe vang je een kauw zonder dat deze je hele handen aan gort pikt met zijn snavel? Dat is verrassend eenvoudig als je een doek over de kauw gooit. Noach gaf ons het advies de kauw in een kleine doos te stoppen met een doek erover heen. Het donker en de kleine ruimte geven de vogel een gevoel van geborgenheid en dan wordt hij vanzelf rustig. En dus reden we met de zielige kauw in een doos op schoot naar Stichting Noach in Halle waar ervaren vrijwilligers zich over het dier ontfermden. We gaven een vrijwillige gift voor het goede werk van deze dierenvrienden en kwamen een ervaring rijker, een uur later dan gepland op de verjaardag aan.

Gelukkig houdt Frans net als ik van dieren en vindt hij het niet gek om een gewonde kauw naar de dierenopvang te brengen, extra voer voor een egel te kopen of eindeloos te tutten met een ziek konijn. Hij ondersteunt me altijd in dit soort acties. Sterker nog: zijn liefde voor dieren is de reden dat ik als achttienjarige voor hem viel. Hij vertelde zo enthousiast en liefdevol over zijn tamme muizen, dat mijn hart direct de dierenvriend in hem herkende.
Ik weet ook nog de keer dat we samen een dagje weg zouden gaan. Het was in het prille begin van onze relatie en we woonden allebei nog bij onze ouders. Toen ik bij hem thuis arriveerde zat Frans met een uit het nest gevallen spreeuw op schoot die hij met eindeloos geduld wormen zat te voeren. Overbodig te vermelden dat we die dag niet weg gingen, maar bij de spreeuw bleven tot hij doodging.

Dus toen we laatst in het dierenasiel in Doetinchem waren om een nieuw maatje voor Alwin te zoeken, wist ik wel hoe laat het was toen Frans met tranen in zijn ogen zei: ‘deze wil met ons mee’. Het ging om ‘Bommeltje’ een vergeten konijn dat ergens tussen twee kattenrennen zat weggemoffeld in een hokje. Ze zat daar al meer dan een jaar en niemand wilde haar hebben. En nu hebben wij een konijn met chronisch snot en een darmprobleem waardoor ze extra duur voer nodig heeft, maar ze is zo ontzettend lief dat wij en Alwin heel erg blij zijn met haar.
Bovendien weet ik weer heel goed waarom ik destijds verliefd ben geworden op Frans. Mijn hart maakt een extra sprongetje voor mijn lieve dierenvriend.

Wespennest

Een wespensteek kan venijnig pijn doen. Ik heb eens een steek in mijn kleine teen gehad van een wesp die zich in mijn schoen schuil hield en die uit puur zelf behoud een prik met zijn angel uitdeelde toen ik zijn lijfje met mijn voet dreigde te verpletteren. Ik meen me te herinneren dat ik dagenlang last heb gehad van een pijnlijke kleine teen.
Hoewel wespen irritant om je hoofd kunnen zoemen en hun steek pijnlijk is, ga ik er altijd vanuit dat ze mij nooit met opzet zullen steken. Toen ik vanaf augustus regelmatig wespen in ons huis aantrof, zag ik daar dan ook geen kwaad in en dirigeerde ze rustig door het open raam naar buiten. Ook de wespen die enigszins versuft op de treden van onze trap lagen, hielp ik liefdevol de frisse buitenlucht in. Ik pakte een velletje papier, hield dat voor hun neus en zodra ze erop zaten bracht ik hen naar buiten toe waar ik ze op een blad van een struik liet plaatsnemen.
Tot op een dag een vriend met een warmte camera in ons huis rondliep. Het viel hem op dat er in het plafond op onze overloop een vreemde warme plek zat. Hij dacht aan een nest. Een wespennest wist ik ineens zeker. Om dit te checken boorden we een rond gat door de hardboard plaat op de plaats waar de vreemde warme vlek zat. En ja, achter het gat vonden we de bewijzen van een wespennest. De vriend opperde een ongediertebestrijder in te schakelen. Hij kende persoonlijk iemand die gespecialiseerd is in het weghalen van wespennesten en zou eens voor mij informeren.
Bij weghalen dacht ik aan het verwijderen van het nest, maar in de praktijk betekende dit het nest volspuiten met gif. Het gif komt dan aan de pootjes van de wesp, waardoor hun zenuwstelsel wordt aangetast en ze langzaam doodgaan.
Ik zocht op internet naar een alternatief. Ik vond het een vreselijk idee om een gifwolk in mijn huis te spuiten, zeker omdat onze slaapkamer vlakbij is. En als het gif op de zenuwen van de wespen slaat waarom dan niet op die van ons?
Ik verdiepte me in het leven van de wesp en kwam erachter dat wespen heel nuttige dieren zijn. Ten eerste eten ze insecten zoals muggen en vliegen, maar ze ruimen ook kadavers op door stukjes van het rottende vlees te eten. Ze bouwen prachtige nesten van stukjes hout die ze mengen met hun speeksel, waardoor er een soort papier-maché ontstaat. Een nest bevat duizenden wespen, veruit de meeste zijn werksters, maar elk nest bevat ook koninginnen wespen. De koninginnen zijn groter en worden gevoed door de werksters. De koninginnen leggen de eitjes voor het volgende jaar. Rond november sterven de werksters een stille dood. Alleen de koninginnen overleven de winter en gaan in het voorjaar op zoek naar een plek om een nieuw nest te bouwen en eitjes te leggen. Een eenmaal verlaten nest wordt niet opnieuw gebruikt.
Ik dacht: mooi, probleem opgelost. De wespen gaan vanzelf dood en het nest wordt niet opnieuw gebruikt en kan dus blijven zitten. Mijn vriend voorzag toch een probleem en verbond me door met zijn persoonlijke wespendeskundige. Deze maakte me aan het schrikken met zijn verhalen uit de praktijk. Een wespennest zoals bij ons in het dakbeschot kan heel groot worden en zich door het hele huis verspreiden, de wespen knagen stukjes hout van de balken en ondermijnen daarmee de draagconstructie van de woning. Uit één nest kunnen wel tweehonderd koninginnen komen die in het voorjaar dus op tweehonderd nieuwe plaatsen een nest gaan bouwen. De schrik sloeg me om het hart. Ik zag ons dak al bezwijken door duizenden knagende wespen, die overal nesten hadden gebouwd.
‘Ja mevrouw, ieder jaar vallen er weer doden, doordat de wespen zich een weg vreten door zachtboard plafonds in slaapkamers en hun nest terechtkomt op de nietsvermoedende bewoners die in hun bed liggen te slapen’, deed de ongediertebestrijder er nog een schepje bovenop. Doodgestoken worden door duizenden wespen uit een nest. Het komt voor in Nederland. Ik begon nu te begrijpen waar de term ‘wespennest’ voor staat.
Het oude wespennest moest ook worden weggehaald. Het was een bron van uitwerpselen en bacteriën zo verzekerde de ongediertebestrijder me. Het zou gaan stinken en lekken.

En zo trokken mijn vriend en ik op een stoute dag in de herfst toen ik al een tijdje geen wespen meer had gezien, de hardboard platen weg en ontdekten we een magistraal wespennest. We konden niet anders dan vol bewondering naar dit enorme nest kijken. De kleurschakeringen waren als van een zandkasteel. De architectuur als een ingewikkelde torenflat alla Gaudi, met aan elkaar geknoopte verdiepingen en prachtige symmetrie.
We hakten het bouwwerk in kleine stukken en vulden er vier grote vuilniszakken mee. Gelukkig troffen we geen enkele levende wesp meer aan. De koninginnen waren blijkbaar uitgevlogen en de werksters waren dood. De rest van de dag besteedden we aan het doorzoeken van de woning op tekenen van wespenactiviteit en hingen we stinkende zeepblokjes op. Wespen hebben een hekel aan bepaalde geuren. Als ze deze ruiken zullen ze deze plaats niet snel uitkiezen voor het bouwen van een nieuw nest. Wespen bezitten een geweldig reukorgaan. Ze ruiken geuren op meters afstand. En een wesp in nood scheidt een geur af, een feromoon waarop zijn mede wespen worden gealarmeerd en naar hem op zoek gaan om hem te helpen. Deze vriendjes van de wesp in nood zijn agressief en trekken ten strijde om hun vriend te redden.

Het wespennest is ontmanteld. Ik ben vol bewondering voor deze bijzondere dieren, maar houdt ze vanaf heden ook nauwlettend in de gaten.

Tip: kijk vooral naar de prachtige bouwstijl!

Avonturen en praatjes op de fiets

‘Vind je het niet eng?’, vroeg mijn 84-jarige moeder, toen ik vertelde dat er een man naast me was komen fietsen. ‘Nee, hoor mam, helemaal niet’, stelde ik haar gerust. De betreffende man was naast me komen fietsen, toen ik de Amerongse  berg aan het beklimmen was en ik werd ingehaald door een peloton zwoegende mannen. ‘Hoeveel Watt trap je weg?, vroeg de sportieve grijsaard die zelf op een mountainbike zat. ‘Wat?’, grapte ik terug. ‘Geen idee’, voegde ik er aan toe, ‘ik doe altijd maar wat.’ ‘Ik heb zelf ook geen idee hoor’, antwoordde de man. Hij woonde in de buurt en maakte een rondje door de Utrechtse heuvelrug en het rivierenlandschap. Toen ik  terloops vertelde dat ik op weg was naar Noordeloos, waar mijn man aan het paragliden was, leverde me dat een bewonderende blik op. ‘Zo dat is nog wel een eindje weg’, zei de man. ‘Ja, nog zo’n 75 kilometer te gaan’, antwoordde ik enigszins trots en hijgend, omdat pratend een berg op fietsen me veel inspanning kost. Voordat ik het in de gaten had, deed ik verslag van mijn Col d’Aubisque avontuur en vertelde de mountainbiker me zijn fietservaringen. Boven aangekomen splitsten zich onze wegen; ik reed via de dijk naar Wijk bij Duurstede en de man verdween in de beboste heuvels.

Sinds ik fiets heb ik regelmatig van dit soort spontane, korte ontmoetingen van fietsers onder elkaar. Hoewel het eigenlijk bijna altijd om mannen gaat, die ik soms op wel heel afgelegen landweggetjes ontmoet, heb ik tot nu toe alleen maar positieve ervaringen. Even een praatje maken en dan fietsen ze weer door. Ik geniet van deze praatjes op de fiets.
Laatst stond ik even een boterhammetje te eten op een verlaten parkeerplaats, toen er een jongeman met flitsende zonnebril in een blauwe bolide op me af kwam rijden. Vlak voor me kwam hij tot stilstand, draaide het raampje open en glimlachte. ‘Gaat alles goed mevrouw? Ik zag u zo staan wrijven over uw arm en dacht misschien heeft u hulp nodig of bent u gevallen.’ ‘Wat ontzettend lief van je, zei ik verrast, ‘maar alles is prima in orde, dank je wel.’ ‘Nog een fijne dag, mevrouw, antwoordde de jongen die ik niet ouder schatte dan twintig jaar, terwijl hij van de parkeerplaats scheurde. Met een glimlach stapte ik weer op de fiets. Heerlijk van die galante mannen. En wie zegt dat de jeugd van tegenwoordig niet behulpzaam is, die heeft het dus mis.

Hoewel ik me na mijn val met de racefiets, streng had voorgenomen niet meer over zandpaden te fietsen (hoe aantrekkelijk ze er soms ook uitzien), ging ik toch direct de volgende keer dat ik op de fiets stapte weer voor de bijl. Dat kwam zo. Ik fietste in de buurt van Dinxperlo en wilde weer huiswaarts keren. Ik had een lange weg achter me liggen, toen ik een grote weg naderde waarop geen fietsers waren toegestaan. Voor me lag een weggetje dat na twee honderd meter over zou gaan in een onverhard pad. Mijn dilemma: omdraaien en het hele eind weer terug fietsen de verkeerde richting op of ….  De keuze was snel gemaakt. En zo bevond ik mij weldra op een smal zandpad dat overging in een bospad wat bezaaid was met takken, kastanjes en eikels. In het bos raakte ik het spoor bijster en stapte ik af om me te oriënteren. Een passerend echtpaar op de elektrische fiets vroeg waarheen ik op weg was. Ik antwoordde dat ik op zoek was naar een verharde weg, die geschikt was voor mijn racefiets. ‘Volg ons maar’. En hop daar vertrokken ze in rap tempo. Ik moest alle zeilen bij zetten om ze bij te houden, terwijl er af en toe een eikel onder mijn wiel vandaan sprong. Eindelijk dan kwamen we uit op een verharde weg. Het echtpaar wees me de weg richting Ulft en de vrouw zei, ‘nu kun je weer lekker los gaan.’ Daarop fietste ik er als een dolle vandoor, want ik wilde niet dat de twee oudjes op hun elektrische fiets me zouden inhalen.

Op de laatste zomerse dag van het jaar ging ik met Frans mee naar Sterksel in Brabant. Frans loopt hier stage bij vliegschool Action Air voor zijn opleiding tot paragliding instructeur. Ik pakte mijn racefiets uit de bus, die we op een verlaten weiland hadden geparkeerd, en begon – op aanraden van een fietsvriend – mijn tocht naar de Strabrechtse heide.
Op de knooppuntenborden had ik gezien welke route ik hiervoor moest volgen. Bibberend zat ik op mijn fiets, want het was om 9.00 uur ’s ochtends nog behoorlijk koud. Al snel stuitte ik op een onverharde weg. Ik keerde om en probeerde via een andere route naar de Strabrechtse heide te komen. Na vier pogingen die allemaal uitliepen op een onverhard pad gaf ik mijn voornemen om met mijn racefiets niet meer over onverharde paden te fietsen op. Ik volgde een knooppuntenroute dus uiteindelijk zou ik wel weer goed uitkomen. Halverwege het hobbelige keienpad, stapte ik af. Mijn armen waren trillerig van het opvangen van de schokken en ik besloot verder te wandelen met de fiets aan de hand. Er leek geen einde aan het pad te komen. Nu ik al zover was, vond ik omdraaien  geen optie meer.
Tot mijn verrassing eindigde het pad in een bos en was er nergens meer een knooppuntenbordje te bekennen.

Terwijl ik op mijn racefiets door het bos reed, bedacht ik dat ik wellicht toch een mountainbike aan mijn fietscollectie wil toevoegen. Ik vind door het bos fietsen gewoon super leuk. Toen ik het fietsen echt niet meer verantwoord vond, wandelde ik verder door een prachtig natuurgebied. Geheel onverwacht kwam ik uit op een weg en vond daar het knooppuntenbordje waar ik naar op zoek was. Ik vervolgde mijn tocht over een geasfalteerd fietspad en kwam na tien minuten aan bij de Strabrechtse heide.
Wijs geworden door mijn eerdere ervaring van die ochtend, bleef ik de grote weg volgen en liet mij niet verleiden om het gebied in te gaan. Dit ging goed, totdat ik een bordje met een LF-route zag. Van mijn vrienden weet ik dat LF staat voor langeafstandsroute en dat dit prachtige routes zijn voor de racefiets. Dus ik hop het bordje met LF volgen. Na een scherpe bocht kwam ik de eerste racefietser al tegen, dit was voor mij het teken dat ik op de goede weg was. Niet lang daarna verwerd het fietspad echter tot een soort crossbaan voor motoren. Het was een grote zandbak die ook nog eens omhoog en omlaag ging. Dus maar weer een stukje gewandeld. Ik ploegde voort door het losse zand, terwijl ik mijn fiets vooruit de helling opduwde. Op de stukjes die iets beter waren probeerde ik te fietsen. Ik hield wel mijn linkervoet los, zodat ik snel met mijn voet bij de grond kon wanneer mijn achterwiel weg slipte. Ik kwam een jongen tegen die net zo ongemakkelijk en gespannen op de fiets zat als ik, en riep hem lachend toe dat we wel op een uitdagend stukje van de route zaten. Na een kwartiertje voortploeteren, riep een mountainbiker me bemoedigend toe dat het weldra beter zou worden. En inderdaad bereikte ik snel daarna een verhard grindpad.
De steentjes waren scherp en ik was bang voor een lekke band. Ik heb nog steeds geen ervaring in het verwisselen van een bandje en dat wil ik graag zo houden, hoewel ik sinds kort wel een gaspatroon voor het weer op druk krijgen van een lege fietsband bij me draag in mijn wielershirt.
De Strabrechtse heide was prachtig, maar ik moest mijn focus op de weg houden. Het smalle fietspad was populair bij mountainbikers, wielrenners, e-bikes met zijspiegels die midden op het pad bleven fietsen en me bijna de berm instootten en wandelaars die geen zin hadden om op het mulle zandpad te lopen. Daarom nam ik op een bankje even pauze om het landschap in me op te nemen.

Via Someren en Asten fietste ik naar Nationaal Park de Grote Peel. Prachtige geasfalteerde paden hadden ze hier. Alleen heel jammer dat het verboden was voor fietsers! Omdat ik toch wel heel graag dit mooie gebied wilde verkennen, parkeerde ik mijn fiets bij een oude boerderij en wandelde over de verharde paden langs vogelrijke vennen. De verharde paden gingen over in houten vlonders en uiteindelijk in zachte zandpaden. Omdat fietsschoenen nu eenmaal niet heel prettig lopen, kreeg ik na een tijdje behoorlijk pijn aan mijn voeten. Op mijn blote voeten vervolgde ik de wandeling door dit vennengebied.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

En toen had ik een heel bijzondere ontmoeting. Ik moest eerst even met mijn ogen knipperen of ik het wel goed zag. Op een omgevallen boomstam zat een man met een uil. Toen ik naderde schrok de uil en sloeg zijn vleugels uit. Ik schrok weer van de uil, die er enorm uitzag met zijn uitgespreide vleugels. De man fluisterde echter tegen de uil: ‘rustig maar Sacha, niets aan de hand’, waarop de uil weer rustig ging zitten op de gehandschoende arm van de man. De uil was wit en had pluimpjes op zijn hoofd. Hij keek me doordringend aan met zijn oranje ogen. De uil was een Siberische Oehoe zo vertelde de man me. Deze vogel kan op driehonderd meter nog een spitsmuis in de struiken zien lopen. Zijn gehoor is zo goed, dat hij de kleinste ritselingen opmerkt en feilloos weet waar zijn prooi zich bevindt. Na een klein minicollege van de man met de uil liep ik weer verder. Maar niet nadat ik eerst een foto van de uil had gemaakt. Toen ik weer bij mijn fiets was, die gelukkig nog tegen het hekje stond waartegen ik hem had aangezet, baalde ik ervan dat ik de man niet had gevraagd hoe hij aan de Siberische Oehoe was gekomen en waarom hij de vogel in zijn bezit had.

 

 

 

 

 

 

Nog een beetje onder de indruk van de ontmoeting lette ik niet goed op welke richting ik op fietste, om er na een tijdje achter te komen dat ik nog best een hele terugweg voor de boeg had.  Via google maps probeerde ik terug te komen naar het weiland waar onze bus geparkeerd stond. Helaas waren niet alle wegen die google aangaf verhard… Sterker nog na vele zigzag bewegingen te hebben gemaakt en voor mijn gevoel weinig te zijn opgeschoten in de goede richting, kwam ik wederom terecht op een bospad. Een pad dat zelfs een uitdaging zou zijn voor iemand op een mountainbike. En dus ging ik maar weer wandelen. Ik bedacht dat ik nog niet eerder zoveel had gewandeld met een fiets. Het was een heel lang, recht pad met alleen maar mul zand, maar het ging wel precies de goede richting op. Heel in de verte zag ik een geparkeerde auto staan. Dat werd mijn focus. Daar moest ik naartoe.

Bij de auto stond een jong stel dat mij nieuwsgierig aankeek toen ik met de fiets aan de hand voortploegend uit het zandpad tevoorschijn kwam. ‘Zo, de avontuurlijke weg gekozen?’, vroeg de man lachend. ‘Ja, ik ben op zoek naar mijn man’, antwoordde ik en ik realiseerde me dat mijn antwoord nogal vreemd moest overkomen, daarom toonde ik hen mijn mobieltje met daarop in google maps een rondje met de F van Frans in een groene vlek zonder wegen. Ik vertelde erbij dat mijn man aan het paragliden was en daarom in een verlaten weiland stond.
‘Oh, zei de vrouw, je man is aan het paragliden? Nou dat is bij ons achter het huis. Als je zo fietst, ben je er met twintig minuten. Het is wel onverhard. Is dat een probleem?’ Ik was zo moe en ik wilde maar één ding, rustig zitten en een zak chips leegeten, dat het me echt geen donder meer kon schelen of het verhard of onverhard was. Gretig fietste ik de aangewezen kant op en zag dat ik steeds dichter bij het rode vlekje in het groene weiland kwam.

De paragliders waren al uitgevlogen toen ik arriveerde en in een stoel neerplofte. Ik kreeg een drankje aangeboden en er lag een heerlijke zak zoute chips voor mij klaar, die ik dankbaar verorberde.

Onverharde wegen, ze komen telkens weer op mijn pad, net als ‘toevallige’ ontmoetingen met onverwachte wendingen. Dat maakt het (fiets)leven zo leuk.

 

Fietsen met Frans

Het ongelooflijke is gebeurd: Frans is ook aangestoken door het fietsvirus. Hij heeft zelfs een nieuwe fiets gekocht; een crossbike. Een fiets die de beste eigenschappen van racefiets en mountainbike combineert. Een flitsende fiets met een verende voorvork, stevige banden, schijfremmen en een grote range aan versnellingen.
Nu we samen fietsen is het me duidelijk geworden dat Frans niet van de grote, rechte stukken is. Hij houdt – net als met alle andere dingen in zijn leven – van afwisseling. Met Frans aan mijn zijde fiets ik dan ook niet verder dan vijftien kilometer zonder een terrasje aan te doen en we beginnen standaard met een koffiepauze. Met Frans fietsen is vooral relaxed en gezellig. Meestal halen we nog niet de helft van de route die ik vooraf globaal had gepland. Maar wat maakt het uit, het zijn altijd super gezellige dagen waar ik met een warm hart aan terug denk.
Op het vlakke land wil ik hem nog wel eens horen zeggen dat ik ‘de gang er flink in heb’. Wat me deugd doet, want ik fiets tenslotte al een jaar lang de longen uit mijn lijf en het is best frustrerend dat hij me zonder enige training moeiteloos bij kan houden. In de bergen is het anders. Dan lijkt Frans ineens extra kracht te krijgen en rijdt hij speels en vrolijk kirrend omhoog. Daarbij wil hij nog wel eens vergeten dat ik een racefiets heb en onverharde paden echt niet geschikt zijn voor mijn smalle bandjes. Toen we laatst in de buurt van Koblenz door de wijngaarden fietsten met uitzicht op de Rijn koos hij bij voorkeur steile bergwegen uit die steevast eindigden in een hobbelig keienpad.
Nu houd ik gelukkig ook van steile klimmetjes en een afwisselend parkoers, maar met de racefiets is het soms ook heerlijk om over een strak geasfalteerd fietspad te zoeven.
Nu ik samen met Frans fiets en hij niet meer als een veilig vangnet met de camper achter me aan rijdt, moet ik ervoor zorgen dat ik de hele route vol kan houden én moet ik bij iedere berg die ik beklim er rekening mee houden dat ik ook weer omlaag moet. Dat laatste komt mijn daaltechniek ten goede. Na een venijnige klim in de heuvels bij Koblenz, wachtte een kilometerslange afdaling met haarspeldbochten. Ik boog naar voren en plaatste mijn handen in de beugels, mijn wijsvinger en middelvinger losjes om de rem. Het was vreemd om zover met mijn hoofd naar beneden te liggen, maar tot mijn verrassing kon ik de snelheid heel goed reguleren en kreeg ik op deze manier geen kramp in mijn handen. In één van de bochten voelde ik mijn achterwiel wegglijden op het losse grint dat er lag, maar gelukkig bleef ik overeind.
Overmoedig geworden door de geslaagde afdaling, waarbij ik de wind langs mijn hoofd voelde suizen, kozen we voor een super steile laatste klim naar de camping. Een beklimming over kasseien, die alles in mijn lichaam in trilling brachten. Frans speerde er direct vandoor. Ik wilde me niet laten kennen en ploeterde, zwetend achter hem aan. Mijn benen verzuurden, mijn armen trilden, maar keitje voor keitje kwam ik boven, waar ik halfdood neerviel in het gras. Het zweet gutste van mijn lijf, terwijl ik het laatste restje water uit mijn bidon over mijn gezicht liet stromen. Ik keek naar Frans, die bekende dat hij ook ‘best wel moe’ was.

Iedere wielrenner valt wel een keer, zo was me verzekerd door ervaringsdeskundigen. Ik had besloten dat ik daarop de uitzondering zou worden, want ik was doodsbang om op mijn lymfoedeem arm te vallen en daar blijvend last van te houden. Daarom fietste ik erg voorzichtig. Bij elke kruising klikte ik mijn schoenen uit voorzorg al los, ik gaf iedereen voorrang en keek extra goed uit. Ik waagde me nauwelijks aan afdalingen en mijn snelheid lag laag (mijn snelheidsrecord staat op 46 km per uur bij een afdaling op de Holterberg). En toch ben ik gevallen.
Ik fietste met Frans in de buurt van Winterswijk op een weg die overging in een zandpad. Het eerste stuk was het pad nog hard, maar langzaam kwamen er steeds meer stukken met rul zand. Ik was er niet helemaal bij met mijn gedachten en ineens pats boem daar lag ik met mijn snufferd in het zand. Ik fietste heel langzaam en de val was niet hard, maar ik had overal zand zitten. In mijn mond, in mijn neus, onder mijn bril. Gelukkig was ik op mijn linkerarm gevallen en had ik alleen wat schaafwondjes en butsen op mijn knie. We maakten alles schoon met water en ontsmetten de wondjes met het kleine flesje dettol dat ik uit voorzorg altijd bij me heb. Later ontdekte ik dat de muis van mijn rechterhand pijnlijk en dik werd. Mijn lichaam heeft dit echter prima opgevangen en het vocht in mijn arm is niet heel erg toegenomen. Mijn eerste val met de fiets is een feit en was niet zo erg als ik me had voorgesteld. Desalniettemin wil ik het graag bij deze ene val laten.

Frans riep dat ik beter kan gaan paragliden, dat is een stuk veiliger dan fietsen…

Col d’Aubisque here we come: ‘Samen naar de top’

Vrijdag 28 juni is dan eindelijk de grote dag aangebroken; de dag dat ik samen met 170 andere deelnemers (106 fietsers, 50 wandelaars en 14 hardlopers) de Tristan Hoffman Challenge aan ga om voor Stichting Kanjers voor Kanjers de col d’Aubisque te beklimmen. Het is geen wedstrijd, maar een challenge, waarbij het doel is dat we er samen voor zorgen dat iedereen de top haalt.

Elke deelnemer heeft zijn eigen persoonlijke challenge; de een heeft zich ten doel gesteld om in een zo snel mogelijke tijd naar boven te racen en vanaf de top de andere deelnemers aan te moedigen bij de laatste af te leggen meters, voor een ander is het beklimmen van de berg een persoonlijke overwinning na ernstige ziekte, zoals voor mijzelf of voor de vrouw die na een herseninfarct met haar arm in de sling, ondersteund door vriendinnen de berg op wandelt. Weer anderen nemen zich voor vooral te genieten en lachend over de finish te komen, omdat dat er de vorige keren door alle indrukken bij in is geschoten.

Sinds een paar dagen logeren we met de hele groep bij hotel Alba in hartje Lourdes. Er hangt een sfeer van verbroedering, iedereen helpt elkaar, de ervaren deelnemers bemoedigen groentjes zoals mij en voorzien hen van tips. Er wordt veel gelachen en als vanzelf worden we opgenomen in de groep.
Ik heb bewondering voor het kernteam; een groep vrijwilligers die de hele organisatie van het evenement pico bello hebben verzorgd. Nu ik ter plekke ben realiseer ik me pas wat er allemaal bij komt kijken om zo’n grote happening te organiseren. Het transport, de logistiek, de verzorging op de dag zelf, het zorgdragen voor de veiligheid van de deelnemers, maar ook het verblijf en de heen- en terugreis.
Het kernteam is er op de dag van de challenge voor de deelnemers. Ze zetten zich in om iedereen op verantwoorde wijze naar de top te begeleiden; door aan te moedigen, door pauze plekken in te richten met drankjes, reepjes en bananen, door met motoren en auto’s de berg op en neer te rijden om te zien hoe het met iedereen gaat, om te kijken of het medisch nog verantwoord is om door te gaan, door foto’s te maken en door een fantastische ontvangst op de top van d’Aubisque, waar uiteindelijk Tristan Hoffman wacht om je de welverdiende medaille om te hangen.

Dinsdag is de dag dat de vrijwilligers zelf de challenge aangaan om de col d’Aubisque te bedwingen. Daarom staan Frans en ik net na de start  – ik in mijn Tristan Hoffman tenue voor de herkenbaarheid – bij de steile beginklim van de berg luid te klappen en te joelen ter aanmoediging van deze kanjers.
Dinsdag is ook de dag van Frans. Het weer is goed om te paragliden vanaf de top van de col de Couraduque. Met een groepje enthousiastelingen rijden we omhoog en geeft Frans uitleg over zijn geliefde sport. Margo, degene die me heeft aangezet tot fietsen, mag als eerste met Frans mee de lucht in. Als een vogel zweeft het grote, gele scherm door de lucht. Ik rijd met de bus naar beneden om Frans en Margo bij het landingsveld weer op te pikken. Margo heeft een grijns van oor tot oor op haar gezicht. We rijden opnieuw omhoog waar de tweede passagier al staat te popelen om de lucht in te gaan, hoewel het natuurlijk altijd spannend blijft om voor het eerst een tandemvlucht te maken. En zo geeft Frans die dag drie mensen een bijzondere ervaring die ze waarschijnlijk nooit meer vergeten. Daarna wordt de wind te hard en is het te gevaarlijk om nog te starten.

Donderdag is een snikhete dag, waarbij het kwik oploopt tot tegen de veertig graden. Op de trappen voor de Rozenkrans basiliek maken we een groepsfoto met het kernteam van vrijwilligers en alle deelnemers aan de challenge. Het ziet er imposant uit.
Daarna verkennen Frans en ik de verschillende kerken en gebouwen van Lourdes. Wegens de warmte zijn de pelgrimsoptochten afgelast. Ik krijg zelf ook last van de hitte en ben blij als ik op de koele hotelkamer op bed lig om even bij te komen. De rest van de middag gebruiken we om de laatste voorbereidingen te treffen: de spullen voor morgenvroeg klaarleggen, de banden van de fiets oppompen en natuurlijk het naambordje vastmaken aan het stuur. Ik heb last van mijn maag en darmen en voel me slap. Daarom brouwt Frans een speciaal maaltje voor mij in de camper en laat ik het viergangen diner aan me voorbij gaan.

De app-groep ‘Op naar de top Dorothé’ die we hebben aangemaakt, explodeert met aanmoedigingen en lieve woorden. Met zoveel support kan het niet meer stuk. Ik geniet er enorm van dat zoveel familie en vrienden met me mee leven en het leuk vinden me op deze voor mij speciale dag te volgen. Net als tijdens mijn ziekte voel ik me door vele handen gedragen. En net als tijdens mijn ziekte geeft me dat een enorme boost. Ik hoef het niet alleen te doen. Samen gaan we naar de top.

Naast alle support van het kernteam en mijn familie en vrienden zijn er twee mannen aan mijn zijde die er alles aan doen om mijn missie te laten slagen: Frans en Sander. Frans zorgt tijdens de challenge voor de foerage. Samen met Bianca en hondje Sandu, rijdt hij met de camper achter me aan, om me te voorzien van water, cola, sportdrank, reepjes, bananen, brood met pindakaas en wat je verder maar kunt bedenken. Daarnaast is er Sander, die toen ik me net had opgegeven voor de challenge, had aangeboden om me op de fiets te begeleiden. Hij fietst tijdens de challenge met me mee om me mentaal te ondersteunen. Een echte buddy.

Wanneer om zes uur de wekker rammelt, spring ik blij uit bed. Vandaag is de dag. Ik heb er zin in. Frans rijdt me met de camper naar het startpunt van de challenge waar Sander met zijn mountainbike al op me staat te wachten. Wanneer alle fietsende deelnemers van de C-groep (langzamere groep) zich hebben verzameld, knalt om 8.15 uur het startschot. De wandelaars en hardlopers zijn al eerder gestart en na ons komt nog een groep van snellere fietsers.
Na honderd meter begint al een klim van 8%. Ik heb het dringende advies van de fysio goed in mijn oren geknoopt: fiets je eigen tempo, laat je niet verleiden om te snel te gaan in het begin, als je te hard van stapel gaat verspeel je je krachten en is het lastig om te herstellen en je uiteindelijke doel te halen.
Uiterst langzaam ga ik van start en klim heel rustig omhoog. Het duurt niet lang voor ik samen met Sander en nog een andere deelnemer helemaal achteraan fiets. De wielrenners voor ons verdwijnen langzaam uit zicht. Het hindert me niet. Ik had zelf al verwacht dat ik de langzaamste deelnemer zou zijn. Dat had ik dus goed ingeschat. Ik ben wel licht geïrriteerd door de andere deelnemer die zich met zijn wiel tussen Sander en mij in wurmt. Hij blijft een beetje half tussen ons in rijden en zit voor mijn gevoel veel te dicht op me. Ik laat me wat afzakken en hoop dat hij ons inhaalt. Ik wil ruimte. In het voorbij gaan, roept hij naar me dat hij het zo fijn vindt dat hij iemand heeft gevonden die zijn tempo rijdt. Ik heb zelf helemaal niet het gevoel dat we hetzelfde tempo rijden: hij fietst heel onregelmatig, dan weer hard, dan weer zacht en hij stapt heel vaak af. Ik vind het juist fijn om gelijkmatig door te fietsen en niet te pauzeren.


Al na een paar kilometer merk ik dat ik vandaag niet mijn beste dag heb. Mijn benen voelen ‘zwabberig’ aan en ik ben een beetje trillerig. Misschien komt het van de diarree, die ik sinds twee dagen heb, of is het de hitte die als een klamme deken om ons heen hangt? Waarschijnlijk is het gewoon van de spanning, hoewel ik me niet bijzonder zenuwachtig voelde toen ik vanochtend wakker werd. Gelukkig werkt mijn brein nog goed: trillerig dat betekent bij mij meestal een te lage bloedsuikerspiegel en behoefte aan voeding. Dus even afstappen en de tijd nemen om een reepje naar binnen te werken.

De eerste kilometers fietsen we nog in de wolken. Dat lijkt lekker koel, maar ik vind het benauwd en kan mijn warmte niet goed kwijt. De andere deelnemer hijgt en puft alsof hij er bij neer gaat vallen en dat geeft mij nieuwe kracht, want ik heb mijn ademhaling onder controle en voel me langzaam sterker worden. Als we na twaalf kilometer aan de voet van de Soulor zijn aangekomen, heb ik zin in de klim. De fietsers uit de snelle groep zijn ons inmiddels onder luide aanmoedigingen allemaal gepasseerd. We bungelen aan de staart van de race. De ‘bezemfietser’ hijgt in onze nek. Ik voel me hierdoor enigszins opgejaagd. Gelukkig vraagt de bezemfietser even later wat wij prettig zouden vinden; als hij achter ons aan blijft fietsen of als hij wat heen en weer de berg op en neer fietst. Hij lijkt blij met ons antwoord en sprint er algauw met een vaartje van 16 km per uur vandoor.

De klim naar de top van de Soulor is zwaar. Het is verzengend heet. Het zweet gutst van mijn lijf en ik zou het liefst in een ijsbad gaan liggen om af te koelen. Het is nog twee steile kilometers naar de top, dan hebben we het moeilijkste deel van de challenge achter de rug, weet ik. Maar wat duren die twee kilometer gigantisch lang. Er lijkt geen einde aan te komen. Ik grap naar Sander, dat ik nu zelfs zin krijg om af te dalen, wie had dat gedacht. Er komt een kort steil stukje van 14%, waarvoor ik een korte sprint inzet, want als ik in mijn trage tempo blijf doorfietsen heb ik het gevoel achterover te kieperen. Het sprintje brengt mijn hartslag ongenadig omhoog en het lukt daarna niet meer om de hartslag in de gewenste zone te krijgen.
De andere deelnemer en ik hebben een verbond gesloten, we ondersteunen elkaar op weg naar de top. We hebben allebei kanker overwonnen en nu fietsen we uit dankbaarheid dat we weer gezond zijn deze berg op. Dankbaar dat we dit mogen en kunnen beleven. Dankbaar dat we er nog zijn. Dankbaar dat ons lijf dit weer kan. Een persoonlijke overwinning. Dat schept een band.
Sander is een voorbeeldige buddy, bescheiden op de achtergrond aanwezig, schuin achter me fietsend, het verkeer op afstand houdend, ervoor zorgend dat ik mijn eigen race rijd. Af en toe een humoristische opmerking of een komische anekdote om de spirit erin te houden.
Het uitzicht is formidabel. Ruige rotsen met besneeuwde toppen. Vooraf hadden mijn fietsmaatjes me gewaarschuwd om vooral ook te genieten van de tocht. Natuurlijk ga ik genieten, dacht ik toen. Nu ik echter de helling op zwoeg, moet ik mezelf eraan helpen herinneren om vooral ook om me heen te kijken en te genieten van deze prachtige berg. Ik merk dat ik toch vooral gefocust ben op blijven trappen, de benen rond laten gaan, doorgaan, volhouden, er zijn geen gedachten, en ik moet bekennen dat ik hele stukken van de beklimming volledig heb gemist. Sterker nog, Frans en Bianca staan net onder de top van de Soulor te juichen en te klappen om ons de laatste meters naar te top te begeleiden, maar ik heb ze niet gehoord noch gezien. Ik heb ze volledig gemist. Ik merk dat mijn lijf aan kracht begint te verliezen en ik voel me oververhit. Het lijkt of mijn brein niet goed meer functioneert. Op de top van de Soulor dirigeert de fyio me naar een schaduwplek om bij te komen. Ik krijg water en chips en ze controleert of mijn hartslag voldoende daalt.

Voor ik het weet begin ik aan de door mij gevreesde afdaling. Ik probeer niet in de afgrond naast me te kijken, maar focus me op de weg die voor me ligt. Ik heb mijn handen uit gewoonte boven op het stuur geplaatst, maar durf ze, nu ik naar beneden suis, niet meer over te pakken naar de beugels zoals ik van de week heb geleerd om met mijn wijsvingers de remmen te controleren. In plaats daarvan knijp ik met mijn hele hand in de remmen en krijg ik al snel kramp in mijn vingers. Voorzichtig laat ik de remmen even vieren om ze daarna weer snel in te knijpen. Nog even volhouden. Ik vind het teleurstellend om te zien dat er door de afdaling maar anderhalve kilometer bij zijn gekomen op de teller. Hierna volgt een stukje van maar twee procent stijging  en het fietst werkelijk formidabel. Ik weet nu dat ik het ga halen. Nog maar zeven kilometer klimmen naar de top van de Aubisque. Het aftellen is begonnen. Na twee kilometer, net voor een in de rotsen uitgehakte, onverlichte tunnel,  bereiken we pauzeplek nummer drie.

In de schaduw wordt met mij en de andere deelnemer overlegd. We hebben nog een dikke vijf kilometer voor de boeg. Met onze snelheid betekent dat dat we al snel nog een uur aan het klimmen zullen zijn en eigenlijk vinden ze het niet verantwoord de deelnemers op de top nog een uur in de brandende zon te laten wachten. Normaal gesproken wordt het koeler naarmate je hoger op de berg komt. Vandaag hangt er een inversielaag; de lucht boven is warmer dan beneden. Het is boven op de berg meer dan 30 graden en er is ook geen verkoelend briesje. We krijgen de keuze voorgelegd om door te gaan in ons eigen tempo, maar dan gaan de andere deelnemers wel alvast afdalen of we worden een stukje met de auto gebracht. Ik twijfel. Ik had in mijn hoofd vrolijk gedacht dat het nog maar een uurtje klimmen was. Dat ging ik echt wel volhouden. De andere deelnemer kiest voor de auto. Hij heeft zijn doel al bereikt. Het is al prachtig dat hij dit weer kan. Bovendien wil hij zichzelf niet nog een uur blootstellen aan de hitte. Daar heeft hij een punt. Voor mijn lichaam is nog een uur in de zon misschien ook teveel van het goede. De organisatie zegt dat ze ons graag ons gloriemoment gunnen. Ik weet nog niet zo goed wat ik me daar bij voor moet stellen.

Als ik eenmaal in de auto zit, ben ik blij met mijn keuze. Pff, als ik dat hele stuk nog had moeten fietsen in die hitte. Tot verbazing van Sander, zeg ik tegen hem: ‘ik wil snel weer terug om de col d’Aubisque nog eens te beklimmen en er dan vol van te genieten’.
Een kilometer voor de top worden we uit de auto geladen en maken we ons klaar voor de laatste etappe. Ik begin nu te begrijpen wat ze bedoelen met gloriemoment. De bergtoppen staan vol met mensen die ons luidkeels aanmoedigen, er is opzwepende muziek, we worden binnengepraat met een microfoon. Het voelt als een triomftocht en als vanzelf ga ik harder fietsen. Net voor de top heb ik mijn moment van ontroering. Een paar tranen lopen over mijn wang. Wat een bijzonder moment.

De periode met borstkanker is definitief afgesloten. Met deze klim heb ik mijn expeditie borstkanker nog eens dunnetjes over gedaan. Ook de weg naar genezing was lang en zwaar, ook toen heb ik diep moeten gaan, wist ik niet zeker of ik het zou halen. Ook toen ben ik er doorheen gekomen door doorzettingsvermogen, steun van familie en vrienden en liefde voor het leven. En net als nu wachtte aan het eind de triomf: ik heb het gehaald!

Sander houdt zich bescheiden op de achtergrond en gunt mij mijn gloriemoment. Als ik op de top aankom steek ik als triomf mijn arm in de lucht. Voor ik het goed en wel in de gaten heb krijg ik van Tristan Hoffman mijn medaille omgehangen en komt Margo me feliciteren. En dan is er natuurlijk Frans die me huilend en lachend tegelijk omhelst en van de grond tilt, terwijl hij roept dat hij zo ontzettend trots op me is. Wat een kanjer. Wat een fantastische man heb ik toch!

Vele handen hebben me naar de top gedragen. Zoveel support, zoveel zorg, zoveel vertrouwen, het is overweldigend. Heel veel dank aan iedereen die me afgelopen tijd heeft ondersteund. Samen naar de top, dat is zoveel mooier dan alleen. Samen de hoogte- en dieptepunten van het leven vieren. Ik ben een dankbaar mens. Dankbaar voor mijn lichaam die dit weer aankan, dankbaar voor mijn geliefde familie en vrienden en dankbaar dat ik zo’n mooi leven mag leiden.


Op de top krijg ik van Sander twee hardgekookte eieren met zout die ik gretig verorber. Wat is dat lekker. Sander die de hele tocht in dienst van mij heeft gereden en nooit zijn eigen tempo kon fietsen. Die zo langzaam moest rijden dat hij bijna omviel.
Wanneer ik in de camper zit en we de Aubisque en de Soulor naar beneden rijden ben ik verbaasd. Heb ik dat hele stuk echt helemaal (nou ja, bijna helemaal) gefietst? Hele stukken zijn uit mijn geheugen verdwenen. Ik was zo onder de indruk van het hele gebeuren, dat ik niet echt het gevoel heb dat ik het zelf heb meegemaakt. Ik heb nauwelijks genoten van de omgeving, van de prachtige berg.

Terug in het hotel voel ik me behoorlijk beroerd. Ondanks de koude douche voel ik me verhit, terwijl  tegelijkertijd de koude rillingen over mijn lijf lopen. Ik heb het koud en warm tegelijk. Ben moe en onrustig. Door de medicijnen die ik gebruik heeft mijn lichaam moeite met de regulatie van de temperatuur. Ik kan niet goed meer tegen warmte en vandaag was een erg hete dag.
Pas als ik een tijdlang een fles koud water in mijn nek houdt, trek ik weer een beetje bij. Margo die bij me op de rand van het bed zit, vraagt of dit het allemaal waard was. Mijn hersenen willen een nee als antwoord geven, maar uit de grond van mijn hart komt een onverwacht ja uit mijn mond. Ik ben er zelf verbaasd over.

’s Avonds heb ik weer energie om te genieten van het vijf gangendiner en de ontroerende foto’s die de fotografen hebben gemaakt. Volgend jaar staat de Gavia in Italië op de planning. En na tien jaar wordt het evenement omgedoopt van de Tristan Hoffman Challenge in de Kanjer Mountain Challenge. In dit jubileumjaar hebben we met zijn allen € 116.449,54 bij elkaar gebracht voor Kanjers voor Kanjers. Alle sponsoren geweldig bedankt. Het geld zal worden besteed aan mooie projecten waar kinderen met een beperking blij van worden.

Wanneer ik de volgende ochtend wakker word, heb ik tot mijn eigen verwondering nergens last van. Geen stramme, stijve spieren, geen zere knieën, geen vermoeidheid. Sterker nog. Het eerste wat ik denk als ik mijn ogen open, is ‘ik heb zin om te fietsen’. Echt waar!

Inmiddels heb ik mijn eerste rondje door het Montferland alweer gemaakt. Ik was benieuwd hoe ik de Peeskesbult zou ervaren. Zou dit nu een betekenisloos heuveltje zijn? Of toch nog steeds een pittige klim? Ik ben door mijn training in de Ardèche veel krachtiger geworden. Mijn lijf is sterk en in vorm en het geniet van het fietsen. Ik ben blij dat het fietsen zo goed heeft uitgepakt voor mijn lichaam. Dat mijn arm zich zo goed heeft gehouden en dat ik geen last meer heb van mijn knieën met fietsen. Ik dender de helling bij de molen bij Zeddam op met ongekend gemak. Ik neem de Peeskesbult met twaalf kilometer per uur. Ik ben trots op mijn lijf.

Ik heb ongelooflijk veel zin om volgend jaar de Tourmalet, de Mont Ventoux, de Aspin, pont d’Espagne en natuurlijk de Aubisque te beklimmen. Want het is precies zoals Margo al had voorspeld: de beklimming van de Aubisque is niet het einde, maar slechts het begin.

Iedereen die dit avontuur met mij heeft meebeleefd: heel erg bedankt!

 

Oei wat gaaf!

Na drie keer de Col de Mas de L’Arye op te hebben gefietst in de Ardèche, was het tijd voor een nieuwe uitdaging. Tot nu toe had Frans me telkens met de camper naar het centrum van Les Vans gebracht en was ik van daaruit gestart. Nu fietste ik nog stijf en koud de camping af om direct de eerste heuvel van tien procent te slechten. Het was slechts een paar honderd meter, maar toch sloeg mijn hart al direct op hol na deze inspanning. En vlak er achteraan kwam mijn eerste korte afdaling, die gelukkig goed verliep. Bij de grote weg aangekomen, passeerde ik de rivier de Chasszac om daarna direct links af te slaan. Een vriendelijke medewielrenner had me gewaarschuwd om de fiets echt in het lichtste verzet te zetten nog voor ik de grote weg zou oversteken om de ‘muur van tien procent’ te nemen. Ik was heel benieuwd hoe mijn eerste echte pittige klimmetje zou bevallen. Of mijn benen de gewenste kracht konden leveren. Of mijn knieën het zouden houden.
Het viel me niet tegen. Ik probeerde mijn hartslag laag te houden en paste mijn tempo daar op aan. Op het rechte stuk viel mijn snelheid terug tot vijf kilometer per uur. Het laagste wat je kon halen op een fiets zonder eraf te vallen, zo was me verzekerd door ervaringsdeskundigen. Nou mensen, ik kan gewoon op de fiets blijven zitten bij een snelheid van vier kilometer per uur! Het was bijna een surplace. Ik besefte dat ik lopend sneller zou zijn dan fietsend met dit tempo. Toch leek lopen me op dit moment veel vermoeiender dan fietsen. Dus fietste ik uiterst langzaam de berg op. Daarna voelde ik kramp in mijn kuit aankomen. Ik legde mijn fiets in de berm en schudde mijn kuiten los. Te weinig brandstof tot me genomen. Snel werkte ik een reepje en wat appelsap met zout naar binnen. Daarna Frans gebeld die al snel met de camper de berg op kwam scheuren. Ik verorberde een halve zak chips, dronk nog wat en toen voelde ik me weer fit genoeg om door te gaan. Sterker nog, ik had echt zin om door te gaan. Al snel was het steile stuk voorbij en fietste ik over kleine landweggetjes door rustieke Franse dorpjes rustig omhoog naar Payzack en het dorpje Bres.
Hier stond Frans weer klaar om me te ondersteunen met een Frans stokbroodje met kaas. Zijn specialiteit; niet de stokbrood met kaas, maar mij ondersteunen.
Ik zag dat ik op de route van de Ardechoise was uitgekomen. Dat is een bewegwijzerde route van 660 kilometer langs de mooiste stukjes van de Ardèche. Ik volgde de bordjes naar de top van de berg in het dorpje Peyre. Echt een super mooie route, waarbij ik telkens even achterom keek om te zien hoe ver ik al gefietst had. Bordjes langs de weg gaven aan hoe ver het nog naar de top was en met welk stijgingspercentage ik omhoog ging. Het ging lekker.
Boven aangekomen had ik achttien kilometer geklommen waarvan een klein stukje met tien procent. Ik was een tevreden mens. Omdat ik honger had en ik eiwitten wilde eten voor het herstel van de spieren, gingen we lunchen in de ‘Auberge’. We kregen wat de pot schafte die dag; er was geen keus. We startten met brood en worst waar ik volgens Frans op aanviel als een hongerige tijger. Daarna volgde tot onze verrassing nog een omelet met champignons, een kaasplankje met vier soorten kaas en als toetje een versgebakken appeltaart met frambozen ijs. Wijn en water waren bij het menu inbegrepen. De wijn sloegen we beleefd af. Lust ik normaal graag een wijntje of een biertje, nu met het sporten heb ik er echt helemaal geen trek in. Loom van het sporten en het eten rolde Frans me de camper in en bracht me naar beneden.
Twee dagen later fietste ik de D113 van Gravières naar Pied-de-Borne. Een fraaie route die de rivier volgde en zacht golvend door het landschap liep. Ik fietste door een kloof en ging kleine stukjes omhoog en omlaag. De kilometers vlogen voorbij. En voor ik het wist was ik in Pied-de-Borne waar ik werd verwelkomt door gele en paarse vlaggetjes en onder een boog van papieren bloemen door fietste. Ik voelde me alsof ik de finish van een grote wielerronde had gehaald.
Eenmaal per jaar wordt de Ardechoise gefietst als toertocht van vier dagen. Het is een hele grote happening in de Ardèche. Vergelijkbaar met de Nijmeegse vierdaagse bij ons. De dorpjes waren bezig hun versiering aan te brengen voor de wielrenners, want de tocht begon over twee dagen. Op de vrijdag zou de toer de route volgen die ik vandaag een stukje had gereden.
Na Pied-de-Borne vervolgde ik mijn tocht richting Villefort. Ik vond het een beetje vreemd dat ik Frans nog nergens had gespot, maar hij zou me wel vinden, want we hadden de wegnummers duidelijk afgesproken. Dat vind ik het voordeel van Frankrijk, dat zelfs de kleinste wegen nog een nummer hebben.
Op een steil stukje naar Villefort toe, hoorde ik achter me het bekende geluid van de camper en zacht getoeter. Daar was Frans. Ik was zo snel gegaan, dat hij me op de kronkelige weg moeilijk in had kunnen halen…
Na een korte stop in Villefort, fietste ik door richting de top van Pre de la Dame. Een forse beklimming van veertien kilometer met stukjes van acht procent. Ik zou kijken hoever mijn lichaam vandaag nog zin had om door te fietsen. De eerste drie kilometer gingen voorspoedig, daarna namen mijn krachten langzaam af en voelde ik dat het tijd werd om te stoppen. Ik stapte af met een fraaie zesendertig kilometer op de teller. Wat een heerlijke fietstocht was dit.
De laatste trainingsdag kreeg ik gezelschap van Frans op de fiets. De dag tevoren waren we naar de Decathlon geweest en hadden daar voor hem een fietsbroek, shirt en helm gescoord. Ik had eindelijk ook sportdrankjes ingekocht en Isostar poeder om met water aan te lengen en isotone drank te kunnen maken.
En zo fietsten we samen hijgend en puffend de Pre de la Dame op vanuit Villefort. Ik voelde een mengeling van enthousiasme en frustratie. Enthousiasme omdat Frans net als ik leek te genieten van de fysieke uitdaging van het in de bergen fietsen en ik mogelijkheden zag voor een gezamenlijke fietsvakantie in de toekomst. Frustratie omdat hij mij zonder enige moeite en zonder enige voorbereiding, ongetraind en op een geleende fiets die niet op zijn lengte was afgesteld, kon bijhouden. Mijn held. Veertien kilometer geklommen naar de top, met gemiddeld 6,5% stijging!
Overmoedig geworden door het bereiken van de top, wilde ik me ook aan de afdaling wagen. Na drie kilometer in de remmen knijpen had ik echter kramp in mijn arm en handen. Als ik in de beugels ging hangen, kon ik de remmen weliswaar beter controleren, maar mijn handen zijn eigenlijk te klein. De remmen staan te ver weg om er goed bij te kunnen. Dus nam ik het wijze besluit om te stoppen. Ik legde de fiets in de berm, trok mijn beenwarmers aan en speelde op mijn telefoon een spelletje Solitair, terwijl Frans zich met veel plezier de berg af liet rollen en de camper omhoog reed.
Ik besef dat ik nog niet echt bergproof ben als ik voor de afdaling afhankelijk ben van iemand die me op de top wil ophalen met de auto. Ik ben gewoon in alle opzichten in mijn leven beter in klimmen dan in dalen.

We zijn aangekomen in de Pyreneeën en staan op een camping aan de voet van de Aubisque. In de Ardèche heb ik zes mooie bergtrainingen kunnen doen. Ik voelde me helemaal in topvorm en klaar voor de challenge, totdat we gisteren de route met de camper hebben verkend. Oh my god, dacht ik, dit is onmenselijk, dit gaat echt niet lukken, terwijl ik naast me de afgrond inkeek. De klimmetjes in de Ardèche waren kinderspel in vergelijking met deze machtige berg. Dit was het echte werk. Ik had ontzag voor de berg, wat een prachtige, spectaculaire plek om hier te mogen fietsen.

Door de trainingen in de Ardèche was ik vol goede moed voor de beklimming, maar nu ik deze machtige reus heb gezien, zijn ruige, rotsige top en zijn steile, groene flanken, ben ik ontzet. Oei, dacht ik alleen maar toen Frans me met de camper omhoog reed. Oei en tegelijkertijd ‘wat gaaf’. Wat een gave berg. Prachtig. Machtig. Woorden schieten tekort.
Van tevoren had ik het profiel van de berg bestudeerd. Eerst een steile klim van acht procent, dan wat glooiend terrein door kleine dorpjes, vervolgens de beklimming van de col de Soulor met acht kilometer lang een stijgingspercentage van gemiddeld acht procent het pittigste deel van de tocht, om vervolgens een stukje te mogen afdalen. Dat afdalen had me heerlijk geleken na die steile klim. Maar nu ik het live heb aanschouwd, slaat de verkramping toe. Dat steile stuk langs die afgrond durf ik echt niet af te dalen. Ik kan nu al zeggen dat ik meer opzie tegen dat stukje afdaling dan tegen de steile klim de Soulor op. Bibber, bibber. Slappe benen. Het stuk dat daarna komt, lijkt me echt geweldig. Het laatste stuk gaat echt door het hooggebergte, een grijs streepje weg ergens halverwege de immense rotswand, door in de rotsen uitgehakte, onverlichte tunnels, en dan een lange klim naar de top die je al heel ver voor je ziet liggen. Dat laatste deel is het machtigste deel om te fietsen. Maar daarvoor moet ik eerst het voorafgaande zien te overbruggen en ik ben heel benieuwd of dat gaat lukken. Ik heb gewoon geen idee.

Als je het leuk vindt om me op de dag zelf te volgen, meld je dan aan voor app-groep: op naar de top met Dorothé. Stuur mij dan even een appje dan voeg ik je toe.

Nogmaals Col du Mas de L’Arye

Mijn eerste bergbeklimming had geen pijn in mijn knieën veroorzaakt. Sterker nog, ik had nergens een centje pijn aan overgehouden, wat ik best wonderbaarlijk vond, na mijn fietservaringen op het vlakke land. Dit bood hoop voor de toekomst.

De buurman op de camping, een fervente wielrenner, nodigde me uit om op zijn laptop een aantal leuke beklimmingen te bekijken die hij op zijn Garmin had uitgezet met het programma Strava. Hij keek me verbaasd aan toen ik met mijn Michelin kaart kwam aanzetten en vroeg of ik geen Strava had. Ik moest bekennen dat Frans Strava wel op mijn mobiel had geïnstalleerd maar dat ik er nog geen moeite in had gestoken om ermee te leren werken. Te ingewikkeld. Op mijn Michelin kaart streepte ik de routes met pen aan. De rest van de avond spraken we over fietsen, voeding, hartslagmeters en andere fietswetenswaardigheden. Aan het eind van de avond kreeg ik een aantal zakjes magnesiumpoeder cadeau. ‘Nog net geen doping’, grapte zijn vrouw, ‘maar het scheelt niet veel.’

De volgende fietsdag koos ik niet voor de door mijn buurman geadviseerde routes, maar voor de bekende weg. Mijn doel was om de Col du Mas de L’Arye tweemaal achter elkaar te beklimmen. Een ambitieus plan.
De omstandigheden waren anders dan tijdens mijn eerste beklimming: de temperatuur was gestegen tot een benauwde 28 graden. Mijn lichaam had moeite met de omschakeling. Het zweet liep in straaltjes van mijn gezicht. Ik voelde me oververhit. Mijn hartslag was hoger dan de eerste keer, maar mijn benen draaiden soepel rond, die vonden de warmte wel prettig. In de kleine schaduwplekjes op de route genoot ik van het verfrissende briesje dat de klim draaglijk maakte.

We hadden de route verdeeld in vier stukken. De eerste twee delen verliepen soepel en na een kleine twee uur bereikte ik zonder problemen de top van de Arye. Frans stond al op de top te wachten om me met de camper weer naar beneden te brengen voor de tweede ronde. De afdaling liet ik mooi nog even zitten. De rit naar beneden met de camper was mijn pauze om bij te tanken.
De derde etappe verliep echter moeizamer. Misschien had ik te lang gepauzeerd. Ik had moeite om op gang te komen en ik merkte dat mijn hartslag veel sneller opliep. Ik had moeite om de hartslag laag te houden. De laatste kilometers van de derde etappe leken eindeloos te duren. Steeds langzamer kwam ik vooruit en toen ik bij de camper aankwam was mijn besluit genomen. Het was genoeg voor vandaag. Een verbetering van mijn bergafstand met de helft erbij was een prima resultaat, een verdubbeling van de afstand was nog iets teveel van het goede.

Frans mijn held bracht me weer naar beneden, masseerde mijn benen en maakte lekkere hapjes klaar om mijn lichaam klaar te stomen voor de volgende training. Aan de verzorging kon het niet liggen, die was optimaal. De volgende dag lastten we een rustdag in voor herstel. We luierden aan de oever van een rivier, namen een duik in het koele water en aten stokbrood met stinkende kaasjes. We slenterden door middeleeuwse stadjes, dronken thee op een terrasje en bewonderden de beroemde Gorges d’Ardèche.

De dag erop zou ik nogmaals proberen de Col du Mas de L’Arye tweemaal achtereen te beklimmen. Vanwege het weer – er werd heftig onweer voorspeld – zetten we de wekker op zes uur. Het plan was dat ik van zeven uur ’s ochtends tot ongeveer elf uur zou fietsen en net voor het onweer zou losbarsten weer veilig in de camper zou zitten. Als het noodweer eerder zou uitbreken zou Frans mij natuurlijk van de berg af plukken.

Om kwart voor zeven stapte ik in Les Vans op de fiets. Moe en chagrijnig was ik. ’s Ochtends vroeg ben ik niet op mijn best. Mijn hoofd was duf en mijn lijf was nog niet wakker. Trager dan traag fietste ik omhoog. Ik mopperde mezelf de berg op. Dit was zeker wat mijn fietsvriend had bedoeld met afzien, dacht ik toen ik meter voor meter mezelf omhoog trapte. Voor het eerst vond ik fietsen niet leuk. De zeven kilometer naar het eerste pauzepunt duurden eindeloos. Frans stond al buiten te wachten, want ik had er veel langer over gedaan dan de vorige keren.

De tweede etappe ging al niet veel beter. Knorrig werkte ik mezelf de berg op. Frans had twee dagen geleden gevraagd waar ik aan dacht tijdens de beklimming. Wat ging er door mijn hoofd? Nou, eigenlijk dacht ik helemaal nergens aan, behalve aan het fietsen. Het was anders als bij hardlopen, waar je in een soort trance kon raken en lekker kon wegdromen in fantasieën. Het bergop fietsen bracht me vooral in het hier en nu. Ik tuurde op het metertje voor me om te zien welke afstand ik al had afgelegd. Dat werkte beter dan kijken hoe ver het nog was, had ik gemerkt. Ik keek hoe hard ik fietste en luisterde of mijn hartslagmeter begon te piepen. Ik voelde of mijn hamstrings pijn gingen doen of dat ik de zeurende pijn in de knieschijven begon te voelen. Ik focuste op een rustige ademhaling. Ik bedacht wanneer het weer tijd werd om een slokje water of siroop te nemen. Ik was alert op het verkeer dat achter me omhoog kwam. Ik hoorde de vogels fluiten, ik keek naar de nevel die in het dal hing, ik snoof de geur op van wilde kamperfoelie, ik genoot van het frisse groen van de bloeiende kastanje bomen, ik probeerde de kruipende insecten op het wegdek te omzeilen, ik zag een grote slak met een huisje en overwoog om af te stappen en hem in veiligheid te brengen, ik besloot al fietsend een banaan te eten, ik genoot van de cadans van mijn benen. Dat waren de dingen waar ik mee bezig was toen ik twee dagen geleden de berg op fietste. Nu was het een ander verhaal. Ik vroeg me knorrig af hoever het nog was, bedacht dat ik er geen zin in had vandaag, dat mijn benen van pap waren, dat het koud was, dat ik slaap had, dat ik er niet voor in de wieg was gelegd om zo vroeg op te staan en nog veel meer negatieve dingen, die ervoor zorgden dat het voelde als afzien om de berg op te fietsen in plaats van een leuke, sportieve uitdaging. Kortom ik ervaarde wat mindset kan doen. De juiste mindset maakt alles tot een mooie ervaring.

Boven op de col aangekomen, dirigeerde Frans me de camper in, negeerde mijn gemopper en reed me linea recta naar beneden. Ik had me vast voorgenomen om ermee te stoppen, maar beneden aangekomen, stapte ik toch weer gewoon op de fiets. Dat wil zeggen, Frans zette de fiets weer klaar en zei: en nu fietsen! Wat een slavendrijver dacht ik nog voor ik weer weg fietste.
De tweede ronde ging beter. Ik was opgewarmd, het zonnetje scheen, ik kreeg er weer zin in. Alleen was het ineens heel druk op de weg. De auto’s raasden voorbij en ik ademde de vieze uitlaatgassen in. Ik begon de route te herkennen; het huis met de paarse luiken, het bord van welkom in de Cevennen, het stuk met de steile bochten, de stenen bruggetjes, toch bleef de route me ook verrassen. De derde etappe ging soepel en ik besloot snel door te gaan voor de laatste acht kilometer naar de top.
Ik kwam langs een huis waar drie wielrenners zich klaar stonden te maken voor een tocht, ze zwaaiden naar me en riepen ‘courageux’, wat ik interpreteerde als dapper. Het bracht een glimlach op mijn gezicht en vervulde me met nieuw elan.
Niet veel later kreeg ik een vreemd gevoel in mijn benen. Gek genoeg wist ik direct wat het was: zout tekort. Ik parkeerde mijn fiets tegen een stenen muurtje en belde Frans dat ik zout nodig had. Even later kwam de camper eraan gescheurd om mij van zout te voorzien. Ik voelde me als een deelnemer aan de Tour de France, wat een service. Ik strooide een beetje zout op mijn hand, likte het op en vervolgde mijn klim naar de top. De laatste kilometers gingen tergend langzaam, ik voelde de kracht uit mijn benen vloeien. Wat kan honderd meter eindeloos ver lijken, dacht ik verwonderd. Eindelijk, eindelijk dan, bereikte ik die dag voor de tweede keer de top van de col du Mas. Het was gelukt. Op weg naar beneden barstte de regen los. Precies goed getimed. Mijn nieuwe bergrecord staat nu op achtentwintig kilometer klimmen!

 

Mijn eerste bergbeklimming

Enkele dagen geleden zijn we aangekomen op camping Lou Rouchetou in de Ardèche. Een rustige camping gelegen aan een rivier met uitzicht op wijnvelden en rotsige wanden.

Vooraf waren we met onze Belgische vrienden een paar dagen naar Willemeux, aan de Noordwest kust van Frankrijk geweest. Het stormde heftig aan de Franse kust. De zee was veranderd in een kolkende witte massa en de wind blies grote schuimbellen over het strand. De kitesurfers vlogen door de lucht en maakten adembenemende sprongen, terwijl wij moeite hadden om overeind te blijven staan en ons moeizaam voortbewogen over het strand. ’s Nachts beukte de wind met een kracht van 9 op de schaal van Beaufort op ons huisje, ramen en deuren sprongen open en ik had moeite om in slaap te komen door het geloei van de storm. Het samenzijn met onze vrienden was desondanks gezellig.

De Ardèche was een aanrader van fietsvakantieminnende vrienden van ons; gelijkmatige, lange klimmen met een laag stijgingspercentage. Ideaal voor een beginnende bergfietser zoals ik.
Opgewonden als een klein kind prepareerde ik me op mijn allereerste bergklim. Het doel was de Col de Mas de L’Arye te bereiken, een klim van 14 kilometer naar de top met een stijgingspercentage van 4%. Ik had geen idee hoe zwaar mij dit zou vallen, of ik het aan zou kunnen. Maar ik had zin om de uitdaging aan te gaan. Om eindelijk te fietsen in de bergen.
En zo bracht Frans me op een kille, regenachtige ochtend naar het centrum van Les Vans aan het begin van de klim. Ik fietste weg in het één na lichtste verzet en nam me voor zo licht en soepel mogelijk te trappen. Langzaam, zo hield ik mezelf voor. Mijn krachten sparen. Ik moest het lang zien vol te houden.
Al snel moest ik overschakelen op het lichtste verzet om mijn hartslag op peil te houden. Maar het viel niet tegen. Langzaam en gestaag kroop ik als een slak de helling op. Ik merkte dat iedere verstoring van de cadans kracht kostte. Het liefst fietste ik in één tempo door. De bidon pakken en een slok nemen, deed mijn hartslag direct met tien slagen toe nemen. Ik had twee bidons: een met water en een met siroop en zout. Vooral het pakken van de verticale bidon kostte veel kracht, omdat ik zo langzaam fietste dat ik bijna omviel als ik stopte met trappen om de bidon te kunnen pakken. Ik kiende het daarom zo uit dat ik op de iets vlakkere stukken waar ik iets meer snelheid had, ging drinken.
Eten op de fiets lukte echt helemaal niet. Ten eerste kreeg ik tijdens het fietsen met geen mogelijkheid de verpakking van de reepjes open. Een banaan lostrekken lukte nog net, maar eten tijdens de inspanning ging echt niet. Ik hijgde en pufte als een oude stoomwals als ik ging eten tijdens het fietsen. Dus dan stapte ik maar even af om een banaan naar binnen te proppen. Daarna had ik moeite om weer op gang te komen.
Eten en drinken tijdens de klim was belangrijk zo werd me door diverse fietsvrienden verzekerd. Niet alleen water, maar ook isotone dranken om de mineralen aan te vullen en de spieren te voorzien van brandstof. We hadden de Franse supermarkten al afgespeurd naar isotone dranken of poeders maar die nog niet kunnen vinden. Daarom vulde ik één bidon met siroop voor de suikers en een snufje zeezout. Ook experimenteerde ik met een favoriet drankje onder paragliders: water gemengd met appelsap. De biologische appelsap die we hadden gekocht rook echter nogal muf en ging me al snel tegenstaan.
Op de helft van de klim stond mijn foerage auto met Frans die zich volledig in dienst had gesteld van mijn fietsavontuur. Hij klokte mijn tijd op 45 minuten. Snel gooide ik mijn lange broek en regenjasje uit. Ondanks de schamele dertien graden en lichte regen, was ik veel te warm gekleed. Snel dronk ik wat karnemelk en at een boterham met kaas die Frans al voor me had klaargezet. Nog wat zoute chips er achteraan voor de zouten en klaar was ik voor deel twee van de klim. Mijn allereerste klim, ik voelde mijn trots groeien, want het leek erop dat mijn lichaam het aankon. Het voelde fijn om langzaam en gestaag omhoog te klimmen. Heel rustig en gelijkmatig fietsend. Ik zorgde ervoor dat mijn hartslag niet boven de 150 slagen per minuut uitkwam. Als de hartslagmeter begon te piepen, ademde ik rustig en lang uit en nam iets gas terug met trappen. En zo bereikte ik na weer vijftig minuten fietsen de top van de Mas de L’Ayre. Moe maar voldaan sloeg ik een glas karnemelk achterover en nam een bakje kwark om de eiwitten aan te vullen. Yes, mijn eerste klim was een feit. En het allerbelangrijkste: ik vond het super leuk om te doen.

 

Fietsmaatjes

Mijn oncoloog zei het eens terloops tegen mij, bijna aan het einde van mijn behandeling: ‘mensen die kanker hebben gehad, voelen vaak de behoefte hun reis nog eens over te doen. Dan gaan ze de Alpe d’Huez beklimmen of trainen voor een marathon.’ Ik dacht toen dat ik wel genoeg had aan mijn expeditie borstkanker, maar nu ik zo intensief aan het trainen ben voor de beklimming van de Col d’Aubisque vraag ik me af of ik inderdaad mijn reis met borstkanker op sportief gebied aan het herbeleven ben. Toen ik afgelopen weekend op de bank lag met overbelaste kniepezen en een zeurende pijn onder mijn knieschijven, barstte ik in tranen uit bij de gedachte dat ik misschien wel niet in staat zou zijn om de berg te beklimmen. Want ik wil de top bereiken. Ik wil zo graag de top bereiken, dat het voelt alsof mijn leven ervan af hangt.
Bij het overwinnen van de borstkanker moest ik afdalen naar het dal van de canyon, toestaan dat ik steeds minder en minder kon. Het was een uitputtingsslag en ik moest proberen overeind te blijven tot het eind van de behandeling in zicht was. Afdalen tot de bodem bereikt was.
Nu onderneem ik de reis in tegenover gestelde richting; ik ben onderaan de berg begonnen en klim langzaam naar de top. Het is een lange klim en net als de expeditie vraagt het voorbereiding, commitment en geduld. En vertrouwen op een goede afloop.
Dat vertrouwen is er niet altijd. Ook de reis naar de top gaat niet in één rechte, stijgende lijn omhoog, maar kent pieken en dalen, momenten van tegenslag, wanhoop en het verliezen van de moed. Gelukkig hoef ik de reis niet alleen te maken. Net als tijdens mijn expeditie borstkanker heb ik vele fietsmaatjes die me op mijn reis vergezellen en ondersteunen. Allereerst natuurlijk familie, vrienden en bekenden die vertrouwen in me hebben uitgesproken door me te sponsoren, daarnaast zijn er mijn fietsvrienden en mededeelnemers aan de challenge, die me – elk op hun eigen unieke manier – begeleiden tijdens het fietsen. De één heeft me enthousiast gemaakt voor het fietsen en me gestimuleerd om de uitdaging aan te gaan. Ze heeft me ingewijd in de wereld van het wielrennen en op haar fiets kreeg ik les in het vast- en losklikken van de pedalen. Samen met haar maakte ik de eerste tochtjes op mijn racefiets.
Ik kwam tot de ontdekking dat veel van mijn vrienden zich ontpopten tot wielrenmaatjes; de één nam me mee voor een trainingstocht door het glooiende landschap van Berg en Dal, de ander nam me op een gure vrijdagochtend mee de Holterberg op en met weer een ander ploeterde ik met windkracht zes door het kale weidelandschap van de uiterwaarden tussen Doesburg en Bronckhorst. Zonder morren stelden ze zich op als meesterknechten in dienst van mij; ze pasten hun tempo aan , zetten de koers uit, hielden me uit de wind, trakteerden me op thee of soep, leidden mijn gedachten af als ik het moeilijk had en boden een luisterend oor.
Anderen verrijkten me met tips en adviezen, leerden me behendigheid op de fiets, gaven me hun hartslagmeter, maakten een trainingsschema voor me, hielpen me bij de afstelling van de fiets, gaven instructies voor klimmen en dalen, hielpen bij het opbouwen van de conditie en lieten me kennismaken met hun favoriete Montferland trainingsrondje, terwijl we samen trainden voor hetzelfde doel.
En dan is er nog de support groep; echtgenoot en vrienden die meegaan om mij de berg op te schreeuwen, die me gaan voorzien van voedsel tijdens de klim, de camper ergens parkeren zodat ik tussentijds even kan uitrusten of iets van kleding kan aan- of uittrekken en er is zelfs een ultieme bondgenoot die me al fietsend naar de top wil begeleiden.

Met zoveel hulp en ondersteuning kan ik gewoon niet falen. Kanjers zijn het. Stuk voor stuk. Allemaal. Al die fietsmaatjes. Bedankt Kanjers! Samen zijn we sterk.

Ik wil heel graag de top van de Aubisque bereiken. Dat is mijn ultieme doel. Het voelt zo sterk dat het is alsof mijn leven ervan afhangt. Desondanks is het belangrijk mij te realiseren dat het om de reis zelf gaat. Dat het gaat om de beklimming, de deelname, de ervaring, het aangaan van de uitdaging, het genieten van mijn lichaam en de fysieke beproeving, het landschap, het gezelschap, de steun en de vriendschap. Het behalen van de top is slechts de kers op de taart.

Ook al zou ik de top niet halen, ik heb nu al volop genoten van de reis er naar toe. Ik heb nieuwe werelden ontdekt, vrienden gemaakt en intense ervaringen beleefd.
Niettemin kan ik, als ik mij voorstel hoe ik al fietsend aankom op de top, de mengeling van trots en vreugde, van ontroering en dankbaarheid, die als een orkaan door mijn aderen raast, al voelen. Ik zie mezelf al huilend in de armen van Frans vallen die op de top op mij staat te wachten. Een emotionele ontlading, die als een fontein naar buiten spuit.

Het bereiken van de top, ik had me dat tot op heden niet zo gerealiseerd, staat symbool voor het  einde van mijn expeditie borstkanker. Precies vijf jaar na dato!

Fietstraining

Na de informatieavond over de Tristan Hoffman Challenge 2019, waarbij de honderdtachtig deelnemers en hun aanhang uitleg kregen over de gang van zaken rond de beklimming op 28 juni en we het profiel van de beklimming te zien kregen, schoot ik in de stress. Nog maar vijftien weken, dacht ik verschrikt. Dat haal ik nooit. Dus stelde ik de volgende dag een strikt trainingsschema op. Het schema liet weinig ruimte over voor andere zaken dan fietsen. In het weekend stond steevast een lange rit gepland om de duur te trainen, donderdags zou ik een heuveltraining doen en de dinsdag werd gereserveerd voor intervaltraining, zou had ik bedacht. Maandag kon ik dan yoga doen om de spieren soepel te houden en de woensdag stond een zwemsessie op het programma om mijn arm te helpen het lymfevocht af te voeren. Vrijdag werd een rustdag, waarbij ik wat zou wandelen.

Ik kwam er al snel achter dat ik – zoals wel vaker in mijn leven – veel te hard van stapel was gelopen. Ik was voortdurend moe en hing na een fietstraining als een zombie op de bank, tot niets meer in staat. Bovendien gingen mijn knieën weer pijn doen. In plaats van vooruitgang te boeken, had ik het idee dat ik steeds minder aankon. Intussen naderde de eerste groepstraining van de Tristan Hoffman Challenge met rasse schreden. Ik voelde de spanning in mijn lijf opbouwen. Ik was bang dat het te zwaar zou zijn voor me, dat ik het tempo niet zou kunnen bijbenen en dat ik weer eens over mijn grens zou gaan. Ik wilde vooral goed naar mijn lichaam luisteren en in een groep is dat gewoon lastig. Bovendien was ik bang om te vallen. Ik was nog niet zo behendig met de fiets en valpartijen uit de Tour en de Giro waarbij de wielrenners als een grote kluwen op de grond lagen, brandden op mijn netvlies. Ik meldde me na lang twijfelen af voor de groepstraining. Het voelde een beetje als een gemiste kans. Alsof ik de aansluiting met de rest was verloren. De groepstraining was een mooie gelegenheid geweest om de andere deelnemers te leren kennen en om tips te krijgen voor het fietsen.

Gelukkig waren er ervaren wielrenners die mij onder hun hoede namen. Van de één kreeg ik een hartslagmeter, zodat ik gerichter kon gaan trainen. Een ander attendeerde me op het aantal ‘rounds per minute’ en adviseerde me om vooral licht en soepel te fietsen om mijn knieën te ontzien. De fysio van de Tristan Hoffman Challenge waar ik contact mee had gezocht, ontfermde zich over mij en bood aan samen een stukje te fietsen, zodat ze mij wat gerichte tips kon geven. Tijdens de eerste fietstocht samen viel het haar op dat ik hijgend naast haar fietste, een teken dat mijn hartslag te hoog was. Ik moest vooral rustiger gaan fietsen. Lang en langzaam fietsen. Dat voelde letterlijk en figuurlijk als een verademing. Er viel een last van me af. Ik ging nu op hartslag trainen in plaats van op snelheid en op souplesse in plaats van op kracht. Ook mocht ik even geen heuvels meer fietsen. Eerst een basisconditie opbouwen en dan pas de hellingen op, hoe verleidelijk dat laatste ook was.

Tweede paasdag deed ik samen met drie andere deelneemsters en de fysio van de Tristan Hoffman Challenge mee aan de Achterhoekse Molentocht. Het was mijn eerste wielrentocht en ik had geen idee wat ik kon verwachten. Ik had het idee van een grote drukte in mijn hoofd, zoiets als de avondvierdaagse waarbij je in een grote file naar de finish loopt, maar toen wij om half negen startten waren er in de verste verte geen andere wielrenners te zien. Het leek alsof het parcours speciaal voor ons was uitgezet. Af en toe werden we ingehaald door een klein groepje renners dat ons voorbij zoefde, maar dat gebeurde maar sporadisch. Ondertussen peddelden we rustig voort met zijn viertjes, waarbij ik leerde om in het wiel te rijden en zo mezelf te ontzien. Het was een heerlijk gevoel om mee gezogen te worden door mijn voorganger. We wisselden regelmatig van koppositie en de snelsten van ons pasten het tempo aan, zodat iedereen gemakkelijk mee kon komen. Af en toe begon mijn hartslagmeter te piepen ten teken dat ik het iets rustiger aan moest doen.
Fietsend in het kleine groepje leerde ik de tekens die wielrenners elkaar geven; hand op de rug ten teken dat er een obstakel als een geparkeerde auto of een voetganger met hond nadert en hand omhoog om te stoppen.
Bij de molen in Zeddam kregen we ons eerste klimmetje. De ervaren dames instrueerden me de fiets in de lichtste versnelling te zetten en om vooral rustig naar boven te fietsen. Straks bij de Aubisque zou dat de tactiek zijn: langzaam en geduldig naar boven klimmen. Als je direct in het begin al je energie verspilt met een sprint bergopwaarts dan red je het niet. Het is een kwestie van geduld en lange adem. Energie sparen. Je benen het werk laten doen. Licht en soepel fietsen.
Ik vond het verrassend gemakkelijk op deze manier en ik kreeg er echt lol in. Toen we even later de Peeskesbult beklommen groeide mijn zelfvertrouwen. Dit kon ik dus gewoon.

De tweede groepstraining van de Tristan Hoffman Challenge was een behendigheidstraining op een wielrenbaan in Eibergen. Hier wilde ik graag aan meedoen, want mijn behendigheid op de fiets kon nog wel wat verbetering gebruiken. Helaas werd deze training door te slechte weersomstandigheden afgezegd. De fysio nam mij en een ander fietsmaatje echter mee naar de Posbank voor een behendigheids- alias bergtraining. Zo leerde ik om in de bochten altijd het buitenbeen omlaag te drukken, waardoor je gemakkelijk de bocht door stuurt. En om net als bij het autorijden door de bocht heen te kijken en niet naar het asfalt op de weg. Een goede tip voor mij is om ook in de bochten door te blijven trappen. Hierdoor ga ik veel sneller en soepeler door de bocht.
Mijn behendigheid is flink gegroeid. Ik stop niet meer standaard bij elke kruising, maar kijk van tevoren of ik door mijn snelheid aan te passen op de fiets kan blijven zitten. Het losklikken gaat nu ook heel snel, terwijl ik daar eerst veel tijd voor nodig had en het me dan niet lukte om ook nog op het verkeer te letten. Ik ben nog aan het oefenen om zonder te kijken mijn bidon te pakken, er een paar slokken uit te drinken en dan wederom zonder te kijken de bidon terug te plaatsen en ondertussen gewoon door te fietsen.
Bergopwaarts gaat het erom de juiste cadans te vinden. Bergafwaarts heb ik geleerd om mijn remmen af en toe in te knijpen en dan weer los te laten. Eerst de achterrem inknijpen, dan de voorrem erbij en dan weer loslaten. Pompend remmen noemen ze dat. En ja, wat ik nooit had gedacht: ik vind afdalen echt superleuk. Het heerlijke gevoel naar beneden te suizen, de wind die door je haren waait, het zoeven van de banden op het asfalt. Een magistrale ervaring.

Ik bewaar goede herinneringen aan die eerste bergtraining op de Posbank, waarbij we drie hellingen bedwongen en ik leerde klimmen en dalen. Sinds die tijd heb ik diverse ‘bergen’ beklommen, waaronder de Eltense berg, de Holterberg en de Amerongse berg. Natuurlijk zijn dit dwergen van bergen in vergelijking met de toppers uit de Pyreneeën en de reusachtige col d’Aubisque. Maar vele kleine klimmetjes maken samen één grote. Het motto wordt: de benen laten draaien dan kom je vanzelf een keer boven.

 

Slaapdronken

Ik ben iemand die slecht tegen alcohol kan. Zo kan ik soms al na één glaasje wijn een draaierig hoofd en slappe, elastieken benen ervaren. Het is dan net of de wereld om me heen verdwijnt in een bubbel, de geluiden worden minder hard, ik zie wat wazig en er stromen vreemde zinnen uit mijn mond waar ik geen controle over lijk te hebben. Meestal voel ik me op zo’n moment vrolijk en ongeremd.
Hetzelfde gevoel kan me echter overvallen als ik erg moe ben. Ook dan voel ik me vreemd zweverig in mijn hoofd en is mijn waarneming minder scherp. Mijn coördinatie en reactievermogen zijn beduidend minder als ik overmand ben door vermoeidheid. Slaapdronken is dan ook een begrip dat ik duidelijk herken. Het is letterlijk: dronken zijn van de slaap. Een relaxte staat van zijn waarbij ik niet meer goed op mijn benen kan staan en niet meer helder kan denken.
Laatst reed ik na een gezellige dag samen met familie alleen in het donker naar huis. Het was nog niet eens zo laat, maar ik voelde me plotseling draaierig van de slaap. Ik concentreerde me op de weg. Zolang ik mijn hoofd stil hield ging het goed, maar wanneer ik mijn hoofd over mijn schouder draaide duurde het even voor ik de wereld om me heen weer helder zag. Ik draaide het raampje een stukje open voor wat frisse lucht en zette een pittig muziekje op om mijn brein wat te activeren. De koude lucht bracht me weer wat bij mijn positieven.
Net toen ik Doetinchem wilde binnenrijden, zag ik een politieagent op de weg staan zwaaien met een rood stop bord. Voorzichtig remde ik af. Aan de zijkant van de weg stond nog een agent. Ik draaide het raampje open en hij gebaarde dat ik iets verder door moest rijden. Alcoholcontrole schoot het door mijn hoofd.
En inderdaad. Een vriendelijke agent zei tegen me: ‘wilt u even blazen?’ en hield een soort glas voor mijn mond. Ik verwachtte een pijpje om op te blazen en wilde mijn mond al om de uiteinden klemmen, maar had net op tijd in de gaten dat dat niet de bedoeling was. Ik hoefde alleen van een afstandje in het glas te blazen.
Ik inhaleerde en ademde uit in het glas dat de agent voor mijn mond hield. Althans dat dacht ik. Maar volgens de agent blies ik ernaast. Vol goede moed probeerde ik het nog een keer, maar nu blies ik niet hard genoeg. Bij de derde poging blies ik zo hard als ik kon, maar nu moest ik volgens de agent langer uitblazen.
Inmiddels had zich een kleine file achter mij gevormd. De agent werd een beetje ongeduldig. Hij zei: ‘u draait uw hoofd telkens weg, zo kan ik er niet goed bij.’ Ik was me daar helemaal niet van bewust en bedacht wat voor indruk ik nu op de agent maakte. Hij dacht vast dat ik dronken was. Althans ik kon me goed voorstellen dat hij dat dacht. En dat idee vond ik hilarisch. Ik kreeg de slappe lach en hikte tegen de agent dat ik het echt niet wist hoe ik moest blazen. Ik probeerde nogmaals in het glas te blazen, maar het leek wel of ik helemaal geen controle meer over mijn adem had. Ik kreeg het niet voor elkaar om hard en lang in het glas te blazen. Dat ik de slappe lach had, maakte het alleen maar erger.
Tenslotte kwam er een tweede agent bij, een forse, potige man, die me een ouderwets blaaspijpje onder de neus hield. Ik omklemde het pijpje met mijn lippen en blies zo hard ik kon. Ik zag de agent verbaasd en langdurig naar het schermpje staren en was bang dat het weer niet goed was gegaan met blazen, maar tot mijn verrassing zei hij: ‘het is goed, rijdt u maar door.’
Omdat ik vergeten was de auto in de vrij te zetten, had ik al die tijd met blazen krampachtig de koppeling ingetrapt gehouden. Ik voelde een lichte kramp in mijn voet opkomen en reed ongecontroleerd en met piepende banden weg. Ik schoot weer in de lach. Shit, wat voor belabberde indruk zou ik nu maken. De agenten hadden gedacht dat ik dronken was, en daar hadden ze wel een klein beetje gelijk in. Ik was slaapdronken.

Mochten jullie nu denken dat ik een gevaar op de weg ben en dat je beter niet bij mij in de auto kan stappen, dan kan ik jullie verzekeren dat ik meestal rustig en veilig rijd. Alleen als ik slaapdronken ben, dan zou ik het stuur van mij over nemen als ik jullie was.

Lente in Drenthe

‘Welkom op camping Molenzicht’, grapt een goede vliegvriend van Frans, als we ons camperbusje in zijn achtertuin parkeren. De oude molen grenst aan zijn tuin en torent hoog boven ons uit. Liggend op bed zie ik de enorme wieken, die vanavond gelukkig stil staan.
We maken kennis met zijn vrouw en wandelen dan met zijn viertjes het centrum van Coevorden in waar we druk kletsend en etend de avond doorbrengen in een Japans restaurant. Het is super gezellig en de tijd vliegt voorbij.
De volgende ochtend heeft de gastvrouw een heerlijk ontbijt voor ons gemaakt. We genieten van warme broodjes en verse jus alvorens we naar Borger rijden waar Frans aan de slag gaat bij een klant van hem.
Ik heb de dag voor mezelf. Mijn voornemen is om vandaag tachtig kilometer te fietsen door het Drentse landschap. Ik rijd de camper naar een parkeerplaats in het bos, zodat ik in alle rust en ongezien mijn fietskleding aan kan trekken. Dat voelt toch iets relaxter dan op de krappe parkeerplaats voor het bedrijf waar ik Frans heb afgezet.
Ik start met de band van de hartslagmeter die ik sinds kort heb, daarna volgen de sport bh, de steunkous voor mijn arm, het shirt en natuurlijk de fietsbroek. Het is nog fris zo ’s ochtends vroeg en ik besluit mijn beenstukken aan te doen. Na een tijdje passen en prutsen kom ik erachter dat de stukken die ik heb meegenomen voor de armen bedoeld zijn en bij lange na niet over mijn dikke dijen passen. Dan maar met blote benen vandaag. Het is niet anders.
Op een paar reepjes en een banaan na heb ik vandaag geen proviand bij me, maar ik ga ervan uit dat ik onderweg wel iets eetbaars tegen zal komen. Nog even mijn windstopper aan en dan ben ik klaar voor de tocht. Ik heb de route niet voorbereid, maar besluit gewoon maar wat op gevoel te gaan rondfietsen. Ik ben benieuwd waar mijn benen me brengen.

De fietspaden liggen bezaaid met takken en dennenappels, het asfalt bolt op door onderliggende boomstronken. Behoedzaam fiets ik over het kronkelende fietspad tussen bomen met sprankelend, fris groen. Mijn benen voelen stijf aan van de kou.
Na een kilometer of zes verlaat ik het bos en fiets door de open velden naar het mooie plaatsje Rolde waar ik mijn ogen uitkijk naar de grote, oude landhuizen en de vrolijke bollenvelden met tulpen. 
Het fietsen gaat bijna vanzelf en dat doet me realiseren dat ik alsmaar omlaag ga en ook nog eens de wind in de rug heb. Geen verstandige combinatie om mee te starten, dat snap ik ook wel, maar de keuze is al gemaakt.
Al snel fiets ik door de buitenwijken van Assen. Wanneer ik bordjes met ‘ TT Racecircuit Assen’ zie, besluit ik een bezoek te brengen aan dit vermaarde racecircuit. Misschien kan ik wel een rondje over het circuit fietsen, schiet het door me heen, net zoals ik dat samen met Margo bij het Varseller ring circuit in de Achterhoek heb gedaan. Deze gedachte brengt een lichte opwinding bij me teweeg en ik ga als vanzelf een beetje harder fietsen. In eerste instantie lijkt het terrein niet toegankelijk. De tribunes met lichtblauwe stoeltjes en de torens met wapperende vlaggen liggen achter grote afgesloten hekken. Maar dan zie ik een doorgang.

 

 

 

 

 

 

Wat onhandig manoeuvreer ik mijn fiets over het terrein dat duidelijk niet bedoeld is voor fietsers. Overal zijn hoge stoepranden en blokkades aangelegd om een soepele doorgang te verhinderen. Ik nader een groepje jongeren dat hier onder leiding van een coach aan het baseballen is. Als ik mijn fiets weer eens stuntelig over een blokkade probeer te tillen, roept één van de jongens uit de grond van zijn hart: ‘wat doet die kutfietser hier eigenlijk?!!’. Ik schiet in de lach, want ik stel me voor hoe misplaatst ik hier als wielrenner over moet komen en na een voorzichtige blik op de VIP tribune, houd ik het voor gezien. ‘De kutfietser’ passeert nog eenmaal de jongeren en maakt zich dan snel uit de voeten.

Een prachtig fietspad brengt me naar het Hijkerveld, een heide- en vennengebied waar een grote schaapskudde mijn pad doorkruist.

 

 

 

 

 

 

Het loopt tegen de middag en ik begin trek te krijgen. Een banaan en een reepje zijn niet voldoende om mijn honger te stillen. In de verre omtrek is niets van bewoning, laat staan horeca te vinden. Ik tuur op het knooppuntenbord en kies op goed geluk een plaats uit voor mijn eerste break. Mijn oog is gevallen op Hoogersmilde, de enige wat grotere plaats in de omgeving. Ik fiets nu langs het kaarsrechte Oranje kanaal met de wind in de rug. De wind is sinds vanochtend flink toegenomen. Met meer dan dertig kilometer per uur zoef ik voort en ik probeer er niet aan te denken dat ik dat hele stuk straks weer terug moet ploeterend tegen de wind in. Eten is nu mijn hoogste prioriteit.
Hoogersmilde ligt uitgestrekt langs een grote weg en de Drentse Hoofdvaart. Aan de overkant van het water zie ik iets dat op een café lijkt. Ik moet nog een stukje verder fietsen voor er een mogelijkheid is om het kanaal over te steken.  Over een gebogen wit bruggetje bereik ik de overkant en fiets weer terug, richting het café dat ik meende te hebben gezien. Nu maar duimen dat ze iets te eten hebben. Een beetje wankel van de honger parkeer ik mijn fiets tegen de muur van het verwaarloosde pand en loop naar binnen. Het is donker en het ruikt bedompt en zurig. Aan de bar zitten twee mannen aan een grote pul bier. Een derde staat aan een grote fruitautomaat. Niet kieskeurig zijn nu, houd ik mezelf voor, als je maar iets te eten hebt. Neem genoegen met frites of desnoods een frikandel. Ik groet de mannen aan het bier en wacht tot er iemand komt. Een Aziatische vrouw steekt verbaasd haar hoofd om de deur en kijkt me vragend aan. Ik vraag of ze misschien iets te eten heeft. Ik krijg een menukaart toegeschoven en zie tot mijn verrassing dat ze soep hebben.  Ik bestel champignonsoep en een cola. Om niet bij de mannen te hoeven zitten, wandel ik naar buiten en neem plaats aan één van de twee tafeltjes die daar wat verloren staan. De wind waait met heftige stoten midden in mijn gezicht. Het wachten op de soep duurt lang. En ik vraag me af waarom ze er zolang over doen om een soep uit blik op te warmen. Maar dan wordt toch eindelijk mijn maaltijd geserveerd: een heerlijke versbereide champignonsoep met bieslook. Dat was wel het laatste dat ik hier had verwacht.
Gesterkt stap ik weer op de fiets. Er staat negenenveertig kilometer op de teller en ik besef dat het tijd is om de terugtocht te aanvaarden. De harde wind langs het kanaal is niet aanlokkelijk, dus besluit ik toch nog een stukje om te fietsen met de hoop in het bos minder last van de wind te hebben.
Ik kom langs een zandwinningsgebied met een voor Nederlandse begrippen onnatuurlijk blauwe kleur. Op het water drijven talloze watervogels. Daarna fiets ik over een onverhard bospad verder. Het rulle zand trapt zwaar met mijn dunne racefietsbanden, maar ik heb nauwelijks last van de wind. Als ik uit het bos kom, zijn er alleen maar rechte, vlakke akkers zover als ik zien kan en een onmetelijk harde wind die me bijna omver blaast. Langzaam ploeter ik voort. Lage versnelling, rustig fietsen, verstand op nul.

 

 

 

 

 

 

Gevoelsmatig probeer ik de juiste richting te vinden, want mijn mobiel is bijna leeg en daarom durf ik niet te vaak op google maps te kijken. In geval van nood wil ik nog wel kunnen bellen.
Het lijkt alsof de verlaten wegen me niet dichterbij brengen. In mijn hoofd hoor ik een nummer van Blof:
Vreemde wegen, brachten me tot hier,
en nog verder en verder, en verder van huis,
Zou je me vinden?,
Het antwoord is ja, jij zou me vinden.

Ja, Frans zou me wel weten te vinden. Hij kan me volgen op Google maps. Alleen heeft hij geen auto, die heb ik ergens in een bos geparkeerd en de sleutels zitten in mijn fietsshirt. Dus ik zal het echt alleen moeten zien te rooien.
Via de Dwingeloose Heide, een prachtig gebied waar ik toch nog wel van kan genieten, koers ik richting Westerbork. Ik ben de afgelopen anderhalf uur niets en niemand tegen gekomen en ik ben weer toe aan een rustplek. Ik heb mijn kaarten gezet op Westerbork.

 

 

 

 

 

Ik plof neer bij het eerste het beste terrasje en bestel een thee en een broodje kroket om weer op krachten te komen. Ik heb ineens heel erg veel zin in chips. Het vriendelijke meisje van de snackbar verwijst me door naar de supermarkt waar ze zeker kleine zakjes chips hebben, zo verzekert ze mij. In de supermarkt kijk ik zoekend om me heen. In mijn fietstenue en zonder mandje val ik blijkbaar wel op, want een medewerker vraagt of hij iets voor me kan betekenen. En zo sjouwt hij met mij in zijn kielzog de hele winkel door op zoek naar chips. ‘Zeker voor het zout hé?,’ vraagt hij belangstellend. ‘Ja,’ antwoord ik dankbaar, als hij me een klein zakje naturel chips overhandigt. Op het terras van de snackbar neem ik nog een kopje thee en peuzel mijn zakje chips leeg. Met het laatste restje energie uit mijn mobiel stuur ik Frans een appje dat ik nog twintig kilometer voor de boeg heb en de afgesproken tijd van half vijf niet ga halen…

Frans reageert, zoals ik van hem gewend ben, genereus en begripvol. ‘Doe rustig aan, ik vermaak me wel op het terras,’ appt hij terug.
De laatste twintig kilometer zijn taai. Het landschap interesseert me niet meer. Ik wil alleen nog maar de kortste route naar de camper. Maar tot mijn teleurstelling loopt er langs de grote weg geen fietspad en is deze route verboden terrein voor mij. De alternatieve route slingert door het Drentse landschap. Telkens wanneer ik de wind in de rug heb, weet ik dat ik de verkeerde kant op fiets, maar soms gaat het niet anders. Eindelijk zie ik dan het bordje met ‘Boomkroonpad’ waar ik de auto heb geparkeerd. De laatste twee kilometer lijken eindeloos te duren. Als ik moe maar voldaan bij de camper aankom staan er 101 kilometers op de teller.
Als een volleerde wielrenner haal ik het voorwiel uit de fiets en leg al mijn attributen in de camper. Mijn racefiets is gelukkig zo licht dat ik deze gemakkelijk met één arm kan optillen. Ik leg de fiets voorzichtig op het grondzeil dat ik op het bed van de camper heb gespreid. Bosgrond verspreidt zich in ons bed, maar daar kan ik me echt niet druk over maken. Ik doe snel mijn gympen aan en rijd dan richting de met Frans afgesproken plaats.

Frans zit met een drankje en zijn laptop op het terras en maakt het zich gezellig. Ik ben slechts anderhalf uur te laat. Andersom zou ik denk ik behoorlijk knorrig zijn geweest, maar daar is bij mijn liefje geen sprake van. Ik word met een brede lach ontvangen en de woorden ‘ik ben zo trots op jou’ zingen nog na in mijn oren.

Afzien

Wielrennen is een harde sport kreeg ik te horen. Fietsen is afzien. ‘Soms ben je uren de berg op aan het stoempen en vraag je jezelf af: Waar ben ik in godsnaam mee bezig?’, vertelde een fanatieke duursporter mij in vertrouwen. Ik moet eerlijk bekennen dat ik dan al snel denk: waarom doe je jezelf dat aan? Waarom iets doen wat je niet leuk vindt?

Onder mijn vrienden is de mening of ik kan afzien verdeeld. Een aanzienlijk deel van mijn vrienden denkt dat afzien en ik geen gelukkig koppel vormen. Dat ik er gemakkelijk de brui aan geef als ik het niet leuk meer vind om te doen of als het te moeilijk wordt. Mijn coachcliënten adviseer ik immers ook regelmatig om vooral lief te zijn voor zichzelf en de makkelijkste weg te kiezen.
Een ander deel van mijn vrienden is ervan overtuigd dat ik juist wel kan afzien en dat maakt hen bezorgd. Ze zijn bang dat ik te ver ga in het afzien en daarbij de grenzen die mijn lichaam aangeeft overschrijd. Of dat ik bezwijk aan de groepsdruk om vooral diep te gaan en door te zetten. Ze zijn oprecht bezorgd dat het beklimmen van de Col d’Aubisque een te zware beproeving is voor mijn door kanker en chemotherapieën geteisterde lichaam.

Ze hebben beiden wel een punt. Als ik niet intrinsiek gemotiveerd ben om iets te doen, vind ik het  lastig om vol te houden. Het voelt voor mij dan al snel zinloos en waarom zou ik me inspannen voor iets dat zinloos en onprettig voelt? Ik kan me maar moeilijk committeren aan van buitenaf opgelegde doelen.
Als ik echter zelf iets wil, dan wordt het een andere zaak. Wanneer ik vanbinnen voel dat ik iets wil bereiken, dan ga ik er 100% voor. Sterker nog: dan moet en zal het gebeuren. Dan heb ik de neiging om met mijn wilskracht mijn lichaam te overrulen. Om pijntjes en signalen van mijn lichaam te negeren en over mijn grenzen te gaan, omdat mijn geest meer wil dan mijn lichaam aankan.

Ik raak het meest gemotiveerd van uitdagingen waarvan het de vraag is of ik ze kan halen. Van grootse en meeslepende doelen die inspanning, doorzettingsvermogen en toewijding vragen. Mijn drive om door te gaan met wielrennen en deel te nemen aan de Tristan Hoffman Challenge groeit als mensen in mijn omgeving eraan twijfelen of ik de top wel ga halen. Op een bepaalde manier houd ik er wel van als het moeilijk is, dat heb ik gemerkt toen ik de borstkanker wilde overwinnen. Dus zelf weet ik dat ik kan afzien.

Ik moet denken aan het woord afzien, als ik op een koude, miezerige zaterdag in maart kleumend op mijn fiets zit, terwijl de lucht steeds grauwer en grauwer wordt. Voor me valt een gordijn van regen op het fietspad. Ik ben net in het midden van mijn training. Nog maar dertig kilometer te gaan. Volhouden nu. Nog een tandje erbij om weer warm te worden. Mijn rug doet zeer. Ik probeer te ontspannen en een andere houding aan te nemen. Een pijntje in mijn knie speelt op. Ik schakel terug naar een lichter verzet. De pijn verdwijnt weer.
Na een tijdje stevig doortrappen weet ik niet meer of ik nat ben van het zweet, de regen of de modder die van mijn banden omhoog spettert. Ik merk dat ik ervan geniet. Afzien. Heerlijk!

Bloesemtocht

Ik parkeer de auto in een rustige woonwijk in Geldermalsen. Niet zo’n handige plaats bedenk ik als ik even later de fiets uit de auto probeer te tillen. Er is niemand op straat die ik kan aanschieten met de vraag om mij even te helpen. Eruit zal nog wel gaan, maar om de fiets er straks in mijn eentje weer in te krijgen zal nog een hele toer worden.
Even later leunt mijn fiets tegen een boom. Trots dat het me gelukt is trek ik mijn wielrenschoenen aan, prop wat proviand in mijn fietsshirt en kijk op de kaart waar ik de route langs de Linge zal oppakken.
Ik heb een klein briefje met de nummers van knooppunten die de route markeren. Het is niet handig om het blaadje telkens uit mijn fietsshirt te moeten vissen. Ik zoek naar een manier om het op mijn stuur of fietsframe te kunnen bevestigen. Even later heb ik de oplossing gevonden. Ik pak een stukje kauwgom, begin flink te kauwen en verdeel het in vieren. Ik pak het blaadje met de knooppunten en plak het op vier punten vast met een stukje kauwgom op het frame van mijn fiets. Ik ben heel benieuwd of het de tocht zal doorstaan.


Ik klik mijn pedalen vast en ga op weg. Op zoek naar het eerste knooppunt. Direct na de start heb ik al last van mijn knieën. Lichte versnelling, rustig losfietsen, genieten van het landschap, houd ik mezelf voor. Dat laatste lukt heel goed. Al snel ben ik mijn knieën vergeten en geniet met volle teugen van de tocht.
De Linge slingert aan mijn rechterzijde tussen riet en wilgenbomen, ik fiets over een smal dijkje met witte dijkhuisjes en grazige, groene weilanden die vol zijn met dartelende lammetjes en hun kalm grazende moeders. Af en toe passeer ik een fruitboom die voorzichtig zijn eerste bloesems toont.
De lucht is grauw en de temperatuur haalt bij lange na niet de voorspelde waarde. Ik ben blij dat ik nog een extra jasje heb aangetrokken.
Ik fiets als een toerist en stap regelmatig af om foto’s te maken en naar het landschap te kijken. Ik zie grote roofvogels boven mijn hoofd cirkelen, ik zie ganzen in grote getale grazen in de weilanden, ik zie twee hazen langs de kant van de weg zitten en ik zie kleine vogeltjes die kwetterend in de nog kale struiken zitten. Op een nest hoog in de lucht zie ik twee parende ooievaars.


Mijn tempo ligt dan ook laag. Maar dat is niet erg. Het doel van vandaag is niet om snel te fietsen, maar om lang te fietsen. Voor het eerst ga ik een tocht maken die langer is dan 70 kilometer. Ik heb er zin in.
De bermen zijn bedekt met gele koolzaadbloemen die heerlijk geuren. Ik heb de smalle dijkjes bijna  voor mezelf. Af en toe word ik ingehaald door een verdwaalde auto. Ik knik vriendelijk naar de bewoners die hun gras maaien of hun tuin staan te harken.
Het enige knelpunt is dat ik al sinds ik uit de auto ben gestapt moet plassen. Nergens vind ik echter een geschikte gelegenheid. Bij elk nieuw plaatsje dat ik aandoe verwacht ik wel ergens een café of restaurant te vinden, waar ik mijn nood kan ledigen, maar dat gebeurt niet. En het is net te druk en te gecultiveerd om gewoon ergens in de berm te gaan zitten.
In Asperen zie ik dan eindelijk een bordje met een horecagelegenheid. Ik moet er een stukje voor omfietsten, maar dat heb ik er graag voor over. Ik zoek een plekje om mijn fiets te stallen en frummel het slot uit mijn zadeltasje. Ik kan bijna niet meer gewoon staan van de hoge nood en wiebel van mijn ene been op het andere, terwijl ik het cijferslot in de juiste combinatie probeer te krijgen. Dat kost enige moeite, omdat ik de cijfers zonder bril niet goed kan lezen. Eindelijk kan ik dan met mijn wielrenschoenen de steile trap aflopen op weg naar het toilet. Zo dat is een opluchting.

Als een echte wielrenner eet ik mijn boterhammen al fietsend op en lurk ik zo nu en dan aan de bidon, die al aardig leeg begint te raken. Ik kom door plaatsjes en buurtschappen met voor mij onbekende namen als Gellicum, Vogelwerf, Heukelum en Kedichem, die allemaal aan de slingerende Linge liggen.

Op Google maps zie ik dat ik nog zeventien kilometer verwijderd ben van Frans, die op het veld in Ameide staat met zijn paragliding club. Ik overweeg om hem te verrassen met een bezoek van mij. Het betekent een aantal kilometers extra op de teller, maar als ik een flinke pauze houd, moet dat wel lukken, maak ik de afweging. Om bij Frans te komen moet ik wel de rivier oversteken via één van de vele pontjes die hier speciaal voor voetgangers en fietsers varen. Als ik bij de oever van de rivier sta, merk ik al snel dat de pont nog niet in de vaart is. Dus besluit ik mijn oorspronkelijke route te vervolgen en Frans een andere keer met mijn gezelschap te verblijden.
Een lichte hoofdpijn steekt de kop op. Ik bedenk dat ik wellicht te weinig heb gedronken en neem de laatste slokken water uit mijn bidon. Ik moet nu echt snel een pauze plek vinden om bij te tanken. Ik merk dat ik slap word. Er staan veertig kilometer op de teller en ik heb nog niet echt gepauzeerd, behalve een korte sanitaire stop en wat fotomomenten. Het natuurgebied is prachtig, maar verlaten. Het lijkt er niet op dat ik hier iets van horeca ga tegenkomen.
Maar uit het niets doemt een bruin bordje op met een mes en vork. Ik fiets de dijk af en kom uit bij een schattig terrasje aan het water en twee woonboten. Ik parkeer mijn fiets in de heg en even later zit ik in het zonnetje aan de zelfgemaakte tomatengroentesoep en een pot verse muntthee. De thee en de soep worden geserveerd in chic gebloemd servies. Voor het toilet word ik verwezen naar de ark, zoals de vriendelijke vrouw met buitenlands accent de woonboot noemt. Ik kom terecht in haar roze gebloemde badkamer met dito toilet. Het voelt alsof ik word teruggeworpen naar de hippietijd uit de jaren zeventig. Ik vul mijn bidon bij met water en dan trap ik de pedalen weer aan.


Het is inmiddels half vijf, windstil en uitgestorven. Met een zacht zonnetje in de rug fiets ik langs kleine dorpjes en weidse vergezichten. Leerdam is de enige grotere plaats die ik passeer. De dijk slingert voort. Af en toe gaat de route van de dijk af en fiets ik door een dorpje. Om de steile dijk weer op te komen moet ik flink vaart maken. Dat lukt wel. Maar bovenaan gekomen wordt het gevaarlijk. Ik moet vaart houden, want mijn voet zit nog vastgeklikt aan het pedaal. Als ik stop zal ik omvallen, maar als ik doorfiets moet ik op goed geluk de dijk op fietsen en hopen dat er geen auto aan komt. Dit gaat een paar keer net goed. Uit voorzorg draai ik altijd naar rechts de dijk op om dan later als ik zeker weet dat er geen verkeer is om te keren.
Eenmaal vergeet ik om tijdig terug te schakelen en fiets ik in een veel te zware versnelling de dijk op. Ik besef dat ik door moet blijven trappen. Stoppen betekent omvallen. Als ik boven aankom voel ik een stekende pijn in mijn rechter knie. De volgende kilometers fiets ik in een extra licht verzet om de knie te ontzien. De pijn ebt weg en ik kan mijn fietstocht ongestoord voortzetten.

De laatste vijftien kilometer gaan over onverharde wegen door landgoed Mariënwaerdt en over een dijkje met appelbomen die nog net niet in bloei staan. Het is de kers op de taart van een prachtige fietstocht. Ik ben zo blij dat ik dit kan en mag meemaken.
Moe maar voldaan kom ik weer aan bij de auto in de rustige woonwijk. Ik eet een banaan, verwissel mijn wielrenschoenen voor gympen en kijk ondertussen of ik ergens een sterke, behulpzame man kan ontdekken. Helaas.
Met mijn linkerarm til ik de fiets op en leg hem voorzichtig in de kofferbak. Via de achterdeuren sjor ik aan het wiel om de fiets iets verder de auto in te krijgen. Het achterwiel steekt nog ongeveer tien centimeter uit. Stukje bij beetje krijg ik de fiets steeds verder de auto in, totdat uiteindelijk de achterklep dicht kan. Het geeft een goed gevoel dat ik dit zelfstandig voor elkaar heb gekregen zonder mijn rechterarm te forceren.

Met een glimlach om mijn mond rijd ik richting Doetinchem. Vandaag heb ik 73 kilometer gefietst en ik ben niet eens gesloopt van vermoeidheid.

Stramme knieën

Voor het eerst in mijn leven heb ik last gekregen van mijn knieën. Dat komt waarschijnlijk door een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Om mijn beenspieren te versterken doe ik al een tijdje oefeningen die ik van de sportarts van Papendal heb gekregen. Tijdens het oefenen hoorde ik mijn rechterknie steeds vaker een knakkend geluid maken, totdat ik er op een dag doorheen zakte. Volgens mijn lymfetherapeut, die ook fysio is, heb ik de oefeningen niet goed uitgevoerd, waardoor er teveel druk op de knieën is gekomen.
Daarnaast ben ik natuurlijk bij de bikefitter geweest, die mijn fiets flink heeft aangepast. Het viel de bikefitter op dat ik met mijn hakken omhoog fietste en hij adviseerde me om te proberen de hakken te laten zakken. Dus toen ik thuiskwam ging ik dat direct enthousiast uitproberen op de taxtrainer. Een half uur lang fietste ik met mijn hakken stevig omlaag geduwd. Het resultaat was een zeurende pijn aan de binnenkant van mijn rechterknie en problemen bij het lopen, die ik het best kan omschrijven als ‘op slot springen’ of ‘verkeerd schieten’. Ik was bang voor een kapotte meniscus of overbelaste kruisbanden, maar de fysio dacht eerder aan een overbelaste scheenbeenpees.

Toen ik de bikefitter vertelde dat ik zijn advies had opgevolgd en voordeed hoe ik had gefietst, schudde hij vertwijfeld zijn hoofd. Zoals wel vaker bij lichamelijke bewegingen, had ik de gewenste verandering veel te ver doorgevoerd. Een kleine subtiele verandering had volstaan; ik had het trappen met mijn hakken veel te extreem uitgevoerd en daar ondervond ik nu de gevolgen van.
De bikefitter verstelde mijn fiets op nog een paar punten en adviseerde op maat gemaakte steunzolen om mijn voeten te stabiliseren. Volgens hem kwam het probleem met mijn knie voort uit mijn voeten en mijn geringe core stability.
Hoewel de bikefitter me op het hart drukte om alles goed uit te testen en terug te komen als ik niet tevreden was, lukte dat niet omdat ik niet durfde te fietsen omdat ik bang was een echte blessure te ontwikkelen. Ik nam noodgedwongen gas terug met sporten. De hele winter gaf ik mijn lichaam rust om te herstellen en zeurde het in mijn hoofd dat alles wat ik afgelopen maanden aan conditie had opgebouwd nu in rap tempo weer verdween.
Toen ik mijn steunzolen ging ophalen bij de bikefitter was er een wielrenner uit Vlaanderen. Hij was helemaal uit België gekomen om speciaal hier in Doetinchem zijn fiets te laten finetunen. We raakten aan de praat en ik vertelde hem trots over mijn voornemen om de Col d’Aubisque te bedwingen voor het goede doel.
‘Wel dertig kilometer klimmen’, zo verzekerde ik hem.
‘Ik houd niet zo van die korte afstanden’, antwoordde hij. ‘Ik fiets graag zo’n driehonderd kilometer op een dag.’
‘Ja, ik ook’, zei de bikefitter. ‘Ik ben vorig jaar van Slovenië naar huis gefietst en dan fiets ik het liefst een paar honderd kilometer per dag.’
‘Pfff, ik ben al blij als ik de zestig haal op een dag’, zei ik verbluft.
De Vlaming keek me doordringend aan en zei: ‘maar fietsen is wel heel verslavend hoor.’
‘Ik weet het’, antwoordde ik lachend. ‘Ik kan al weken niet fietsen door een blessure en ik word er stik chagrijnig van.’
De twee mannen lachten een lach van herkenning en begrip. En zo voelde ik me toch nog een beetje ondersteund door deze twee wielrenpatsers.

Ik besloot mijn blessureleed te bestempelen als een leerzame ervaring die elke sporter wel een keer meemaakt. Een worsteling die je moet zien door te komen. Een vertwijfeld zoeken naar de juiste aanpak en de juiste therapeut of behandelaar.
Ik bleef zitten met de vraag of de knieproblemen door de nieuwe afstelling van de fiets waren ontstaan. Ik had de neiging om de fiets weer terug te laten zetten in zijn oude stand. Maar was dat wel verstandig? Misschien was de nieuwe afstelling op de lange termijn wel beter voor mijn lichaam, en moest ik gewoon wennen aan de belasting en de nieuwe stand van mijn voeten door de steunzolen.

Het is een vraag waar ik het antwoord nog niet op heb gevonden. Het gaat langzaam aan weer beter met mijn knieën. Heel voorzichtig ben ik op de taks begonnen met trainingen van tien minuten die ik heb uitgebouwd tot een uur en een kwartier. Buiten heb ik de eerste tochten van vijftig kilometer alweer gemaakt. Na afloop heb ik pijnlijke, stramme knieën. De ene keer meer dan de andere keer. Soms is het direct ook weer over, maar soms houdt het zeurende pijntje een aantal dagen aan.

Horen deze pijntjes bij een normale training of balanceer ik op het randje van overbelasting? Betekent pijn in de knieën dat mijn fiets toch niet goed is afgesteld of is het een kwestie van wennen? Allemaal vragen waar ik van medewielrenners zeer diverse antwoorden op krijg en waar de meningen over verdeeld zijn. Het enige wat ik kan doen is luisteren naar mijn lichaam.

Wordt vervolgd.

Kanjers voor Kanjers

Woensdagavond zitten Frans en ik in een zaal vol enthousiaste, sportieve Achterhoekers die zich net als wij met hart en ziel willen inzetten om geld in te zamelen voor de Stichting Kanjers voor Kanjers.
De kanjers waar wij ons hard voor maken zijn kinderen uit de Achterhoek met een fysieke, geestelijke of financiële beperking.
Kinderen dicht bij huis blij maken door sport en spel mogelijk te maken, dat is het doel van Kanjers voor Kanjers. Het kan gaan om kinderen die langdurig ziek zijn of niet lang meer te leven hebben, kinderen met een beperking, kinderen die om wat voor reden dan ook niet thuis kunnen wonen, kinderen waarbij er thuis geen geld is om iets extra’s te doen, kinderen die geen kind kunnen zijn.

Door het organiseren van sportieve evenementen, en donaties van particulieren en het bedrijfsleven, maakt Kanjers voor Kanjers dromen van kinderen waar. Het geld dat wordt ingezameld komt volledig ten goede aan projecten voor sport en spel voor kinderen in de buurt. Iedereen met een wens voor het welzijn van kinderen kan bij Kanjers voor Kanjers terecht. Dat kunnen zowel aanvragen zijn voor groepen als voor een individueel kind.

Iemand van de projectgroep vertelde aan de hand van foto’s welke wensen van kinderen ze afgelopen jaar hadden gerealiseerd. En nog belangrijker: voor welke specifieke doelen wij, als deelnemers aan de Tristan Hoffman Challenge de Col d’Aubisque op gaan knallen.
Met het geld dat wij inzamelen zal voor de Manage zonder Drempels een paardenkoets voor rolstoelers worden aangeschaft. Voor een school waar kinderen met een geestelijke beperking les krijgen zal een speelveldje worden gerealiseerd. Voor kinderen die zich niet of nauwelijks kunnen bewegen zal een tocht met een ‘huifbed’ mogelijk worden gemaakt. Hierbij liggen de kinderen op een bed dat op twee paardenruggen is bevestigd. Door de beweging van de paarden wordt het lichaam van het kind zachtjes gestimuleerd en gemasseerd wat zorgt voor een heerlijke ontspanning. In Schouwburg Amphion kunnen kinderen deelnemen aan het  ‘meedoen muziekfestijn’.

Afgelopen jaren is onder andere een speciale fiets aangeschaft voor de gehandicapte Rolf, zodat hij zelfstandig naar school kan fietsen. Heeft Lisa een verrijdbaar ligbed gekregen voor in de klas, zodat ze toch naar school kan. En is de droom van de zieke Stijn uitgekomen met een ballonvaart. De blinde en slechtziende kinderen van de Bartolomeüs school in Lochem hebben een klimclinic gehad in het klimbos. Een muziektherapeut kwam aan huis bij zieke kinderen om samen muziek te maken. En de chronisch zieke kinderen uit het Slingeland ziekenhuis kregen een verwenmiddag waar ze nog lang met plezier op terug kunnen kijken.

Ik kreeg een brok in mijn keel bij al deze persoonlijke verhalen en gerealiseerde wensen. Ik voelde me ontroerd door de inzet en de warme betrokkenheid van de vrijwilligers van Kanjers voor Kanjers. En ik realiseerde me dat ik samen met de mensen in de zaal ook bij de Kanjers behoor. De kanjers die zich inzetten voor de kanjers die het nodig hebben. Fijn om hier onderdeel van uit te mogen maken.

Het stimuleert nu ik weet waarvoor ik de komende maanden zo hard ga trainen. Om mee te mogen doen met de Challenge moet ik € 500,- aan sponsorgeld binnen halen. Ik sta op dit moment op € 255,. Dus mocht je net als ik geraakt zijn door de mooie dingen die Stichting Kanjers voor Kanjers voor kinderen realiseert en mij willen ondersteunen, doneer dan een bedrag dat voor jou goed voelt. Ga naar https://deelnemers.tristanhoffmanchallenge.com en klik op de doneerbutton achter mijn naam.

Hartelijk bedankt!  Ook namens de kanjers waar we het voor doen.

 

Bikefitter

Mijn fietsmaatje die me op het spoor van Kanjers voor Kanjers heeft gezet, vertelde tijdens het fietsen eens enthousiast over haar ‘bikefitter’, die haar racefiets minutieus op haar lichaam had afgesteld. Nu had ze nooit meer ergens last van; geen zadelpijn, geen pijn aan haar voet en ook geen pijn aan rug of nek. Hoelang ze ook op haar fiets zat.
Mijn interesse was gewekt. Alleen had ik niet direct een aanleiding om naar een bikefitter te gaan.
Toen ik een paar maanden later contact opnam met de desbetreffende bikefitter was dat dan ook meer uit nieuwsgierigheid en de behoefte alles van de wielerwereld te doorgronden en mee te maken, dan uit pure noodzaak. Ik verwachtte dan ook geen noemenswaardige aanpassingen aan mijn fiets. Ik kwam er al snel achter dat de bikefitter hier heel anders over dacht.

De bikefitter was gehuisvest in een kleine ruimte bij een sportcentrum op het industrieterrein. Op zijn website had ik gelezen dat hij van huis uit orthopedisch technicus was en jarenlang mensen had geholpen door het aanmeten van hulpmiddelen en protheses. Door zijn oorspronkelijke beroep had hij zowel kennis van de anatomie van het menselijk lichaam als van de toepassingsmogelijkheden van materialen en technieken. Daarnaast was hij zelf een fervent fietser en had hij in het beroep van bikefitter al deze componenten weten te verenigen. Ik hield in mijn achterhoofd dat hij misschien iets zou kunnen maken om mijn arm te ontlasten met fietsen.

Aan de telefoon had de bikefitter met zijn Achterhoekse ‘kaken op elkaar accent’ kortaf en weinig inspirerend geklonken, maar nu ik zijn vrolijke gezicht bij dit accent zag, kreeg ik direct al een andere indruk. ‘Zo’, zei hij voortvarend, ‘dat stuur lijkt me te breed voor jouw postuur.’ En hij hield een smal stuurtje voor mijn schouders. ‘Kijk, dat past al een stuk beter. Een stuur moet net zo breed zijn als je schouders, anders krijg je last van je nek.’ Het klopte inderdaad dat wanneer ik lang op de fiets zat, ik last van mijn nek kreeg. Soms zelfs zo erg dat ik er hoofdpijn van kreeg. Ik stapte dan ook vol vertrouwen op mijn racefiets, die de bikefitter in een rollerbank had vastgezet.

Pfff, dat viel tegen. Ik fietste me helemaal te pletter. Het was echt loeizwaar. Ik sputterde wel een beetje tegen de bikefitter dat ik het best zwaar vond en dat ik nu al moe was, maar hij reageerde hier niet op en ik dacht dat het mijn onervarenheid was die het zwaar maakte, dus fietste ik moeizaam door. De bikefitter had me gefilmd en schudde misprijzend zijn hoofd. ‘Kijk’, zei hij wijzend op het computerscherm dat voor me hing, ‘je drukverdeling op de pedalen is helemaal niet goed, je zet helemaal geen kracht met je voeten. Normaal moet hier een rondje verschijnen, dat betekent dat je de druk mooi gelijkmatig verdeelt, maar bij jou zie je een achtje. Onderaan verlies je alle druk.’
Ik keek hem wazig aan.
‘Kom maar eens naar jezelf kijken.’ En hij gebaarde dat ik van de fiets af kon komen. Moeizaam klikte ik mijn schoenen los van de pedalen en liep naar hem toe. Ik had gedacht toch wel recht en soepel op de fiets te zitten, daar had ik in ieder geval mijn best voor gedaan, in mijn achterhoofd houdend dat ‘de benen het werk moesten doen’ zoals mijn ervaren fietsvrienden me hadden geleerd, maar het filmpje toonde een ander beeld. Ik zag iemand die kromgebogen en met een woest bewegend bovenlijf te keer ging alsof haar leven er vanaf hing. Ik begreep direct wat de bikefitter bedoelde. Niets benen die het werk deden. Mijn hele lijf deed mee en dat schijnt met fietsen dus niet de bedoeling te zijn.
De bikefitter ging aan de slag om mij efficiënter te laten fietsen en om mijn fiets zo af te stellen dat ik mijn kracht beter kon overbrengen op de pedalen. Dan zou het vast makkelijker worden met fietsen, zo praatte hij me moed in. Ik nam weer plaats op mijn fiets, die ik moeizaam op gang kreeg. Het zadel werd telkens een millimeter lager gezet, waarop ik moest reageren wat en waar ik iets voelde. Ik voelde echter zoveel in mijn lijf dat ik geen idee had wat ik zou moeten zeggen. Bovendien was ik vooral uitgeput van al dat kracht zetten op de pedalen. Dus ik knikte maar wat.
Na de zadeldrukmeting gingen we door met het afstellen van de pedalen en het bevestigen van ‘kegjes’ – kleine, harde plaatjes, onder mijn schoenen. Ik was nu in het stadium dat ik door alle aanpassingen echt niet meer wist wat ik voelde. Laat staan dat ik kon antwoorden of iets wel of niet goed voelde. Ik had werkelijk geen idee.
Toen ik weer moest aanzetten voor een sprintje, zei de bikefitter ineens: ‘oh de rem staat er nog op.’ En hij haalde een palletje over waardoor de pedalen ineens als een dolle ronddraaiden. Na een tijdje zei hij: ‘je mag wel wat rustiger fietsen hoor.’ Maar nu de rem ervan af was, kon ik het gemakkelijk aan.
Toen de bikefitter klaar was met het optimaliseren van de fietsafstelling voelde ik vooral pijn in mijn knie en dat baarde me zorgen, want ik had nog niet eerder in mijn leven last van mijn knie gehad. Ook niet na een pittige fietstocht.
We spraken af dat ik de fiets en de meegekregen zooltjes voor een betere ondersteuning van mijn voeten zou uittesten en dat ik dan weer contact op zou nemen.
De hele afstelling had uren in beslag genomen en het was inmiddels donker geworden. De bikefitter ging er als een haas vandoor op zijn eigen fiets, want hij moest zijn kinderen van het kinderdagverblijf halen. En daar stond ik dan buiten gesloten en in het donker met een fiets zonder verlichting. Gelukkig kwam mijn redder in nood me na een appje ophalen bij het pand van de bikefitter waar ik verkleumd door de kou stond te wachten. Ik was weer een fietservaring rijker, al was ik er nog uit of ik daar blij mee was.

Fietstrainer

In het kader van ‘help Dorothé de Col d’Aubisque op’ worden alle mogelijke hulpmiddelen ingezet door mijn enthousiaste, ondersteunende man Frans. Alles wordt uit de kast gehaald om mij zo goed mogelijk voor te bereiden op mijn eerste bergbeklimming. Zo heb ik van Frans bijvoorbeeld een fietstrainer gekregen.
Nee, geen  fietstrainer in de vorm van een persoonlijke begeleider die me achter de broek zit om zoveel mogelijk te trainen, maar een apparaat waar ik mijn racefiets in kan klikken. Een moderne uitvoering van de hometrainer. Handig wanneer het lastig is om buiten te trainen door sneeuw en kou.
De fietstrainer, door ons ‘de Tacx’ genoemd, staat pontificaal in de woonkamer vlak voor de tafel met daarop een laptop en onze televisie. Het leukste element van de fietstrainer is namelijk dat je echte bergritten kunt fietsten. Op het scherm zie je bijvoorbeeld het berglandschap van de Alpen en volg je de beklimming van de Alpe d’Huez, de Col de la Madeleine of de Passo di Stelvio. Er zitten ontelbaar veel fietsroutes in, variërend van beroemde beklimmingen als de Mont Ventoux of de Col du Tourmalet tot avontuurlijke ritten door Yosemite National Park, de Spaanse Picos d’Europa of de Schotse hooglanden. Er staan ook vlakke trainingsroutes bij; zoals fietsen langs de Nederlandse en Vlaamse kust en een citytrip door Barcelona. Alleen wat er niet bij zit – je raadt het natuurlijk al – is de Col d’Aubisque. Erg jammer.

Met de wijze woorden van mijn fietsvrienden in mijn achterhoofd besluit ik niet als een dolle van start te gaan en direct voor de Mont Ventoux te kiezen (wat ik eigenlijk wel het liefst zou willen), maar het rustig op te bouwen. Dus begin ik met een fietstocht door het vlakke Vlaamse land.
En zo zit ik op een druilerige maandagochtend met mijn fietsoutfit op de Tacx en geniet van een groen en zonnig landschap met ondergaande zon. Hoewel ik de schuifpui wagenwijd heb opengezet (sorry, vandaag ben ik even niet milieubewust) loopt het zweet in straaltjes van mijn hoofd. Dat heb ik buiten, zelfs op een warme zomerdag, nog nooit gehad. Het is een lekker gevoel.
Het fietsen op de Tacx is statisch en zwaarder dan buiten fietsen. Maar het is erg stimulerend om je eigen verrichtingen te volgen op het scherm. Ik kan precies zien hoe hard ik fiets, hoeveel omwentelingen per minuut ik maak en welke afstand ik heb afgelegd. Ook wordt bijgehouden hoeveel kracht ik op de pedalen zet.
Licht en soepel fietsen heb ik geleerd van mijn ervaren fietscollega’s. De benen moeten het werk doen. Het aantal omwentelingen per minuut moet bij voorkeur liggen tussen de 80 en 100 RPM (Rounds Per Minute). Met een beetje moeite kom ik aan 85 RPM op een heel licht verzet en fiets ik stabiel zo’n 24 km per uur. Dat is meer dan ik buiten haal, maar dat komt omdat ik op de Tacx niet op het verkeer hoef te letten. De stoplichten op de film staan altijd op groen en voorbij komende auto’s of voetgangers kun je gewoon negeren.
Ik heb me voorgenomen om de dag te trainen en de training iedere keer met tien minuten te verlengen. Het doel is dat ik uiteindelijk vier uur op de fiets kan zitten.
De eerste trainingen gaan lekker en de vierde keer kan ik het toch niet laten om alvast een bergparcours uit te proberen. Ik kies de route in de Picos d’Europa naar de meren van Covadonga waar we afgelopen zomer zijn geweest. Ik vind het heel leuk om de route die ik fiets te herkennen, omdat ik er zelf geweest ben. Dat geeft een extra stimulans.
Niet overdrijven en niet over mijn grens gaan, zo heb ik mezelf voorgenomen. Dus stap ik na vier kilometer bergopwaarts netjes af. Tevreden noteer ik de trainingsgegevens in mijn fietsdagboek.

Lana

(dit blog hebben jullie al een keer ontvangen, dat komt omdat er iets mis is gegaan met de opslag van de berichten en ik dit bericht opnieuw moet uploaden. Over een half uur komt er een nieuw blogbericht aan…)

Drie jaar geleden kwam er een klein, wit konijn bij ons. Ze was zacht en pluizig als wol. Daarom noemden we haar Lana, wat wol in het Spaans betekent. De fokker noemde haar trots een ‘tri colore’ dat heel bijzonder schijnt te zijn voor een konijn, maar wij vonden haar vooral heel lief. Lana was niet alleen zacht aan de buitenkant, ze had een zachtaardig en vriendelijk karakter. Zeker, ze was eigenwijs en had een sterke wil, maar ze zou nooit bijten of krabben. Dat kwam waarschijnlijk omdat ze heel ontspannen was. Ze was het meest relaxte konijn dat we ooit hadden gezien. Als baby lag ze al languit naast de wasmachine en vertrok geen spier toen de centrifuge met luid geraas aan zijn werk begon. Mijn neef dacht zelfs dat ze doof was, omdat ze niet zichtbaar reageerde op geluid.

Een paar weken geleden hoorde ik het kattenluikje klepperen toen ik in bed lag. Dat was vreemd want we barricaderen het luikje ’s nachts altijd met een grote steen. Niet zozeer om onze konijnen binnen te houden, als wel om vreemde indringers buiten te sluiten. De steen vervult deze functie prima, sinds Lana de kunststof klep van het luikje met bruut geweld heeft vernield, omdat deze niet openging toen ze naar buiten wilde. (Zoals ik al zei: ze is zachtaardig van karakter, maar als ze iets wil dan gaat ze ervoor. Een eigenschap waar ik veel waardering voor heb.)
Ik liep naar beneden en merkte op dat Lana naar buiten was gegaan door het luikje. De steen stond stil in een hoekje. Ik was hem vergeten voor het luikje te plaatsen. Toen ik buiten kwam, zag ik dat Lana nauwelijks kon lopen. Ze sleepte zich moeizaam over de grond en probeerde weg te kruipen in de kleine ruimte tussen schutting en bloembak. Toen ik haar optilde hing ze met haar zes kilo zware lijf slap en willoos in mijn armen. Het was alsof alle kracht uit haar was verdwenen. Binnen, bij het licht van de lamp, ontdekte ik bij haar rechter voorpoot een gezwel van zo’n tien centimeter. Er zat een vieze, zwarte korst op en er kwam wat pus uit. Ik streelde even haar kopje. Ze keek me aan met een vermoeide blik. ‘Lana gaat dood,’ snikte ik in de armen van Frans, ‘ze heeft een gezwel van hier tot Tokio’.

De volgende dag ging ik met Lana naar de dierenarts, die mijn verhaal vol medeleven aanhoorde en de diagnose stelde waar ik al bang voor was: een kwaadaardig gezwel met uitzaaiingen. Het kon ook nog een ontsteking zijn, maar die kans achtte ze heel klein. Ik ging huiswaarts met pijnmedicatie en de afspraak om een paar dagen later terug te komen, waarschijnlijk om Lana dan in te laten slapen.

De pijnmedicatie bestond uit drie grote, bruine pillen, bedoeld voor honden, maar ook werkzaam bij konijnen. Ik moest de pillen fijn prakken en door het eten mengen of oplossen in vloeistof en via een spuitje in de bek toedienen. Ik pureerde de pil in de blender en mengde er appel – Lana’s lievelingskostje – doorheen. De pil rook sterk naar hondenvoer. Toch had ik goede hoop dat Lana het appelprakje zou opeten. Ik zette het schoteltje flemend voor haar neer. Lana keek er vol walging naar, wende haar hoofd af en sloeg het schoteltje met haar poot omver. Het schoteltje rolde over de vloer en het appelprakje mengde zich met stro en konijnenkeutels.
Snel stapte ik op de fiets naar de supermarkt waar ik olvarit wortel en appeldiksap kocht. De dierenarts had gezegd dat dat goede middelen waren om de pil mee te vermengen. Vol goede moed pureerde ik de tweede pil en mengde deze met het olvarit wortelpapje. Helaas. Lana wilde met geen mogelijkheid eten. Ik vroeg me af of ze nog wel kon eten. Het leek of ze moeilijk kon slikken. En volgens mij had ze sinds de avond tevoren niets meer gegeten of gedronken. Ik zag dat ze er slecht aan toe was. Ze had de pijnstilling echt nodig. En snel ook. Ik loste de derde pil op in warm water en zoog deze op in de spuit. ‘Lana doe alsjeblieft je bek open’, smeekte ik. Maar Lana hield haar kaken stijf op elkaar.
Een vriendin kwam om me te helpen bij het toedienen van de pijnstilling. Ze nam Lana op schoot en hield haar stevig vast, zodat ik het spuitje aan de zijkant van de kaak naar binnen kon duwen en langzaam leegspuiten. Een triomfantelijk gevoel maakte zich van me meester. Als Lana de pijnstilling binnen kreeg zou ze zich weldra beter voelen. Maar ik had te vroeg gejuicht. Ik zag de mouw van mijn vriendin langzaam bruin kleuren. Lana liet de vloeistof langzaam uit haar bek lopen.
Ik zag Lana met het uur achteruit gaan. Er moest nu snel iets gebeuren. Ik belde de dierenarts, maar die zat helemaal vol en ik kon pas tegen de avond terecht. Ik vond het vreselijk om Lana zo te zien lijden en rende van de stress rusteloos door het huis op en neer. Gelukkig belde de dierenarts terug om te zeggen dat ik direct kon komen.
Toen ik de dierenarts vertelde dat ik alle pillen had verbruikt zonder dat Lana er ook maar iets van binnen had gekregen, vroeg ze of ik kon spuiten. ‘Nee,’ zei ik, ‘maar ik wil het wel leren.’ En zo kreeg ik even later mijn eerste injectieles. Ik leerde hoe ik de plastichuls moest vasthouden, met mijn andere hand een huidplooi moest pakken en dan de naald evenwijdig aan het lichaam in de huid prikken. De eerste keer had ik een te kleine huidplooi gepakt, waardoor ik de knalgele vloeistof er aan de andere kant weer uitspoot. De tweede keer ging het beter. Eerst resoluut door de huid prikken en dan de spuit langzaam en gelijkmatig leegduwen.
Ik kreeg pijnstilling mee voor een paar dagen. Als Lana goed reageerde op de pijnstilling konden we het nog een tijdje aankijken en de natuur zijn gang laten gaan. Als ze nog verder achteruit zou gaan en benauwd zou worden, dan zouden we haar laten inslapen.

Lana reageerde goed op de pijnmedicatie. Toch hielden we er rekening mee dat we met een paar dagen afscheid van haar zouden moeten nemen. Dit had ook zijn mooie kanten. Ik bracht uren door aan haar zijde en genoot extra van haar. Ik knuffelde zoveel ik kon en spendeerde kapitalen aan lekkere hapjes. Lana oogde tevreden. Ze verorberde de potjes verse peterselie en tijm die ik voor haar kocht met een ongekende gretigheid en knorde intens gelukkig als ik haar wangen streelde. Alwin waste haar en lag dwars over haar heen om zijn genegenheid te tonen. Op een zonnige dag huppelde ze naar buiten en knabbelde van het gras.

Eind van de week gingen we met lood in de schoenen terug naar de dierenarts. Ik was bang dat deze zou zeggen dat het hopeloos was en dat we de knoop moesten doorhakken om haar te euthanaseren. Ik vertelde de dierenarts dat ik vond dat het beter ging met Lana en dat ik zelfs dacht dat het gezwel kleiner was geworden. Om uit te sluiten dat het misschien toch om een ontsteking ging, kregen we naast de pijnmedicatie ook een antibioticakuur mee.

Het spuiten ging steeds lastiger. In het begin liet Lana zich gemakkelijk prikken, maar ze ging zich steeds meer verzetten. Als ze ons aan zag komen, kroop ze al weg in het hok, zodat we er niet bij konden en als ik de naald in haar vel stak, maakte ze heftige bewegingen, zodat ik onmogelijk de vloeistof er rustig in kon spuiten. De eerste keer spoot ik de antibiotica er dan ook half naast. Dat ontdekte ik pas later op de ochtend aan haar natte, kleverige vacht. Ook ontdekte ik een bloederig spuitgat op de plek waar ik haar had geprikt. Mijn hart kromp ineen. Wat moest dat prikken haar zeer doen. De volgende dag nam Frans de ondankbare taak op zich om Lana de pijnstilling en de antibiotica in te spuiten.

Gedurende de week had ik contact opgenomen met een dierentolk. Deze jonge vrouw had via een foto contact gemaakt met Lana en schreef dat Lana al langere tijd pijn had en benauwd was, maar dat ze er nog niet aan toe was om te sterven. Lana zou zelf aangeven als ze zover was, dan zou ze stoppen met eten.
Op de dag dat we Lana de antibiotica hadden ingespoten werd ze steeds futlozer. Als een zielig hoopje lag ze in haar mand te hijgen. Ze at en dronk niets. Af en toe kauwde ze lusteloos op een takje peterselie dat ik voor haar neus hield. Ik bedacht dat dit waarschijnlijk haar laatste dag was. Dat het morgen zo ver was om haar in te laten slapen, als ze de nacht tenminste door zou komen.
De volgende ochtend was ik bang voor wat ik zou aantreffen. Gelukkig. Ze leefde nog. Als ze vandaag niets zou eten, dan was dit haar laatste dag. Als Lana dan toch dood zou gaan, dan hoefden we haar ook niet meer te kwellen met die vervelende antibiotica injectie, zo besloten we.
Tot mijn grote en blijde verrassing at Lana die dag. Ze at alsof ze wist dat haar leven ervan afhing. Ze at appel, wortel, brokjes, peterselie, witlof, andijvie, hooi, brood en nootjes. Ze at zoals je eet als je je voorraden moet aanvullen. Ze at drie keer zoveel als normaal en met een ongekende kracht en gretigheid.

Sinds die dag gaat het steeds beter met Lana. Het gezwel is op wonderbaarlijke wijze verdwenen. De dierenarts staat voor een raadsel, maar is samen met ons heel blij dat Lana er nog is. En vandaag heeft Lana heerlijk in de sneeuw gerend samen met Alwin. We hopen dat we nog lang van haar mogen genieten.

Gezond en sportief

Laat ik voorop stellen dat ik me fit en gezond voel. Mijn conditie is goed en mijn lichaam verlangt er gretig naar om te sporten, daarom is het zo frustrerend dat ik word geplaagd door gewrichtspijnen en blessures die me het sporten belemmeren.

Het begon met pijn in mijn handen als ik ’s ochtends wakker werd, daarna volgden mijn polsen. Ik hoefde maar een beetje zware pan op te pakken of mijn pols knakte om als een slappe bloemenstengel. Het polsgewricht voelde dan nog twee dagen beurs aan. Na het fietsen kreeg ik steeds vaker pijn in mijn rug en nek en de tenen van mijn rechtervoet stonden in een vreemd gekromde hoek. In de keuken en de supermarkt had ik het idee dat artikelen waar ik voorheen met gemak bij kon, ineens onbereikbaar voor me werden. Ik moest steeds vaker een beroep doen op een krukje of iemand vragen om het voor mij te pakken.
Zou ik dan nu al aan het krimpen zijn?, vroeg ik me vertwijfeld af. Zou de osteoporose dan nu al in gang gezet zijn? Om dit te controleren ging ik met mijn rug tegen een witte muur staan en zette met potlood een streepje vlak boven mijn hoofd. Shit. Zie je wel. Nog maar 1.58 meter, terwijl ik altijd 1.60 meter lang ben geweest. Kon ik in een paar maanden tijd twee centimeter gekrompen zijn? De volgende dagen deed ik verwoede pogingen om mezelf weer op te rekken tot 1.60 meter. Het gevolg was een verrekte schouder en een zere arm… (:

Ik deelde mijn twijfels met mijn schoonzus die als Cesar therapeut werkt. Ze suggereerde lachend dat het verval misschien al langer aan de gang was. ‘Nee, dat kan niet,’ zei ik, ‘want in augustus met de fietstest op Papendal ben ik nog opgemeten en toen was ik 1.62 meter. En zo lang ben ik mijn hele leven nog niet geweest.’
Mijn schoonzus en ik grapten dat wanneer ik in dit rappe tempo zou blijven krimpen, ik weldra zou veranderen in een dwerg. Tegen de tijd dat ik tachtig was zou ik niet groter zijn dan een peuter. Ik moest denken aan een film uit mijn kindertijd: ‘Het theelepelvrouwtje’. In deze film heeft een vrouw iets gegeten, waardoor ze enorm krimpt. Ze krimpt zover tot ze is gereduceerd tot de grootte van een bloembol.

Mijn baken in bange dagen, de oncologie verpleegkundige, wist me te verzekeren dat mijn botdichtheid prima was en dat osteoporose echt niet van de ene dag op de andere dag ontstaat. De pijn en stijfheid in de gewrichten gecombineerd met spierzwakte was een bekende bijwerking van mijn medicijn. ‘Meestal verdwijnen de klachten een tijdje na afronding van de behandeling’, zei ze troostend. ‘Gelukkig’, was mijn eerste reactie; het is iets tijdelijks dat weer over gaat. Alleen jammer dat tijdelijk nog ruim twee jaar duurt.

Ik had niet alleen het gevoel dat ik aan het krimpen was, maar ook dat ik scheef groeide. Alles aan mijn lichaam zag er scheef uit als ik voor de spiegel stond. In mijn zoektocht naar een geschikte therapeut om me hierbij te helpen, suggereerde mijn fietsmaatje een osteopaat waar ze goede ervaringen mee had. Nieuwsgierig geworden maakte ik een afspraak. De osteopaat zette mijn bekken recht, raadde vanwege een hoge spierspanning extra magnesium aan en adviseerde om naar een podotherapeut te gaan voor mijn voet. Bovendien kreeg ik oefeningen mee voor ’s ochtends en ’s avonds.

Het effect was dat ik meer pijn in mijn rug en bil kreeg en vreemde tintelingen in mijn been voelde. Maar het lopen voelde heel anders aan en het hardlopen ging veel gemakkelijker. Toen ik na een paar dagen onverwacht snel van mijn racefiets moest stappen en mijn been over de stang zwiepte, voelde ik het bekken terugschieten in zijn oude stand. De pijn in de rug was verdwenen, maar ik voelde me schever dan ooit en mijn rechtervoet deed zo zeer dat ik er nauwelijks op kon steunen.

De podotherapeut bracht me in verwarring door te zeggen dat ik heel gezonde voeten heb: geen eelt, geen likdoorns en een mooie, grote voetboog. Alleen de tenen staan wat vreemd, maar daar is niets aan te doen. Ze deed me voor hoe ik met een lintje thuis zelf een prothese voor mijn tenen kon maken. Zooltjes raadde ze af, want dat zou voor knieklachten gaan zorgen. Op mijn vraag of er geen kant-en-klare protheses zijn voor mijn probleem, antwoordde ze ontkennend. Met een mengeling van opluchting, verbazing en verwarring reed ik naar huis.

Opgetogen en vol goede moed ben ik aan de slag gegaan met het maken van een prothese voor mijn voet die ik ’s nachts in bed draag, doe ik trouw de oefeningen die de osteopaat me heeft voorgedaan en slik ik extra calcium, vitamine D en magnesium tegen de botontkalking. Col d’Aubisque; here we come! Nog zes maanden te gaan voor de beklimming begint. Ik hoop dat mijn gewrichten het houden en ik een manier vind om weer lekker te kunnen sporten.

Ik wens iedereen – inclusief mezelf – een gezond en sportief 2019!

 

 

Twaalf en een half

Twaalf en een half jaar geleden…. trouwden we in het bos achter ons huis.
Het was een supergave dag die we vierden met onze familie en dierbare vrienden en waar we met veel plezier aan terugdenken.

Het begon allemaal in Hawaii waar Frans me op het verlaten strand van Polihali beach ten huwelijk vroeg. Toen hij de grote pizzadozen in het zand legde en voor me neerknielde, terwijl de ondergaande zon de hemel uiterst romantisch roodkleurde, wist ik direct wat hij van plan was. Frans zag aan mijn gezicht dat ik wist wat hij wilde gaan vragen en werd daar emotioneel van. En dat ontroerde mij dan weer. Na tweeëntwintig jaar samen ken je elkaar door en door en dat is mooi. Ik beantwoordde zijn vraag al met een enthousiast ‘ja’, toen hij pas bij ‘wil je’ was.

De reden dat we na zo’n lange tijd toch nog wilden trouwen was dat we in het bijzijn van familie en vrienden wilden vieren dat we samen zo gelukkig zijn. We wilden een bruiloft op onze eigen manier vormgeven en dat is gelukt.

Al tijdens onze vakantie op Hawaii begonnen we met de voorbereidingen. We vroegen het meisje van ons guesthouse of ze een foto van ons wilde maken voor de uitnodiging van ons huwelijk. De foto’s zijn wat onscherp weet ik nog, omdat ons eigen toestel kapot was gegaan en zij alleen een eenvoudig klikklak toestel bezat dat geen zoomfunctie had. Ze deed erg haar best om er iets moois van te maken; ze liep zonder ook maar een moment te aarzelen met haar spijkerbroek de golven in om ons op het strand met de zee aan onze voeten te vereeuwigen.

Eenmaal in Nederland prikten we zaterdag 3 juni 2006 als datum voor ons feest. We ontwierpen onze trouwkaart, haalden herinneringen op, bedachten een mooie trouwceremonie, schreven teksten, gingen op zoek naar een geschikte locatie, vonden een trouwambtenaar waar het mee klikte en een cateraar die ons verraste met heerlijke gerechten. We hadden veel plezier met de voorbereidingen. En ik ging op mijn veertigste helemaal los met de trouwjurken. Eigenlijk was de eerste de beste jurk die ik aandeed meteen raak, maar ik liet me de kans niet ontnemen om nog allerlei andere trouwjurken te passen. Dit was tenslotte een ervaring van ‘once in a lifetime’.

De week voor onze bruiloft was het ongekend koud en nat voor de tijd van het jaar. We vroegen ons af of het wel verstandig was om met dit weer in het bos te trouwen, want we hadden geen alternatief achter de hand. We besloten dat iedereen bij slecht weer voor regenkleding of een paraplu moest zorgen. Het zou doorgaan zoals wij het hadden bedacht; weer of geen weer. De dag voor ons trouwen – precies op tijd – brak de zon door.

We ontvingen onze gasten met een ‘lei’, een Hawaiaanse bloemenslinger, die liefde en vriendschap symboliseert en verwelkomden hen met de ‘aloha-spirit’. Aloha staat voor samen delen in levensvreugde.

Via het ‘mijlpalen pad’ liepen we het bos in naar de ceremonieplek. Op het mijlpalen pad stonden of hingen voorwerpen die voor Frans en mij iets uit onze relatie symboliseerden, zoals een oude fiets, een hart van chocolade en een wereldbol. Bij elk voorwerp vertelden we een memorabele anekdote uit ons verleden. Er werd veel gelachen en er hing een ongedwongen sfeer. Op het eind van het mijlpalen pad hoorden we de tonen van een saxofoon die ons verder het bos in lokten.

We hielden een ceremonie met de vier elementen: aarde, water, vuur en lucht. De kinderen mochten twee bomen voor ons in de aarde zetten, ze voeden met water en hun wensen met een ballon de lucht in sturen. We bedankten onze ouders voor hun liefde en staken fakkels aan om de liefde brandend te houden. Naar elkaar toe spraken we een zelfgemaakte trouwbelofte uit. Tussen elk onderdeel van de ceremonie was er mooie muziek, waaronder ‘De engel van mijn hart’ van Marco Borsato, ‘You’ve got a friend’ van Carol King, dat live werd gezongen.

Om onze liefde te symboliseren hadden we een bronzen beeldje laten maken. We eindigden de ceremonie hand in hand staand in een kring; de kring van verbondenheid.

Daarna was het party time met lekker eten en natuurlijk dansen! Onze families hadden samen een video gemaakt met foto’s van Frans en mij van nul tot veertig en voorzien van humoristisch commentaar. Frans zong als verrassing voor mij het nummer ‘Zij’ van Marco Borsato, waardoor ik heftig ontroerd was. Hij wist echter niet dat ik met mijn zanglerares ook een nummer voor hem had ingestudeerd. Mijn zangtalent is niet zo goed ontwikkeld, dus ik had niemand verteld dat ik ook een nummer zou zingen, dan kon ik het gewoon achterwege laten als ik te zenuwachtig was. Maar nu Frans zo mooi voor mij had gezongen, wilde ik niet achterblijven. Dus gaf ik de band een seintje en vroeg de verbaasde ceremoniemeester om sterretjes uit te delen voor mijn romantische nummer ‘Lovin you’. Ergens halverwege mijn liedje dat ik nogal vals en geknepen ten gehore bracht, ging het brandalarm af.

Een aanzienlijk aantal vrienden en familieleden bleven bij ons thuis overnachten. Dat maakte dat het feestgevoel de volgende dag nog even doorging. We brunchten samen met champagne en daarna kletsten we nog wat na met iedereen, totdat de gasten één voor één vertrokken. Wat restte waren de prachtige herinneringen, de foto’s, de film van de ceremonie, de cadeaus en de gelukwensen die mensen voor ons hadden ingesproken in de ‘babbelbox’.

Niet te geloven dat het alweer twaalf en een half jaar geleden is, de hele trouwdag staat nog glashelder op mijn netvlies. We zijn nog steeds gelukkig samen en dat vieren we ook nog regelmatig, al zijn we wat ouder en grijzer geworden. Op naar de 25 jaar! Maar eerst samen uit eten om deze mijlpaal te vieren.

Robot Love

Enige tijd geleden ben ik met een vriendin naar de tentoonstelling Robot Love geweest. Robot Love is een interactieve tentoonstelling over de liefde tussen mens en robot. Robots zijn niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven, denk aan je smartphone, de slimme meter van je cv-ketel of de interactieve cruisecontrole van je auto. Welke impact hebben robots en kunstmatige intelligentie op de maatschappij waarin we leven? Moeten we bang zijn dat robots intelligenter worden dan wijzelf en dat ze ons gaan controleren en besturen in plaats van wij hen? Of kunnen we hen zien als vrienden die ons leven kunnen veraangenamen? Meer dan vijftig kunstenaars zijn met dit thema aan de slag gegaan.

Alleen al het gebouw – de oude Campina melkfabriek – maakt indruk met zijn grote ruimtes waar de weeïge geur van melk nog een beetje in de lucht hangt. Je kunt het gebouw pas binnen gaan als de robotdeur zich langzaam en welvend voor je opent. De deur heeft iets weg van een gordijn dat wordt weggeschoven, maar anders dan ik verwacht voelt het materiaal hard en stevig aan.

Direct na de ingang maak ik kennis met de ‘depressieve robot Annelies’, ze zit in een hoekje stil te huilen, maar als je haar arm zachtjes aanraakt, kijkt ze je doordringend aan en stopt even met huilen. Annelies ziet er heel menselijk uit. Dat is anders voor Bob en Pip. Pip is een robot zoals je je een robot voorstelt, terwijl Bob eerder iets wegheeft van ET, het aandoenlijk, buitenaardse wezentje. Hij is gemaakt van warm, zacht materiaal, kijkt je met zijn ogen liefdevol aan en heeft handen die niet van echte mensenhanden te onderscheiden zijn, maar zijn lijf is niet meer dan een hoofd. Toch voel ik direct sympathie voor Bob. Het is net of je te maken hebt met een levend wezen. Dat is ook de vraag die de makers van de tentoonstelling heeft geïntrigeerd: kunnen mensen houden van robots?
In Japan worden robots in de vorm van poezelige huisdieren ingezet om ouderen in verzorgingshuizen troost te bieden. Ze aaien de robothuisdieren en praten ertegen. Dat kun je triest vinden, maar de ouderen genieten van deze robots, raken aan ze gehecht.

Een robot als je beste vriend; een robot is geduldig en oordeelt niet. Een robot wordt niet boos, zegt de woorden die jij graag wil horen, omdat hij dat heeft geleerd door naar je te luisteren. Een robot leert door interactie met jou. Hij kan leren om het gedrag te vertonen dat jij prettig vindt.
Zo spreek ik met Pip. Ik vind het fascinerend om Pip antwoord op mijn vragen te horen geven. Zijn stem klinkt nog een beetje vreemd. Waarschijnlijk door de intonatie die niet helemaal klopt. Op mijn vraag: ‘are you happy’, antwoordt hij: ‘this answer is not in my database’. Dat antwoord maakt me aan het lachen. Het toont aan dat Pip nog iets te leren heeft, maar het zal niet lang meer duren of Pip heeft ook hierop een passend antwoord.

In een afgeschermde ruimte die alleen door achttien plussers mag worden betreden, komen we in het gedeelte van de seksrobots. Er zijn robots in de vorm van een zacht kussen waar je op kan gaan liggen en die trillen en vibreren. Seksgodin Robin fluistert lieve woordjes in je oor en streelt je waar je maar wil. Ook zijn er chatrooms met robots. Er draait een video waarin een mens en een robot intiem samen zijn, maar het is moeilijk te zien welke van de twee de robot is. Zoveel lijken ze op elkaar. Kunnen robots de vervanging zijn voor een prostituee? Kun je als mens liefde ervaren van een robot?

Een aparte verdieping is gewijd aan games met robots. Ik neem plaats op een stoel en al snel zit ik midden in een interactief spel, waarbij robots me uitnodigen deel te nemen aan hun wereld. In een andere kamer hangen schilderijen waar je je I-phone op kunt richten. Als je dat doet kom je terecht in de wereld van virtual reality. Op het beeldscherm van de I-phone verschijnen dan mensfiguren die door de ruimte wandelen. Ze verdwijnen door balken in het plafond, smelten tot minuscule figuurtjes of worden juist opgeblazen tot immense proporties. Terwijl je naar de mensfiguren kijkt zie je ook gewoon de ruimte waar je bent met zijn tastbare elementen, zoals de echte mensen die er rondlopen. Ik raak er erg van in de war. Je vraagt je af: wat is nog echt?. Wat is de echte realiteit en wat is de virtuele realiteit?

Beduusd en een beetje in de war van alle indrukken verlaten we de oude Campina fabriek.
Robot Love -een tentoonstelling die onder je huid gaat zitten – is nog te zien tot 2 december in Eindhoven.

 

Vriendelijk

Op momenten in mijn werk of opleiding dat ik feedback of een beoordeling kreeg, werd vaak genoemd dat ik een vriendelijke uitstraling heb. Ik zag dat eigenlijk nooit als een positieve eigenschap. Ik had liever dat ze me deskundig, capabel of doortastend noemden in plaats van vriendelijk. Maar recentelijk ben ik anders tegen vriendelijkheid aan gaan kijken. Ik ga vriendelijke mensen steeds meer waarderen. Het is prettig toeven met hen. Ze maken de wereld een stukje aangenamer.

Vanavond heb ik voor het eerst in mijn leven gecollecteerd voor een goed doel en ik merkte dat het hierbij heel prettig was om vriendelijke mensen te treffen in de deuropening. Collecteren voor de Nationale Stichting voor het Gehandicapte Kind (NSGK) heeft me een rijke ervaring aan menselijke reacties opgeleverd. Ik wist niet dat collecteren zo leerzaam was.

Rond half vijf hing ik mijn legitimatiepasje om mijn nek en ging wat onwennig met de lege collectebus op pad. De dove buurvrouw naast ons deed niet open, hoewel het overduidelijk was dat ze wel thuis was, want de televisie stond aan. Zou ze de bel niet gehoord hebben? Of had ze gewoon geen zin in een collecte? Ik drukte nogmaals op de bel. Maar de deur bleef dicht. Met lichte teleurstelling liep ik naar de volgende deur. Hier waren de ramen gebarricadeerd met rolluiken en ik wilde net rechtsomkeer maken, toen ik wat gestommel hoorde. Het duurde lang voor de bejaarde man alle sloten van de deur had gehaald en eindelijk opendeed. Op mijn vraag of hij iets over had voor het gehandicapte kind antwoordde hij: ‘tuurlijk’ en liep weg om zijn portemonnee te halen. Even later rinkelden de eerste muntjes in de collectebus.
Ik had mij altijd afgevraagd of degene die collecteert zou zien wat ik in de collectebus deed. Of een collectant in de gaten heeft welk bedrag je geeft. Ik kan nu uit ervaring vertellen dat dat inderdaad het geval is. Ik had precies in de gaten of iemand zijn laatste losse stuivers offerde of met een solide twee euro munt aankwam.
Sommige mensen kieperden verontschuldigend hun bijna lege beurs om of mopperden dat ze geen contant geld hadden, anderen waren meer voorbereid en hadden een potje met euro’s voor  collectanten klaarstaan. Nieuw was dat mensen ook met hun mobiel-bankieren app een storting konden doen. Dat was een mooi argument als ze zeiden geen cash geld in huis te hebben. De meesten vonden dit echter te ingewikkeld of zeiden zo’n app niet te hebben. Slechts één echtpaar gaf de voorkeur aan het scannen van de QR-code via de app op de mobiel. Na lang gepruts bleek het toch niet te werken en werden uiteindelijk toch nog ergens in huis muntjes gevonden. Het viel me op dat mensen op de meest vreemde plaatsen in hun huis munten tegen kwamen. ‘Ik vond nog een euro in de badkamer,’ zei een vriendelijk man. Een vlotte mevrouw trof wat verdwaalde munten aan tussen het speelgoed van haar kinderen.

De meeste mensen waren bereid om iets te geven voor het goede doel. Af en toe deed er een puber open, die dan zonder iets te zeggen de deur weer dichtdeed of onhandig zei dat hij niets kon geven, omdat zijn ouders niet thuis waren. Nee, dan het kleine jongetje dat alleen thuis was en belangstellend vroeg voor welke kindjes het geld dan bedoeld was. Toen ik dit had uitgelegd, pakte hij een bakje met munten, koos met precisie een aantal munten uit en doneerde deze in mijn bus, die al aardig zwaar begon te worden. Na anderhalf uur langs de huizen gaan, was ik behoorlijk verkleumd en had ik een lamme arm van de collectebus vasthouden.

Door te collecteren kreeg ik een inkijkje in de inrichting en vormgeving van de verschillende huizen. Ik gluurde overal naar binnen om een indruk te krijgen van de stijl van de bewoners. Ik zag tientallen deurbellen, voordeuren en naambordjes. Ik merkte dat de entree tot de woningen heel divers was. Soms open en uitnodigend, soms verstopt achter een heg of ronduit vijandig door een afgesloten hekwerk. Als de bewoners naar hun geld zochten en mij buiten voor de deur lieten wachten, kreeg ik een goede indruk van de hal. Er waren huizen die een rommelige indruk maakten, met sleetse meubels en afgetrapte plinten. Andere huizen toonden een ruime hal met stijlvolle trap. Telkens weer was ik benieuwd welk gezicht ik zou treffen en hoe de bewoner zou reageren op mijn verzoek voor een donatie. Ik geef je hieronder een korte bloemlezing van de bewoners die me het meest zijn bijgebleven.

Het was donker toen ik aanbelde en ik ging er eigenlijk vanuit dat er niemand thuis was. Plotseling ging het licht aan en zag ik een man met een mobiel aan zijn oor die de hal instormde, daarbij een kastje omver stootte en er met kletterend lawaai een vaas aan diggelen viel. De man deed alsof hij van dit alles niets had gemerkt, opende rustig de deur en zei: ‘even geduld, ik ga voor je op zoek. Terwijl hij zich omdraaide zei hij nog: ‘de hond is lief hoor.’ Op dat moment stormde Guus, een witbruin gevlekte jachthond luid blaffend op me af. In gedachte houdend dat hij een lieve hond was, bleef ik rustig staan. Toen zijn baasje terugkwam, liet hij het geld per ongeluk uit zijn handen vallen. De twee euro’s rolden onbereikbaar door het rooster waar ik op stond. Ik stond even beteuterd te kijken en besloot toen maar om te vertrekken. Guus wilde me echter niet laten gaan en versperde luid blaffend mijn ontsnappingsroute. Toen ik een pas zijn richting uitkwam sprong hij tegen me op en bevuilde mijn spijkerbroek. Het baasje moest alle zeilen bijzetten om Guus te bewegen om me te laten gaan.

Ik had al op de bel gedrukt toen ik het bordje zag met ‘collectanten zijn niet welkom’. Ik maakte me snel uit de voeten. Toen ik bij de overburen aanbelde, hoorde ik een man schreeuwen ‘Belletje trekken hé. Ik krijg je wel hoor.’ Hij bleef nog even door tieren, tegen niemand in het bijzonder. Ik geloof dat hij dacht dat de buurjongen bij hem op de bel had gedrukt. Ik liet hem wijselijk in die waan. En ik bedacht hoe ontzettend onvriendelijk en onaangenaam het bordje en het gedrag van de man op mij overkwamen.

Toen ik de woonkamer in gluurde op weg naar de voordeur, zag ik een oudere man met een jongetje op de bank liggen. Het duurde even voor de voordeur openging. Voor mijn neus stond een vrolijke blonde vrouw met een schort aan. Bijna uitbundig begroette ze mij. ‘Ja, natuurlijk geef ik iets voor het gehandicapte kind’ zei ze blij. ‘Graag zelfs.’ Terwijl ze me het geld overhandigde, keek ze me diep in de ogen en zei: ‘bedankt dat u dit doet. Dank u wel.’

Er staat een gevulde collectebus in onze hal. De helft van de opbrengst is voor Kanjers voor Kanjers, het goede doel waar ik in het voorjaar voor ga fietsen.

Ik heb me voorgenomen collectanten vanaf heden hartelijk te verwelkomen en om gul te geven. Gulheid en vriendelijkheid maken het leven zoveel aangenamer. En dat geldt niet alleen voor collectanten, maar voor iedereen.

Lek

Nee, gelukkig heb ik nog niet lek gereden, zoals ze dat in de wielerwereld noemen. Lek, slaat in dit geval op de rivier de Lek waarlangs ik een mooie tocht heb gemaakt op mijn trekkingbike.

Op een zonnige zaterdag stap ik met Frans om acht uur ’s ochtends in de camper op weg naar Ameide. We genieten van een prachtige zonsopgang en rond half tien arriveren we op het veld waar vandaag wordt geparapent. De lier staat al op zijn plaats en de zeilen waar vanaf wordt gestart liggen ook al klaar. We zijn net op tijd voor de briefing. Frans zal vandaag fungeren als startleider en een paar tandems vliegen, waaronder een tandem met een oudere man met een beperking die in een rolstoel zit en niet kan lopen of staan. Het hele team is paraat als Frans met deze man gaat vliegen. Twee mensen tillen de man op voor de start en zijn er ook weer om hem op te vangen bij de landing. De overige teamleden helpen Frans om het scherm op een veilige manier omhoog te krijgen. Ontroerend om te zien hoe blij en dankbaar de man en zijn dochter, die dit alles heeft georganiseerd, zijn.

Hierna stap ik op mijn trekkingbike en fiets over een kaarsrechte weg langs strakke weilanden met slootjes naar het plaatsje Tienhoven aan de Lek. Over de dijk fiets ik richting Ameide waar ik het voetpontje neem richting Lopik. Ik laat me verrassen, want de Alblasserwaard is een gebied waar ik nog niet eerder ben geweest. De rivier ligt blauw te schitteren in het zonlicht. De strandjes zijn begroeid met struiken die vol zitten met rode bessen. De kolken en wielen zitten vol tjilpende vogels, in de weilanden rennen paarden wild heen en weer en liggen koeien hun maaltijd te herkauwen.

Met enige spijt bedenk ik dat de dijk uitermate geschikt zou zijn geweest voor mijn racefiets. Een heerlijk parcours om flink hard te fietsen. Maar ik heb vandaag voor mijn trekkingbike gekozen. Ik fiets zo’n vijftien kilometer over de dijk en sla dan impulsief rechtsaf om in het schattige plaatsje Willige Langerak te komen. Het langgerekte dorpje ligt aan een smalle straat die is ingesloten tussen twee sloten. Op de oevers staan wilgen en oude boerderijtjes met bomen vol appels, peren en walnoten. Elk huis is omgeven door water. Er zwemmen eendjes in de sloten en overal drijven kleine roeibootjes.
Na een tijdje kom ik aan in Schoonhoven waar ik de pont naar de overkant neem. Via een lelijk industriegebied fiets ik richting Groot-Ammers en Liesveld, dat bekend staat als het ooievaarsdorp. Ik volg de ooievaarsroute maar hoe ik ook zoek en kijk, ik zie geen enkele ooievaar. Alleen vele witte reigers en een enkele roofvogel. In een boomgaard zie ik opvallende, grote witte en bruine bollen. Het lijken een soort super champignons. Ik vraag me af of dit spontaan opgekomen paddenstoelen zijn of gekweekte reuzenchampignons.

Ik heb het zo uitgekiend dat ik ben begonnen met tegenwind en voor de terugweg de wind in de rug heb. Ik heb behoorlijk trek gekregen als ik rond één uur in Nieuwpoort arriveer. De slag om Nieuwpoort herinner ik me van een geschiedenisles op de middelbare school. Nieuwpoort is een vestigingsplaatsje dat deel uitmaakt van de Hollandse Waterlinie. Om Den Haag en Amsterdam te beschermen tegen de Spanjaarden, werd een deel van Nederland onderwater gezet. Deze waterlinie moest het Spaanse leger tegen houden. Het water was te ondiep voor schepen om er overheen te varen, maar juist diep genoeg zodat voetvolk en soldaten te paard er niet doorheen konden waden. De vestingswerken, daterend uit 1672, zijn nog goed te zien.

Ik strijk neer op een zonnig terras met uitzicht op de gracht en mooie oude panden. Na een kom pompoensoep en een kop  thee vervolg ik mijn tocht richting het dorpje Waal. Rond twee uur ben ik weer terug in Tienhoven. Aangezien ik nog wel wat energie over heb, besluit ik naar de theetuin in Lexmond te fietsen. Het is een beetje een saai stukje en als ik na zeven kilometer aankom bij de theetuin blijkt deze gesloten te zijn. Het is druk op dit stuk van de dijk. Dat komt omdat er in het achterland geen wegen zijn. Zelfs voor de fiets is het achterland niet ontsloten, dus moet ik dezelfde weg terug en nu met de wind voor. Bij Sluis kan ik van de dijk af en fiets ik het binnenland in, vlak langs een natuurgebied met riet en veel water. Via kleine slingerweggetjes kom ik uit bij de A27. Ik fiets een stukje langs de snelweg en kruis dan het binnenland in waar ik paragliders in de lucht zie. Ik fiets in de richting van de paragliders, maar als ik arriveer bemerk ik tot mijn verbazing dat het een andere vliegclub is die daar actief is.

Niet veel later kom ik terecht in een wielerwedstrijd. Aan alle kanten word ik voorbij gereden door tweetallen. Vaak zijn het vader en zoon of vader en dochter. De kinderen hard vooruit fietsend met vader in het kielzog, die het maar net kan bijhouden of juist vaders die hun kleine wielrenfanaat in de nek pakken en vooruit duwen. Soms grote kerels op strakke fietsen met zwarte, dichte wielen. Ze zijn allemaal even fanatiek.

Rond drie uur ben ik weer terug bij het paragliding veld. Nog ruim op tijd om de laatste tandems en cursisten de lucht in te zien gaan. Nog even van het zonnetje genieten en dan mee helpen de spullen inpakken en met z’n allen afsluiten bij de plaatselijke snackbar. Weer een leuke fietservaring rijker.

Leeftijd

Je bent zo oud als je je voelt, is een gevleugelde uitspraak. Momenteel voel ik me tachtig plus. Tenminste mijn lichaam voelt zo. In mijn hoofd voel ik me nog jong en dartel, maar mijn lijf vertelt een heel ander verhaal. Met moeite ben ik vanochtend mijn bed uit geklauterd, stram en stijf heb ik mijn dagelijkse rek en strek oefeningen gedaan. Gisteravond met tennis merkte ik het ook; ik bewoog als een oude bejaarde over de baan. Mijn souplesse is verdwenen. Hoe ik ook probeer om lichtvoetig en met kleine pasjes over het tenniscourt te bewegen, het lukt me niet.

Enige weken geleden ben ik met nieuwe medicijnen begonnen. Aromatase remmers die ervoor zorgen dat mijn lichaam geen vrouwelijke hormonen meer aanmaakt of opslaat. Dit medicijn moet ervoor zorgen dat de kankercellen die misschien nog ergens in mijn lichaam rondzwerven geen kans krijgen om zich te vermenigvuldigen en hopelijk een snelle en stille dood zullen sterven. Het medicijn heeft echter effect op de botten. Het tast de botdichtheid aan en je kunt er stramme en pijnlijke gewrichten van krijgen. Om te kijken of mijn lichaam het nieuwe medicijn aankan, heb ik een scan gekregen om mijn botdichtheid te meten. Mijn botten zijn gelukkig nog stevig genoeg om de osteoporose die het medicijn veroorzaakt op te vangen. ‘Je hebt alleen wat slijtage aan je ruggenwervels, maar die is passend bij je leeftijd,’ kreeg ik te horen van de oncologie verpleegkundige. Ik kreeg wel het advies om extra calcium en vitamine D te slikken, maar daar was ik uit voorzorg al mee begonnen. Verder zijn alle sporten met zwaartekracht goed om de botten sterk te houden, zoals wandelen, hardlopen en tennissen. Fietsen hoort daar helaas niet bij en zwemmen ook niet. Om de wintermaanden goed door te komen, wil ik een minitrampoline kopen, want ook springen is goed voor de botten. En misschien helpt het vrolijke gespring wel om in ieder geval mijn mentale leeftijd wat omlaag te brengen.

Ik kon me nooit zo goed een voorstelling maken van stijve en stramme gewrichten, maar nu weet ik dus wat het is. Mijn handen, mijn rug, mijn nek, mijn voeten; alles doet zeer. Mijn rechtervoet heeft een hamerteen ontwikkeld, het gewrichtje van mijn tweede teen staat vast en steekt omhoog. Toen ik het voorzichtig probeerde te buigen, trok er een flinke pijnscheut door mijn teen en werd deze dik en blauw. Ik heb nu twee keer een migraine aanval gehad na het fietsen. Ik ben nog aan het uitzoeken of het door de inspanning kwam of door de houding op de racefiets. Ik denk zelf het laatste. Mijn nek en schouders verkrampen nogal van het lang in één houding op de racefiets zitten.

Leeftijd is een vreemd fenomeen. Als ik in de spiegel kijk zie ik een vrouw met grijs haar, een gezicht met flink wat rimpels en hangende huidplooien. Duidelijk een vijftig plusser. Ik realiseer me dat anderen mij waarschijnlijk ook zo zien en mij van die leeftijd inschatten. Vanbinnen voel ik mij echter helemaal geen vijftig plus. Ik heb nog altijd het gevoel dat ik bij de jongeren hoor, al begin ik steeds meer te beseffen dat dat niet zo is. Dat de buitenwereld mij gewoon inschaalt als een oudere vrouw. En nu geeft mijn lichaam ook aan dat het niet meer de jongste is.

Gelukkig is het herfstvakantie en komt mijn nichtje van tien logeren om me jong te houden. We gaan samen naar het zwembad; ik vergeet even mijn leeftijd en spring van de duikplank, ga samen met haar van ‘de rainbow ride’ waterglijbaan en we doen wedstrijdje wie het hardst ‘bommetje’ kan. Ik voel me weer even kind. En dat is genieten.

Wibi Soerjadi

Wanneer ik de oprijlaan van villa Peckedam oprijd, staat de dalmatiër van Wibi Soerjadi in de deuropening. De zwart-wit gevlekte hond lijkt zo te zijn weggelopen uit een Disneyfilm. Uit zijn keel komt een voorzichtig blafje, dat mij de indruk geeft dat hij me eigenlijk enthousiast welkom wil heten, maar zich net op tijd realiseert dat het zijn taak is om het landgoed van zijn baasje te verdedigen.

Ik ben een half uur te vroeg. Voorzichtig schiet ik wat plaatjes van de buitenlands aandoende villa. Op het gras voor het huis staan een oude Mercedes Benz, een lichtblauwe Jaguar en een schattig wit autootje, waarvan ik het merk niet ken. Naast muziek heeft Wibi een liefde voor oude auto’s. Ik wandel wat door de parkachtige tuin en ga dan op het trapje voor de voordeur zitten met mijn gezicht in de zon.
Precies op tijd arriveert mijn vriend Huub. We zijn de eerste gasten voor het concert ‘Wibi at the movies’, dat Wibi Soerjadi vandaag geeft in de salon van zijn landhuis. We zijn extra vroeg gekomen.  Allebei willen we graag vooraan zitten, zodat we goed zicht hebben op de handen van Wibi als hij piano speelt. Dus posteer ik me voor de deuren van de salon. Naast me staat een meisje met een goudkleurig jurkje aan enthousiast te vertellen over alle concerten van Wibi die ze al heeft bezocht.
Wanneer de deuren van de salon worden geopend stap ik als eerste naar binnen en wandel resoluut naar de eerste rij. Ik kies de plaats uit die het beste zicht geeft op de toetsen. Het meisje in het gouden jurkje komt naast me zitten. Aan de andere kant van mij zijn nog twee stoelen vrij, waarvan ik er één vrijhoud voor Huub, zodat hij ook een goede plaats heeft.
Even later komt er een dame met een rood jasje aan, die voor ons blijft rond drentelen. Het is duidelijk dat ze ook graag op de eerste rij wil zitten. Zuchtend en steunend blijft ze voor ons staan om dan uiteindelijk in het hoekje naast Huub plaats te nemen. Ze zegt iets tegen Huub,  maar ik zit net te ver weg om het echt te kunnen verstaan. Uit haar lichaamstaal denk ik echter op te maken dat ze van plaats wil ruilen. Ik kijk weg en doe net of ik niets in de gaten heb. Dan hoor ik haar met een buitenlands accent  pruilend zeggen: ‘ik zit hier in de hoek en dat vind ik niet fijn.’ Waarom zou ik met haar willen ruilen, ik zit ook liever niet in de hoek, denk ik enigszins verontwaardigd. Bovendien hoeft ze niet in de hoek te gaan zitten, er zijn nog genoeg andere plaatsen vrij. Ik vraag me af of ze een speciale relatie heeft met Wibi. Zou het misschien zijn moeder zijn? Maar dan zouden er toch wel plaatsen zijn gereserveerd? Ik heb nergens bordjes met ‘gereserveerd’ gezien.
De gastvrouw komt naar ons toe en vraagt iedereen op de eerste rij een stukje op te schuiven. Ze organiseert het zo dat de dame in het rode jasje tussen mij en het meisje met het gouden jurkje in komt te zitten. Waarom deze hooghartige dame zo’n voorkeursbehandeling krijgt is mij een raadsel.

Dan komt Wibi de salon binnen. Hij draagt een donkere blouse die nonchalant over zijn zwarte spijkerbroek hangt. Ik vind hem er anders uitzien dan twee weken geleden. Volwassener. Meer ontspannen ook. Of zou dat komen, omdat ik hem nu al enigszins ken?
Twee weken geleden zaten Huub en ik ook in deze salon. Alleen was het toen donker, droeg Wibi een chique kostuum en speelde hij een concert van Franz Liszt. Hij maakte toen op mij een zenuwachtige indruk, gebaarde druk met zijn armen, depte voortdurend zijn gezicht met een papieren zakdoekje en liet in iedere zin wel een aantal maal het woordje ‘uhm’ horen. Ik vond hem er toen ook zo jongensachtig uitzien. Hij had iets vertederends, een kinderlijke onbevangenheid die me ontroerde. Ik weet nog dat hij plaatsnam op het fluwelen krukje achter de vleugel en zijn ogen sloot. Op het moment dat hij ging zitten, leek hij in een soort trance te komen. Een diepe rust daalde over hem neer. Een moment zweefden zijn handen in de lucht, zijn polsen hoog gebogen, toen gleden zijn vingers uiterst sierlijk, maar trefzeker over de toetsen. Hij had grote handen, zag ik. Met lange, witte vingers. Door zijn handen, meer nog dan door de klanken, kwam de muziek voor mij tot leven.

Een aantal dagen tevoren was ik gebeld door zijn assistente met de mededeling dat het programma van het concert waarvoor ik kaartjes had gekocht was veranderd. In plaats van het toegankelijke concert met filmmuziek zou Wibi een concert van Franz Liszt spelen. Maar omdat ze wel begreep dat dat waarschijnlijk niet was wat ik wilde horen, kreeg ik de mogelijkheid om beide concerten bij te wonen. Het tweede concert was uiteraard gratis.
Cultuurbarbaar als ik ben, had ik geen idee hoe een concert van Franz Liszt zou klinken. Het leek me hoe dan ook een leuke ervaring, ook al zou de muziek me misschien niet kunnen bekoren.

Verwachtingsvol betraden Huub en ik voor de eerste keer villa Peckedam waar we werden uitgenodigd om vooral overal rond te kijken. Het eerste dat ons opviel waren de vele Disneyfiguren die in het hele huis aanwezig waren: een grote, groene Kermit de kikker achter een piano, Tinkebel hangend aan een kroonluchter, een levensgrote Darth Father op de trap. De inrichting was een vreemde mengeling tussen oud en nieuw, tussen stijlvol en kitsch, tussen serieus en speels. We dronken een drankje in de kamer die als bar was ingericht en waar een echte oude jukebox stond. We liepen naar boven over de machtige houten trap en kwamen via kroonluchters bij de ‘game-sectie’ van het huis. Enthousiast nam ik plaats op een levensechte motor, ik trok de gashandel open en knalde direct tegen een muur aan. De motor schokte en trilde toen ik vervolgens door een bak grint reed. Ik ontdekte dat ik, net als op een echte motor kon sturen door met mijn hele gewicht naar links of naar rechts te hellen. Huub probeerde ondertussen een raceauto uit. Ik voelde me weer even kind worden. Speels en rebels. Misschien kwam het daardoor dat ik Wibi die avond vooral als een speels jongetje zag.

Franz Liszt was een revolutionaire componist uit de negentiende eeuw, die bewust regels uit de klassieke muziek overtrad. Wibi vertelde dat Liszt hoogst complexe stukken heeft gecomponeerd, waardoor het klinkt alsof er met ‘drie handen tegelijk’ gespeeld wordt door de pianist. ‘De muziek ligt niet gemakkelijk in het gehoor,’ zo waarschuwde Wibi ons. ‘Toen ik veertien was moesten alle leerlingen van school een voorstelling geven. Ik heb toen een concert van Franz Liszt gespeeld. Het viel niet in de smaak. Niemand begreep er iets van,’ zei hij lachend.
‘Maar ik houd van Franz Liszt. Het blijft een uitdaging voor mij om zijn stukken eigen te maken en goed te spelen, want zijn composities bestaan uit meerdere lagen. Franz Liszt hield van uitersten; hij heeft hemelse stukken geschreven, maar ook de donkere, demonische kant vond hij aantrekkelijk. Vanavond speel ik iets hemels en iets demonisch voor u.’

De stukken van Franz Liszt kwamen voor mij vooral tot leven door naar de handen van Wibi te kijken. Bij de demonische stukken bewoog zijn hele lichaam mee op de muziek, terwijl zijn vingers op de toetsen ramden. Bij de hemelse stukken speelde hij met zijn ogen dicht en bewogen zijn vingers uiterst licht over de toetsen. Soms was er in het stuk een stilte, dan zweefden zijn vingers even werkeloos in de lucht. Af en toe speelde hij met gekruiste handen. Ik vroeg me af of dat dan de ‘drie handen techniek’ was die hij had genoemd als kenmerk van Liszt. Hoewel ik niet veel verstand heb van pianomuziek en de muziek ook niet altijd mooi vond, kon ik wel herkennen en waarderen dat de muziek complex in elkaar zat en dat Wibi virtuoos speelde. Hij speelde alles uit zijn hoofd. Zou hij hoogbegaafd zijn, vroeg ik me af. Waarschijnlijk wel. Als je op je elfde al een klassiek concert geeft, dan ben je wel een soort wonderkind.

En nu zitten we weer in de salon van villa Peckedam. Ditmaal voor het concert ‘Wibi at the movies’. Mijn buurvrouw met het rode jasje ruikt naar een goedkoop parfum. De geur irriteert me. Verder ruik ik zweetvoeten, meen ik een spoortje hond te ruiken en hangt er de lucht van verbrand hout. Ik heb een hele scherpe neus en dat is niet altijd handig. Geuren kunnen me soms zo irriteren dat ik er hoofdpijn van krijg en moeilijk ergens de aandacht bij kan houden.
Terwijl Wibi een stuk speelt uit ‘Game of Thrones’, zit mijn buurvrouw met handen en voeten mee te tikken op de maat. Ik probeer me er niet aan te storen. Concentreer me zo goed mogelijk op de muziek, die prachtig klinkt. Ik ben niet van plan het concert door haar te laten verpesten. Maar dan begint ze ook nog mee te neuriën en te hummen. Ik kijk haar vernietigend aan. Nog bijna voordat Wibi is uitgespeeld klapt ze overdreven hard in haar handen, terwijl ze half gaat staan en ‘bravo, bravo’, roept.
De meeste muziekstukken die Wibi speelt klinken ergens wel bekend, maar ik kan niet benoemen waar ik ze van ken. Maar dan speelt Wibi één van mijn lievelingsnummers. Na afloop vraagt hij aan het publiek of iemand weet uit welke film dit stuk afkomstig is. ‘Intouchable’, roep ik spontaan. Wibi knikt goedkeurend. ‘Weet je misschien ook de componist?’ ‘Ludovico Einaudi’, antwoord ik. ‘En weet je dan misschien ook de naam van het stuk?’, vraagt Wibi enigszins verrast.  ‘Una Mattina’, zeg ik iets aarzelend. Dit levert me een stralende lach van Wibi op. Ik voel dat de vrouw naast me, me ineens met andere ogen bekijkt. Bij het volgende nummer dat Wibi het publiek laat raden, vraagt de vrouw met het rode jasje aan mij uit welke film ik denk dat het afkomstig is. Ik heb geen idee. ‘Ik denk Zorro,’ fluistert ze me toe. Huub denkt dat het uit Cheers komt, maar zegt niets. Dus flap ik er, overmoedig geworden door mijn vorige succes, ‘Cheers’, uit. ‘Nee, het is geen Cheers,’ zegt Wibi, ‘want Cheers klinkt zo’. En hij speelt de tune van Cheers voor op de piano. ‘Deze melodie gaat zo,’ en hij herhaalt het stuk uit de film dat hij net heeft gespeeld. Het blijkt van de serie Family Ties te zijn.

Allerlei bekende films passeren de revue; van Harry Potter tot Once upon a time in de West en van Pirates of the Caribbean tot Star Wars en James Bond. Wibi legt uit dat hij van de filmmuziek, die voor een heel orkest is geschreven, een transscriptie maakt. Dat betekent dat hij alle instrumenten uit het orkest laat terugkomen in de piano, zodat het net lijkt alsof er toch een heel orkest speelt. En inderdaad, het klinkt alsof er een heel orkest speelt. Dat vind ik echt meesterlijk knap.

Na afloop is er een ‘meet and greet’ met Wibi en ga ik met hem op de foto.
‘Mag ik misschien iets vragen? Heb ik goed gezien dat je de melodie met de linkerhand speelt en de begeleiding met rechts? Normaal is dat toch andersom?’, vraagt Huub bescheiden.
Het gezicht van Wibi licht op. Na alle vrouwen die met hem op de foto willen, is er nu eindelijk iemand die een vraag heeft over zijn vakgebied. Hij vertelt enthousiast dat Huub dat goed heeft gezien en legt uit waarom hij hiervoor heeft gekozen.
Ik vertel dat we twee weken geleden hier waren voor het concert van Franz Liszt. Weer lichten de ogen van Wibi op. ‘Waren jullie daarbij? Wat leuk dat jullie beide concerten hebben meegemaakt. Hoe vonden jullie het?’
‘De twee concerten zijn niet te vergelijken, zo verschillend, de muziek van vandaag vind ik mooi en toegankelijk, de muziek van Liszt kan ik waarderen door zijn complexiteit en gelaagdheid,’ geef ik Wibi mijn feedback.

We zijn bijna de laatsten die de villa verlaten. Alleen de mevrouw met het rode jasje is er nog. Als ik wegrijd, loopt ze net het stenentrapje van de voordeur af. Ik zwaai naar haar. Ze staart me niet begrijpend aan.

Het was een heerlijke middag. Genietend van bomen met herfstkleuren rijd ik terug naar Doetinchem.

Alle wegen leiden naar Kranenburg

De lymfetherapie, twee maal per week zwemmen, het fietsen op de trekkingbike, dagelijks voldoende rekken en strekken van de arm en vooral ook meer rust pakken, hebben ervoor gezorgd dat mijn arm weer is terug gebracht tot normale proporties. Ik heb zelfs alweer voorzichtig getraind op de racefiets en dat ging goed. Dus de eerste hindernis lijkt overwonnen.

Het enige kleine obstakel dat mijn fietsplezier enigszins vergalt zijn mijn fietsschoenen. Ik blijf moeite houden met het losklikken. Al honderd meter voor een kruising begin ik paniekerig mijn linkervoet te bewegen. Meestal heb ik minstens vier pogingen nodig om los te komen. Hoewel het kliksysteem al op de meest lichte stand staat afgesteld, kost het me heel veel kracht. Het zorgt er ook voor dat ik minder relaxed op de fiets zit. Altijd bang om niet op tijd los te kunnen komen. Ik heb al verschillende manieren uitgeprobeerd, maar het blijft een probleem. Dus ga ik naar de Pedaleur en leg mijn probleem voor. Als de monteur de schoen op de trapper klikt, merkt hij op dat het plaatsje te diep in de schoen zit, waardoor het rubber vacuüm trekt op het pedaal en bijna niet los te krijgen is. De monteur schroeit een stukje van het rubber af, waardoor de hele werkplaats naar verschroeid rubber stinkt. Hoopvol stap ik op mijn fiets. En ja hoor, een soepele beweging met mijn hak volstaat nu om de schoen los te klikken. Gelukkig. Ik dacht echt dat ik niet voldoende kracht in mijn benen had. Dit obstakel is dus inmiddels ook opgelost.

Mijn racefiets heeft intussen zijn eerste beurt gehad. Ik heb bijna vijfhonderd kilometers gefietst en dan heb ik de kilometers op de trekkingbike niet meegeteld, want daarop zit geen tellertje. Mijn Assos fietsbroek voelt nog steeds aan alsof ik met een volle poepbroek rondloop, maar vervult zijn taak uitstekend. Ik heb nog niet een keer last gehad van zadelpijn.

Ik profiteer volop van het lekkere herfstweer en maak vele leuke tochtjes. De ene keer fiets ik ’s ochtends met Frans mee naar ‘s-Heerenberg en via een grote omweg weer terug naar huis. Ik passeer onbekende buurtschappen als Warm, Ziek en Wal die tot mijn verbazing slechts een paar kilometer van ons huis afliggen. De andere keer fiets ik met Margo naar Varssel om de Varsseler ring te bedwingen en geeft Margo me les in het juist nemen van een bocht. De afstanden die ik afleg worden langzaamaan langer. Voor vijftig kilometer draai ik mijn hand nu niet meer om.
Ik fiets met stormachtig weer, waarbij ik zwaar voorovergebogen tegen de wind in ploeter en moet tegensturen om niet met fiets en al omver geblazen te worden als de wind van opzij komt. Ik verken alle windrichtingen rondom Doetinchem; van Zutphen tot Ruurlo in het noorden, van Varsseveld tot Gendringen in het oosten, van ’s-Heerenberg tot Milsbeek in het zuiden en van Millingen aan de Rijn tot Schaarsbergen in het westen. En ik beklim zelfs met mijn vriend Huub de Holterberg.

Ik vind het leuk om tochtjes te maken en avonturen op de fiets te beleven. Het geeft me een gevoel van vrijheid.

Op de laatste zomerse dag van het jaar fiets ik naar mijn broer en schoonzus in Milsbeek. Ik vertrek rond half elf wanneer de zon al stralend aan de hemel staat. Het is een onverwacht en spontaan genomen besluit. Ik overleg met mijn schoonzus over mijn komst, app Frans met de vraag of hij me aan het eind van de dag wil ophalen in Milsbeek en prop wat proviand voor onderweg in de zakken van mijn fietsshirt. En dan spring ik op mijn racefiets en ben weg.
Op de inmiddels vertrouwde route naar Zeddam heb ik een straffe wind tegen. In het centrum van Zeddam ga ik via een pittig klimmetje langs de molen omhoog richting Montferland waar ik een prachtig fietspad door het bos vind. Ik passeer de A12 en fiets bijna ongemerkt de grens over richting Elten. Hier kies ik een fietspad met fijne kiezelsteentjes, die aan mijn banden blijven plakken en ik kruis mijn vingers en bid in stilte dat mijn banden het alsjeblieft mogen houden. Het is een prachtige route langs de uitlopers van de oude Rijn. Aan het eind van het fietspad stop ik en wrijf met mijn handen alle steentjes van de banden af. En hup daar ga ik weer verder. Via het kleine dorp Herwen fiets ik tussen de Byland en de Eendenkolk door naar het pontje dat me over de rivier naar Millingen aan de Rijn brengt.

Het waait stevig en de Rijn is vol grote schepen. Het kleine fietspontje slalomt tussen de grote schepen door en heeft moeite om tegen de wind in te komen. Op het pontje raak ik in gesprek met een andere fietser en wisselen we wielrenverhalen uit terwijl ik mijn energievoorraad aanvul met een banaan. Aan de andere kant van het water fiets ik richting Kleef. Ik heb de wind nu in de rug maar de hobbelige keien remmen de snelheid behoorlijk af.
Ik heb me voorgenomen om via het Reichswald richting Milsbeek te fietsen. Dat is echter nog niet zo gemakkelijk. Ik weet welke richting ik op moet, alleen lukt het niet om wegen te vinden die in de juiste richting gaan. In het niemandsland tussen Kranenburg en Kleef zoek ik mijn weg richting het zuiden, maar hoe ik ook fiets, telkens kom ik weer uit op een weg die me naar Kranenburg brengt waar ik helemaal niet naar toe wil. Het lijkt wel of alle wegen naar Kranenburg leiden. Het geeft me het vervelende gevoel dat ik voor geen meter vooruit kom en zinloos aan het heen en weer fietsen ben. Ik zigzag heen en weer tussen Kleef en Kranenburg, kom door gehuchtjes als Dúffelward, Rindern, Donsbrüggen, Nütterden, Schotheide en Frasselt. En in al die gehuchtjes staat aangegeven hoe ver het nog is naar Kranenburg.

In Nederland fiets ik meestal van knooppunt naar knooppunt, maar in Duitsland is de bewegwijzering voor fietsers een stuk onduidelijker. Soms zijn er bordjes, maar heel vaak ook niet. Na een eind tegen de wind in ploeteren, buigt de weg bijna honderdtachtig graden en kom ik in een steeds verlatener landschap. Het asfalt gaat over in zand met grote, scherpe keien. Ik fiets nog een tijdje door over dit uitdagende pad en stap dan af om verder te lopen, want ik ben bang voor een lekke band. Hoewel iedereen mij verzekert dat geen enkele man een vrouw met een lekke band langs de kant van de weg laat staan, bedenk ik dat het dan wel nodig is dát er een man langs komt en die kans acht ik hier bijzonder klein. Als ik me via Google maps probeer te oriënteren, zie ik tot mijn schrik dat mijn telefoon nog maar 28% aangeeft. Shit, denk ik, straks kan ik niet eens meer bellen als ik ergens vast kom te zitten. Misschien is het voor een volgende keer slim om mijn route wat meer voor te bereiden.

Maar alles pakt goed uit. Het pad vol keien komt uit op de weg naar – je raadt het al – Kranenburg. Dezelfde weg als waar ik een half uur geleden ook fietste. Ik besluit nu maar gewoon even de grote weg te volgen richting Kranenburg.
Ik heb de moed om door het Reichswald te fietsen net opgegeven, als ik een bordje met de plaatsen Grafwegen en Groesbeek zie. Snel sla ik het bospad in en volg de bordjes met de fietsroute. Ik fiets over een geasfalteerd pad met grote kuilen en gaten dat steil omhoog loopt. Zo aan het eind van de dag ben ik behoorlijk moe en de klim trekt het laatste restje kracht uit mijn benen. Naar beneden knijp ik de remmen flink in en stuur zo goed en zo kwaad als het gaat om de kuilen, kastanjes, eikels en beukennootjes heen. Af en toe springt mijn wiel opzij als ik toch over een kastanje of eikel heenrijd. Het half geasfalteerde pad verandert in een soort mountainbike trail, dat totaal ongeschikt is voor mijn racefiets, maar ik heb geen zin om om te keren. Dus fiets ik stug door. Gelukkig kom ik heelhuids aan bij het eind van deze bostrail waar ik met fiets en al door een poort moet en dan ben ik in Grafwegen, een plaatsje op de grens tussen Duitsland en Nederland. Tot slot nog even de Sint Jansberg over en dan arriveer ik rond vier uur in Milsbeek, waar ik hartelijk word ontvangen door mijn neefje, die me een lekker glas fris aanbiedt. Tevreden plof ik neer aan de keukentafel. Op de teller staan 62 kilometer.

De eerste hindernis

Op weg naar mijn einddoel, de beklimming van de col d’Aubisque, ben ik een eerste hindernis tegengekomen. In mijn enthousiasme heb ik iets teveel gedaan en nu heb ik last van mijn arm. De arm is sinds tijden, ondanks het dragen van mijn steunkous, dik en zwaar. De vraag is of het van het fietsen op de racefiets komt of dat het een algehele overbelasting is. Op de racefiets zit ik in een positie die een statische belasting voor de arm geeft en dat is niet goed voor mijn door de bestraling beschadigde borstspier. Een andere optie is dat ik gewoon teveel heb gedaan; twee keer per week fietsen, twee maal per week tennissen en nog een keer hardlopen en liefs ook nog wat wandelen en in de tuin werken is misschien wat teveel van het goede. Mijn lijf is ook gewoon moe.

Als eerste actie neem ik contact op met de lymfetherapeut in de hoop dat zij mijn arm weer slank en soepel kan krijgen. Ik krijg heerlijke massages om de verkrampte borstspier los te krijgen en om de tere lymfevaatjes weer te openen, zodat het vocht afgevoerd kan worden. De lymfetherapeut beveelt me aan om te gaan zwemmen. Water geeft precies de goede tegendruk voor de arm en ontspant de borstspier. Ik probeer nu ook nog tweemaal per week te gaan zwemmen. Door al dat sporten heb ik bijna geen tijd meer voor het opzetten van mijn praktijk Sensitief HB.

Als ik in het zwembad lig, voel ik me bijna een triatleet. Zwemmen, fietsen en hardlopen. Respect voor de echte triatleten die hun vele trainingsuren combineren met een baan.
Mijn arm en borst doen eerst behoorlijk pijn als ik voor het eerst sinds maanden weer eens in het zwembad lig. Voorzichtig zwem ik een paar baantjes. Langzaam voel ik dat het weefsel iets soepeler wordt. Ik probeer een stukje borstcrawl en merk dat mijn borstspier hierdoor heerlijk wordt opgerekt. De borstcrawl put me echter direct uit. Ik beheers de techniek niet, krijg na een half baantje al kramp in mijn kuit en worstel met de ademhaling. Geradbraakt kom ik het zwembad uit en lig vervolgens de hele middag op de bank TV te kijken. Ik houd mezelf voor dat niet de inspanning, maar juist het rusten en de ontspanning zorgen voor een betere conditie.
De tweede keer dat ik ga zwemmen, koop ik bij de kassa een zwembrilletje en dat zwemt al direct een stuk prettiger. Nu kan ik tenminste met mijn hoofd onder water, zonder dat mijn ogen pijn gaan doen. Alleen jammer dat ik zo slecht zie met het brilletje. Alles om me heen is in een waas gehuld. Ik neem mijn medezwemmers slechts waar  als vage contouren. Bij het aankleden zie ik dat het brilletje is afgeplakt met een beschermfolie met daarop een reclametekst. Heb ik even lekker voor … in het zwembad gelegen.

De tweede verandering die ik doorvoer om mijn arm te ontlasten is weer gaan fietsen op de trekkingbike. Het fietst iets zwaarder dan op de racefiets, maar een voordeel is dan weer dat ik veel meer mee kan nemen voor onderweg. Zoals een jasje en reservekleding die ik aan kan doen als ik mijn doel heb bereikt. Als ik te maken krijg met een klim, zoals bijvoorbeeld bij de Posbank of de Peeskesbult, dan strek ik mijn rechterarm in de lucht en fiets met één hand aan het stuur naar boven. Dit om te voorkomen dat ik teveel kracht op mijn armen zet. Verder doe ik ieder half uur op de fiets wat rek en strek oefeningen met de arm. Dus als je iemand ziet fietsen die met zijn arm in de lucht heen en weer zwaait, dan ben ik dat.

Mochten deze maatregelen niet genoeg blijken te zijn om mijn arm te laten herstellen of als de klachten telkens terugkomen, dan heb ik nog een ijzer in het vuur. Margo heeft me geattendeerd op iemand die mijn fiets helemaal op mijn persoonlijke voorkeuren kan afstellen. Op zijn website lees ik dat hij orthopedisch technicus is. Hij kan hulpmiddelen ontwerpen waardoor iemand met een blessure of beperking weer kan fietsen. Fietsen is zijn passie en hij gaat samen met je op zoek naar mogelijkheden.

Ik heb er het volste vertrouwen in dat ik de eerste hindernis op mijn weg naar de top ga overwinnen.

Fietsen

Ik krijg veel reacties op mijn fietsavonturen. Vaak zijn mensen een beetje verbaasd over mijn fietsenthousiasme en dat verbaasd mij dan weer, want behalve in mijn middelbare schooltijd toen ik dagelijks naar school fietste en fietsen gewoon stom vond, omdat je áltijd wind tegen lijkt te hebben, heb ik eigenlijk altijd wel een passie voor fietsen gehad. Misschien komt het omdat ik fietsen nooit heb gezien als een sport maar als een recreatief tijdverdrijf om mooie landschappen te zien. Mijn eerste vakantie met Frans, zo’n 32 jaar geleden, was een fietsvakantie naar Zuid-Engeland. We fietsten totaal onvoorbereid, met zware bepakking op een fiets met drie versnellingen over de Engelse heuvels en langs de winderige kust. Ik moet eerlijk bekennen dat ik mijn fiets toen wel eens in de berm heb gesmeten, omdat ik het écht niet meer leuk vond.
Ook de meer recente fietsvakanties langs de Donau en de Adige in Noord-Italië waren mijn initiatief. Ik heb Frans over moeten halen om een fiets te kopen en nu gaat hij het ook steeds leuker vinden. Met de fiets kun je grotere afstanden afleggen dan te voet. Je ziet meer van het landschap en je kunt mooie tochten maken. Kortom, ik ben tegenwoordig een blije fietser.
Jaren geleden had ik al eens een racefiets, maar fietsen in de bergen dat is echt nieuw. Ik heb nog nooit in mijn leven een col beklommen of afgedaald. Nieuw is ook dat ik een duidelijk doel voor ogen heb en dat er getraind moet worden. Voor het eerst is fietsen gekoppeld aan een prestatie neerzetten. Mijn persoonlijke doel en mijn persoonlijke prestatie. Dat laatste is belangrijk voor mij om voor ogen te houden, anders ga ik mezelf vergelijken met andere wielrenners, die stuk voor stuk langer en sneller kunnen fietsen dan ik. En daar gaat het niet om. Het gaat erom dat ik plezier beleef aan het bereiken van mijn eigen doel, om te voelen hoe mijn lichaam steeds sterker wordt en ik meer uithoudingsvermogen krijg en natuurlijk dat ik met mijn fietsen bijdraag aan het goede doel: kinderen met een beperking iets extra’s bieden.

Wil je mij of het goede doel ondersteunen? Dat kan via sponsor Dorothé
Alvast bedankt. Elke bijdrage, hoe klein ook, is welkom.

Inspanningstest

Op aanraden van een aantal ervaren sporters en ook omdat alle behandelingen van de borstkanker een zware aanslag op mijn lichaam zijn geweest, besluit ik om een inspanningstest te doen. Hiermee wordt gekeken of het verantwoord is om een zware inspanning als de beklimming van de col d’Aubisque te ondernemen.
Het Sport Medisch Centrum Papendal adviseert me om een inspanningstest met ademgasanalyse te doen. Hiermee worden eventuele problemen met hart of longen zichtbaar. Bovendien kan ik op basis van de gegevens die uit de test komen een goed trainingsschema maken.

Opgewonden en enigszins nerveus meld ik me bij de balie van het Sport Medisch Centrum Papendal. Aan de muur hangen metersgrote foto’s van sporters in actie, variërend van zwemmers, hordelopers, motorcrossers, schaatsers tot waterpoloërs en wielrenners.
Ik word opgehaald door een tenger meisje dat zich voorstelt als de arts die mij gaat begeleiden. Eerst hebben we een gesprek over mijn doelen en medische geschiedenis, daarna word ik gewogen en opgemeten. Op basis van deze gegevens word mijn BMI berekend, dat nog net binnen de marge zit. Aan de hand van een huidplooimeting berekent de arts mijn vetpercentage. En wat ik al had voorvoeld en gezien aan mijn spekbuikje: mijn vetpercentage is te hoog. Ik krijg het advies om twee tot drie kilo af te vallen en ervoor te zorgen dat mijn vet wordt omgezet in spiermassa. Frans ligt dubbel van het lachen als ik het hem vertel en noemt me nu plagend ‘Obesithé’, een samentrekking van obesitas en Dorothé.

Voor de inspanningstest word ik naar een andere ruimte gebracht. Ik zie een hometrainer staan en een computer met drie schermen. Een vrolijke, jonge meid stelt zich aan me voor en plakt mijn ontblootte bovenlijf vol met elektronica die met draden aan de computer zijn verbonden. Eerst wordt een hartfilmpje in rust gemaakt. Dan krijg ik een masker op en wordt getest of er nergens lucht kan ontsnappen. Ik denk terug aan het masker in de zuurstoftank tijdens de hyperbare zuurstoftherapie. Dat vond ik toen heel vervelend ademen, omdat het zwaar ging door de luchtdruk. En ik zie er nu dan ook tegenop om door het masker te moeten ademen.

Lydia, mijn vrolijke begeleider, verstelt het stuur en het zadel van de hometrainer en dan kan de test beginnen. Eerst vier minuten rustig trappen op een frequentie tussen de 80 en 90 omwentelingen per minuut. Lydia heeft me net uitgelegd wat er allemaal te zien is op de drie grote computerschermen die naast me staan, maar ik besluit me volledig te concentreren op het fietsen. Mijn blik is gericht op het kleine metertje voor me dat ik constant op 84 omwentelingen per minuut probeer te houden. Iedere halve minuut komt er gewicht bij en moet ik meer inspanning leveren om de trappers rond te krijgen. Het gaat goed. Ik begin flink te zweten, maar mijn benen draaien nog lekker rond. Ik merk nauwelijks dat ik door een masker adem. Ik ben volledig gefocust op het fietsen en wil het zolang mogelijk volhouden. Dat is ook de bedoeling. Het doel is om je maximale inspanning te meten. De test is het meest betrouwbaar als je tot het uiterste gaat.
Lydia volgt op de computer mijn hartslag en analyseert de ademgassen. Aan de hand hiervan ziet ze dat de verzuring begint en dat ik het moeilijker krijg. Ze legt me uit wat ze op het computerscherm ziet, maar ik ben zo moe dat ik met mijn ogen dicht aan het fietsen ben en echt geen energie meer heb om naar haar te luisteren en op te nemen wat ze zegt. Ik merk wel dat ik, precies zoals ze vooraf heeft uitgelegd, veel langer en meer uitadem in plaats van inadem. In het begin ga je dieper inademen had ze gezegd en ligt de nadruk op maximale zuurstofopname, maar als de verzuring eenmaal begint wil je lichaam alleen nog maar zoveel mogelijk afvalstoffen kwijt en dan ga je dus dieper uitademen.
Er komt nog een verzwaring bij en Lydia begint me luidkeels aan te moedigen om vol te houden. Ik trap me een slag in de rondte. Het enige wat ik nog kan is uitademen. En dan ineens lukt het niet meer. Ik krijg de trappers niet meer rond. Het lampje gaat letterlijk uit. Het is een bizarre ervaring. Het is geen beslissing om te stoppen, het gebeurt gewoon. Mijn maximale inspanningspunt is bereikt.
Ik moet door blijven fietsen van Lydia, omdat ik anders waarschijnlijk bewusteloos raak. Alle zuurstof gaat naar de spieren en mijn hoofd krijgt dan te weinig bloed. Gehoorzaam trap ik door op de fiets die nu geen tegendruk meer geeft. Lydia volgt op de computer mijn herstel. Na drie minuten fietsen ben ik nog steeds dizzy en zie vlekken voor mijn ogen dansen, dus moet ik nog een paar minuten door blijven fietsen. Hierna mag ik voorzichtig van de fiets stappen en word ik losgekoppeld van alle apparatuur. Het zit erop. Moe maar voldaan, stap ik onder de douche.

Even later zit ik weer tegenover de arts die mijn gegevens heeft geanalyseerd. Ze vraagt hoe ik me voel. Ik antwoord dat ik, zoals wel vaker na het sporten, een beetje hoofdpijn heb. Ze zegt dat de hoofdpijn kan komen door te weinig vochtinname, een te lage bloedsuikerspiegel of door mijn lage bloeddruk. Mijn bloeddruk is met 60 / 110 aan de lage kant. Dat kan klachten geven als duizeligheid en vlekken voor de ogen, maar is medisch gezien geen enkel probleem. Ik knoop het puntje vochtinname in mijn oren. Eten doe ik meestal wel, maar ik vergeet nog wel eens te drinken tijdens het sporten.

De arts zegt dat mijn hart en longen geen afwijkingen laten zien en dat ik zonder risico de col d’Aubisque kan beklimmen. Yes. Dat is het nieuws dat ik wil horen.
Verder leer ik dat mijn maximale hartslag 179 slagen per minuut is en dat mijn verzuringspunt ligt bij een hartslag van 168. Dit betekent dat ik bij trainingen bij voorkeur onder de 168 slagen per minuut moet blijven, omdat ik daarboven verzuur. Mijn VO2max – een graadmeter voor de conditie – is op dit moment 35. Tot mijn blijde verrassing betitelde de arts mijn basisconditie als ‘zeer goed’. Dat geeft me wel een oppepper om vooral door te gaan met lekker sporten.
De adviezen die ik meekrijg zijn: interval training, leren om lange tijd op de fiets door te brengen, spieropbouw door dagelijks de ‘seven minutes workout’ te doen, fietsen in een licht verzet en voldoende eten en drinken tijdens het sporten.

Verder berekent de arts aan de hand van mijn gegevens de trainingszones. Voor een rustige duurtraining, een zogenaamde zone één training, houd ik mijn hartslag tussen de 126 en 143 slagen per minuut. Een zone twee training ligt bij mij tussen de 143 en 160. En als ik met intervaltraining aan de gang ga mag mijn hartslag stijgen tot 168.

Tot nu toe fietste en liep ik altijd op gevoel. Eigenlijk deed ik maar wat. En blijkbaar heb ik dat goed gedaan, want mijn conditie is in vergelijking met leeftijdsgenoten zeer goed. Nu ik mijn hartslagzones weet kan ik meer gericht gaan trainen. Het gebruik van een hartslagmeter komt dan in beeld. Ik weet nog niet of ik het prettig vind om mijn lichaamsfuncties zo te monitoren.

Met een trots gevoel loop ik naar buiten. YES. Ik ben helemaal gezond.
In de bomenlaan kom ik iemand tegen die me bekend voorkomt. Het duurt even voor ik op de naam kom, maar dan ineens weet ik het. Het is Daphne Schippers. Zo’n goede prestatie als zij zal ik niet gaan neerzetten, maar toch. Col d’Aubisque here we come!

Knobbeltje

Ik had het rode vlekje aan de bovenkant van mijn borst al eerder zien zitten, maar had er verder geen aandacht aan geschonken. Nu viel mijn oog er weer op en instinctief legde ik mijn wijsvinger erop. Ik voelde een ronde, harde knobbel. Het riep herinneringen op aan vier jaar geleden. Net zo’n knobbeltje. Alleen was dit knobbeltje pijnlijker. Ik dacht in eerste instantie aan een kleine spierblessure of een opgezette lymfeklier.
We zouden een weekendje naar zee gaan en ik ging boodschappen doen en de spullen inpakken. Maar het knobbeltje bleef in mijn hoofd rondzeuren. Moest ik actie ondernemen en zo ja, welke actie dan? Ik had pas nog een mammografie gehad en die was goed. Maar ik wist ook dat mijn vorige tumor niet op de mammografie te zien was geweest.

Ik keek maar weer eens in de spiegel naar het vreemde, iets dikke, rode vlekje. Ja, de knobbel zat er nog. Hard en pijnlijk. Ineens zat het woord imflammatoire borstkanker in mijn hoofd. Ik had er wel eens iets over gelezen. Het is een soort borstkanker die pijnlijk is en vaak over het hoofd wordt gezien, omdat in eerste instantie aan een ontsteking wordt gedacht. Op de site van de borstkankervereniging zocht ik naar informatie die mijn angst zou kunnen ontkrachten. Het werkte averechts. Mijn angstige gedachten werden er alleen door gevoed. Imflammatoire borstkanker is een zeldzaam agressieve kanker die in enkele weken tijd kan ontstaan. Het wordt vaak pas ontdekt als het is uitgezaaid naar de lymfeklieren en er rode, harde plekken ontstaan, doordat de kankercellen de lymfeklieren blokkeren. De prognose is slecht.
Het idee dat de knobbel die ik voelde imflammatoire borstkanker zou kunnen zijn, haakte zich vast in mijn hoofd en vrat zich een weg door mijn brein. In één klap kantelde mijn toekomstperspectief. Weg plannen om groepen voor hoogbegaafde kinderen te beginnen of om  weekenden voor jongeren te organiseren. De beklimming van de col d’Aubisque leek ineens onwerkelijk ver weg. Misschien ben ik dan al wel dood, mijmerde ik somber. Komt er vast boven de advertentie te staan: ‘ze had nog zoveel plannen, maar het mocht niet zo zijn’,  vervolgde ik mijn treurnis.

‘Jumping to conclusions’ noemen ze dat waar ik in mijn hoofd mee bezig was. Op basis van één vooronderstelling steeds verdere conclusies trekken en dan uitkomen op een eindpunt dat heel ver van de realiteit af kan staan. Dat was juist het punt. Ik vond het allemaal heel geloofwaardig en aannemelijk, het was een reële optie dat ik imflammatoire borstkanker had. En als dat zo was, dan wilde ik zo snel mogelijk in actie komen. Maar eigenlijk wilde ik zo snel mogelijk bevestigd hebben dat ik ongelijk had. Dat er absoluut niets aan de hand was met mijn lichaam. Ik begreep dat het kansloos was om in het weekend naar de oncologie verpleegkundige te bellen, naar de eerste hulp te snellen of om mijn borst er uit voorzorg zelf maar vast vanaf te snijden. Met mijn verstand begreep ik dat heus wel. Toch was dat wel wat ik het liefst had gedaan. Bizar dat gedachten zo hun eigen leven kunnen gaan leiden in je hoofd en een emotionele staat van aan paniek grenzende angst teweeg kunnen brengen.
Die nacht sliep ik slecht. Telkens schoot ik wakker. Even voelde ik me dan rustig, maar in een flits hing de donkere wolk van dreiging dan weer boven mijn hoofd. Een gevoel van naderend onheil. Met grote somberheid werd ik de volgende ochtend wakker. We zouden een weekendje naar zee gaan. Lekker een weekend er samen op uit. Het was wel heel jammer als ik dat zou verpesten met mijn gepieker over de knobbel in mijn borst. Een knobbeltje dat zeer waarschijnlijk gewoon een verdikte spier of lymfeknoopje was. Frans hielp me het probleem van het knobbeltje te parkeren. Om het een plekje te geven in mijn hoofd en er verder niet meer aan te denken. Tot mijn verrassing ging dat – toen ik eenmaal het juiste knopje in mijn hoofd had gevonden – verrassend gemakkelijk. Ineens was het knobbeltje geen item meer, maar kon ik me focussen op het inpakken van de spullen, de camping en de leuke activiteiten die we zouden gaan ondernemen.
Het werd een heerlijk weekend in Sint Maartenszee, waarbij we fietsten door de duinen en ik genoot van mijn toegenomen conditie, waarbij we speelden in de golven, lange strandwandelingen maakten en een bezoek brachten aan natuurgebied het Zwanenwater. Het riep jeugdherinneringen op aan toen ik hier lang geleden met mijn oom en tante naar toe ging om een weekend aan zee door te brengen. We zaten op terrasjes bij leuke strandtenten en genoten van hapjes en drankjes.

IMG_20180811_174515 IMG_20180812_191008

 

 

 

 

 

 

En de knobbel?  Die zat er nog wel, maar was een stuk kleiner geworden en het rode vlekje was bijna weg. Ik besloot het even aan te zien. Als het er over een tijdje nog zat, zou ik er naar laten kijken. Toch bleef het knobbeltje in mijn hoofd zitten. Ik dacht niet langer dat het echt iets ernstigs zou zijn, maar ik was ook niet helemaal zeker van mijn zaak. Mijn lymfetherapeut en een vriendin moedigden me aan om het toch even te laten onderzoeken.

En zo nam ik op een maandagochtend contact op met het geweldige Slingeland ziekenhuis, mijn baken in onzekere tijden. De oncologie verpleegkundige verwees me door naar de mamacare verpleegkundige, die contact opnam met mijn chirurg waar ik een half uur later al terecht kon. Er is over een half uur nog een gaatje vrij en ik zie dat je dichtbij woont, had de mamacare verpleegkundige gezegd. ‘Zal ik vragen of je dan mag komen, dan hoef je niet zo lang in onzekerheid te blijven,’ vroeg ze meelevend.
Mijn borst werd helemaal onderzocht. Het knobbeltje werd niet als iets alarmerends gezien, maar als ik dat graag wilde kon er een echo worden gemaakt. Op een echo kan een verdachte plek heel nauwkeurig en gedetailleerd worden bekeken.
Met mijn benen bungelend op de rand van de onderzoekstafel keek de chirurg me onderzoekend aan. Ik nam even de tijd om te voelen wat ik wilde. ‘Ja’, zei ik, ‘ik wil toch graag de echo.’ ‘Dat is goed,’ antwoordde de chirurg, ‘loop maar mee dan maken we direct een afspraak.’
En zo kon ik de volgende ochtend al terecht om een echo te laten maken van het knobbeltje in mijn borst. De blonde radiologe smeerde wat gel op mijn borst en bewoog de scanner over de dubieuze plek. Ik kon meekijken op het scherm. Er was helemaal niets verdachts te zien, stelde de radiologe me gerust.
Op het scherm zag ik twee ronde vlekken, die eruit zagen als knobbeltjes zeewier en ik vroeg of dat het knobbeltje was dat ik voelde. De radiologe antwoordde lachend dat dat mijn ribben waren. Het knobbeltje dat ik voelde was waarschijnlijk opgezet klierweefsel of littekenweefsel, misschien ontstaan als late reactie op de bestraling, die nog tot tien jaar tijd schade aan kan richten. Het was in ieder geval geen kanker. Opgelucht kleedde ik me weer aan. Blij met de voortreffelijke zorg in Nederland. De volgende ochtend belde de chirurg nog even voor de officiële uitslag en om te horen hoe het met me ging. Wat ben ik dankbaar voor deze zorgzame en betrokken mensen in de zorg. Blij dat mijn behoefte aan geruststelling zo serieus wordt genomen.

Onbekende wegen

Om mijn arm en knieën wat te ontlasten fiets ik nu weer tijdelijk op mijn trekking bike. Ik fiets dan in een irritant licht verzet, waardoor ik het idee heb nauwelijks vooruit te komen. Het doel is om mijn benen zo licht mogelijk en zonder kracht te bewegen, zodat ik de kniepezen zoveel mogelijk ontzie. Met Frans maak ik kleine fietstochtjes door de omgeving en ’s ochtends maak ik korte ritjes over onbekende wegen in de buurt. Dat vind ik altijd leuk: nieuwe wegen verkennen.
Vorige week maandag was ik al vroeg vertrokken, want het beloofde wederom een erg warme dag te worden. Mijn plan was om naar Borculo te fietsen (28 kilometer), daar te gaan zwemmen in de Hambroekse plas en dan weer rustig terug te fietsen. Ik koerste richting Ruurlo. Althans dat dacht ik. Ik had ergens bij Wolfersveen het fietspad naast de grote weg verruild voor een onbekende weg door het bos. Het zag er erg aantrekkelijk uit en ik was er nog nooit geweest. Ik dacht op gevoel wel de goede kant op te gaan, maar toen ik na een uurtje trappen op een knooppuntenbord keek, zag ik dat ik behoorlijk was afgedwaald. Ik besloot geheel tegen mijn principes in een stukje terug te fietsen, zodat ik weer meer in de richting van Ruurlo zou gaan. Ik volgde hiervoor de bordjes van de knooppuntenroute. Na omzwervingen langs kleine gehuchtjes als Halle-Heide, Mariënvelde en Heurne bereikte ik na ruim twee uur fietsen het kasteel van Ruurlo waar ik bij de Orangerie een versnapering wilde nuttigen. Helaas het was maandag en de Orangerie was gesloten. En ik kwam er al snel achter dat dat voor alle andere horecagelegenheden gold die ik passeerde op mijn tocht. Kwam ik een vrolijk wapperend vlaggetje tegen met een uitnodigend kopje koffie erop, fietste ik er hoopvol naartoe, kwam ik weer voor een gesloten deur en droop teleurgesteld af. Dan nam ik maar weer een slokje water uit mijn bidon of nam een hapje van mijn boterham met kaas.
Het was inmiddels flink boven de dertig graden en ik had wijselijk besloten niet helemaal naar Borculo te rijden, ik moest tenslotte ook nog terug zien te komen. Ik pauzeerde in de schaduw van een boom zittend op de grond en at mijn bakje met vers fruit leeg. Dat is het voordeel van de trekkingbike, je kunt gewoon van alles meenemen op je tocht.
Het Achterhoekse landschap lag er verdroogd bij. Het gras was dor, de mais hing slap, de bladeren aan de bomen waren bruin en de beken en poelen waren opgedroogd. Het stemde me mistroostig de natuur zo naar water te zien snakken. Een beetje triestig ploegde ik voort over het zandpad dat veranderd was in een soort crossbaan met los zand dat veel van mijn beenspieren vergde.
Waarschijnlijk had ik ergens een knooppuntenbordje gemist, want al snel had ik geen idee meer waar ik was en kwam ik erachter dat ik al heel lang geen bordje meer was tegengekomen. Ik fietste daarom maar op goed geluk wat rond. Natuurlijk kon ik op mijn telefoon kijken, maar google maps geeft lang niet alle afgelegen zandweggetjes in de Achterhoek goed aan en het is lastig om telkens op je telefoon te moeten kijken. Bovendien zie je nog eens iets nieuws als je zomaar een beetje rondfietst. Via Varssel reed ik naar Linde, wat erg uit de richting was, maar wel mooi en vervolgens naar het centrum van Hengelo, om dan via Keijenborg en Wittebrink weer huiswaarts te keren. Mijn trekkingbike heeft geen tellertje dus ik had geen idee hoeveel ik had gefietst. Duidelijk was wel dat ik er vierenhalf uur over had gedaan. Na een koude douche ging ik uitgeteld op een bedje op de veranda liggen. Eindelijk een terrasje dat open was.

Fietsvrienden

Nu ik zelf ben begonnen met fietsen valt me pas op hoeveel vrienden ik heb die ook van wielrennen houden en deze sport actief beoefenen. Bijna zonder uitzondering zijn ze enthousiast over mijn deelname aan de Tristan Hofman Challenge en bieden ze aan om hun kennis en ervaring met me te delen en om samen een rondje te fietsen. Zo heb ik al een heel scala aan leuke aanbiedingen binnen.

Op een warme zomerdag reed ik met de auto naar Deventer voor een fietstocht langs de IJssel met mijn vriend Huub. De eerste kilometers fietsten we kriskras langs beboste wegen richting Olst. Huub stuurde behendig over kruisingen en bochtige fietspaden, ik volgde hem behoedzaam en een stuk minder soepel. Na zo’n vijftien kilometer opperde ik voorzichtig dat ik honger kreeg. ‘Nou,’ zei Huub, ‘dat komt goed uit.’ En hij loodste me naar een gezellig terrasje waar ik trakteerde op koffie met appelgebak en slagroom.
Eén van de gevolgen van het fietsen is dat ik er zwaarder van word. En dan heb ik het niet over de toegenomen spiermassa van mijn benen, maar over het vetpercentage van mijn buik en middel. Om de hongerklop voor te blijven eet ik me ongans aan koolhydraatrijke producten als mueslireepjes, boterhammen, pastasalades en dus ook appeltaart. Waarschijnlijk eet ik iets téveel en bouwt mijn lichaam reserves op voor tijden van nood. Maar als ik niet eet of te weinig eet krijg ik last van duizelingen, vlekken voor mijn ogen en trillende armen en benen. Dan ben ik niet meer vooruit te branden. Bovendien smaakt alles zo lekker tijdens een fietstocht. Sinds ik fiets heb ik honger als een wolf en eet ik als een beer.

Na de appeltaart fietste ik weer een stuk lekkerder en al snel kwamen we bij Fortmond waar we het pontje over de IJssel naar Veessen pakten. Door de lage waterstand moesten we steil naar beneden afdalen en kon het pontje nog maar net in de vaart blijven. Het was druk met boten op de IJssel en we moesten even wachten voor we de overtocht konden maken.
In Veessen fietsten we via de dijk met de wind in de rug richting Welsum. We schakelden over op een groter verzet en stoven langs de uiterwaarden. We passeerden een gezellige uitspanning en Huub vroeg of ik alweer honger kreeg. Ik knikte bevestigend en we draaiden om voor een pauze aan het water. Huub trakteerde me op een maaltijdpasta. Zelf koos hij voor een clubsandwich. Na een lange pauze hervatten we onze fietstocht en reden via de IJssel terug richting Deventer.
Ik weet niet of het kwam door het zwaardere verzet dat ik gebruikte of doordat ik met enige bravoure de toch wel steile fietsbrug op reed, maar na afloop had ik voor het eerst in mijn leven last van mijn knieën. De aanhechtingen aan het bot lieten zich voelen door een zeurend pijntje. De waarschuwende woorden van een ervaren fietsvriendin dreunden na in mijn oren. Altijd rijden met een licht verzet, anders rijd je je knieën aan gort, had ze gezegd. Bah, moest ik rustig aan gaan doen, terwijl het net zo lekker ging.

De IJsseltocht had 47 kilometer aan mijn fietsteller toegevoegd, waardoor het totaal aantal gereden kilometers in twee weken tijd was opgelopen tot 159. Niet slecht voor een beginneling. Maar misschien moest ik toch wat rustiger aandoen. Ik besloot de fietstochtjes met mijn andere fietsvrienden nog even uit te stellen. Maar deze had ik op zak en ik had er onwijs van genoten.

 

pontje Deventer

 

Varsselring, Peeskesbult en Sint Jansberg

Ruim een week na de aankoop van mijn zwarte racefiets staat de teller op 111 kilometer. Ik ben direct enthousiast van start gegaan. De eerste dag besteeg ik in vol tenue de racefiets. Het was nog even wennen en zoeken om alle attributen die bij een racefietstochtje horen te verzamelen.

IMG_20180721_202333

Het doel van eerste tochtje was mijn racefiets te leren kennen en te oefenen met het vast- en weer losklikken van de schoenen op de pedalen. De eerste paar kilometer durfde ik mijn tweede schoen niet vast te maken, bang als ik was om onverwachts te moeten afstappen en dan – zoals alle wielrenners vroeg of laat een keer overkomt, zo werd mij verzekerd door ervaringsdeskundigen – om te vallen omdat ik er niet aan had gedacht de schoen tijdig los te maken. Pas op het lange rechte fietspad naar Zelhem klikte ik ook mijn tweede schoen vast. Om de paar honderd meter klikte ik de schoenen los en weer vast. Net zolang totdat ik het schuifje op het pedaal op gevoel en zonder te kijken kon vinden. Het vastklikken ging steeds meer vanzelf, maar het losklikken bleef lastig. Door het vele oefenen kreeg ik flink spierpijn in mijn linker kuit.

Het eerste tochtje was Frans mijn metgezel. We maakten een leuk rondje van 20 kilometer van Doetinchem naar Hengelo (gld) en weer terug. De volgende dag zocht ik het lange fietspad weer op en oefende nogmaals met het vast- en weer losmaken van de schoenen. Het was net als de eerste autorijles hield ik mezelf voor, toen dacht ik ook dat ik het nooit zou leren om tegelijkertijd in de spiegel te kijken, terug te schakelen en de richtingaanwijzer aan te zetten. Nu trainde ik mezelf met: kruising, remmen, terugschakelen, voet omlaag, schoen los. Gewoon vaak genoeg oefenen dan wordt het vanzelf routine en hoef je er niet meer over na te denken, net als bij het autorijden.

De derde dag ging ik op pad met Margo, die er direct flink het tempo inzette. Margo leerde me te schakelen en de juiste cadans te vinden. Niet te licht, maar zeker ook niet te zwaar. Zo’n 80 tot 100 omwentelingen per minuut zo doceerde ze mij. Ik merkte inderdaad dat ik makkelijker en harder kon fietsen als ik eenmaal de juiste versnelling had gevonden. Nu moest ik nog een tempo zien te vinden dat ik langdurig vol kon houden. Dat was zoeken, want ik ben van nature meer een sprinter, die van korte, speelse klimmetjes en versnellingen houdt. Ik ben niet gewend aan duursport en zal eerst moeten trainen om het duurvermogen op te bouwen. Mijn grootste uitdaging is om er niet als een dolle vandoor te gaan en dan na tien minuten uitgeblust in de berm te liggen.
Ik hield me aan een snelheid van zo’n twintig kilometer per uur. Dat was een tempo dat ik goed vol kon houden. Margo moest zich flink inhouden voor mij, maar hoewel ik dat vervelend vond, verzekerde ze me dat zij zich gemakkelijk kon aanpassen en het niet erg vond.
We fietsten over afgelegen landweggetjes in de Achterhoek. Ik merkte al snel dat de ondergrond heel bepalend was voor het fietscomfort. Trillende klinkerwegen, wegen met een rafelige grindlaag of stoeptegels met grote kieren maakten het fietsen oncomfortabel. Met de trekkingbike houd ik van rulle zandpaden en kronkelige routes, maar met de racefiets prefereer ik rechte wegen met perfect, glad asfalt heb ik inmiddels gemerkt.
Het was in de buurt van Hengelo toen we ineens op een super glad wegdek terechtkwamen. We gleden geruisloos voorwaarts. ‘Oh,’ zei Margo opgetogen, ‘dit is vast de Varsselring.’ De Varsselring is een racecircuit voor racewedstrijden van motoren en auto’s.
Het gladde wegdek nodigde uit voor een sprintje. Een testje om te zien hoe hard we konden fietsen. Ik schakelde net zolang totdat ik de zwaarste versnelling had bereikt en trapte zo hard ik kon en net zolang tot mijn benen waren verzuurd. Het was lekker om even voluit te gaan. Mijn topsnelheid lag op 34 kilometer per uur. Harder kon ik echt niet. Voor een ervaren wielrenner niet echt hard, maar voor mij voelde het als vliegen. Na een pauze op een bankje waarbij ik twee boterhammen met pindakaas naar binnen werkte en we een groepje verdwaalde padvinders ontmoetten, reden we rustig terug naar de Kruisbergseweg. Ik kon dertig kilometer bijschrijven op mijn fietsconto.

De volgende dag lastte ik een rustdag in, maar ’s avonds begon het alweer te kriebelen. Mijn lichaam had zin om te fietsen. In mijn hoofd ontvouwde zich een plannetje: ik zou de volgende ochtend met Frans mee naar zijn werk in ’s Heerenberg fietsen en dan via een ommetje weer terug naar huis.
We vertrokken om zeven uur ’s ochtends en fietsten langs goudgele velden en donkergroen bos. De zon stond te stralen in een strakblauwe lucht en zelfs op dit vroege tijdstip was het al warm. Frans nodigde me uit voor een kopje thee bij het bedrijf waar hij die dag werkte. Daarna reed ik via het industrieterrein door het centrum van ’s Heerenberg richting Stokkum. Ik genoot van het landschap en had geen speciaal plan. Ik fietste gewoon een beetje op goed geluk rond. Na een tijdje merkte ik dat de weg alsmaar bleef stijgen. Ik schakelde terug naar een lichtere versnelling. De weg werd nu een stuk steiler en ineens bedacht ik dat dit wel eens de beruchte Peeskesbult zou kunnen zijn. Dé oefenhelling voor bergbeklimmers uit de Achterhoek.

Ik stelde me in op een lange en zware klim. Mijn snelheid zakte terug naar negen kilometer per uur, maar ik vond het niet onoverkomelijk zwaar. Ik fietste in een licht verzet naar boven en dat was goed te doen. Het was ook niet zolang als ik had gevreesd. Enigszins verbaasd over mijn eigen prestatie bereikte ik de top. Toen ik uiterst voorzichtig en met flink ingeknepen remmen afdaalde, kwam me een bergop zwoegende wielrenner tegemoet. Ik kreeg van de wielrenner een knikje van verstandhouding. Zo van: wij wielrenners onder elkaar. Wij weten wat het is om de Peeskesbult te beklimmen. En ik voelde een golf van trots door me heenstromen. Het was alsof ik was toegetreden tot de wereld van het wielrennen. In mijn eerste fietsweek had ik – weliswaar per ongeluk – de Peeskesbult bedwongen.

Een paar dagen later, op de zondag, hadden we twee afspraken staan met familie en vrienden. Een afspraak in Milsbeek en een afspraak in Berg en Dal. Ik overwoog om van Doetinchem naar Milsbeek te fietsen, maar bedacht dat ik dan niet echt fit op de verjaardag zou zitten met vijftig kilometer in de benen. Maar van Milsbeek naar Berg en Dal fietsen kon natuurlijk wel. Dat was zo’n vijftien kilometer over een heuvelachtig parcours. Een leuke, kleine uitdaging.
Op de verjaardag verruilde ik mijn zomerjurk voor mijn fietstenue en vertrok – nadat ik uitgebreid had verteld over mijn nieuwe uitdaging en het goede doel waarvoor ik fiets – richting Berg en Dal. Mijn broer had me uitgelegd hoe ik moest fietsen om de Sint Jansberg te beklimmen. Een korte, pittige klim, die me direct al de adem benam. Daarna koerste ik door het centrum van Groesbeek met een losgeklikte schoen. Klaar om af te kunnen stappen, mocht dat nodig zijn.
Ik merkte dat ik stoppen met de racefiets heel vervelend vind, omdat stoppen de cadans waar je in zit verstoort. Stoppen onderbreekt het ritme. Met een gewone fiets heb ik daar veel minder last van. Dan pauzeer ik om de haverklap. Stap af om iets uit de fietstas te pakken of op de knooppuntenborden te kijken naar de route. Nu had ik echter geen zin om af te stappen. Ik wilde doorfietsen. Daardoor dacht ik op de Zevenheuvelenweg naar Berg en Dal te zitten. Pas later kwam ik er achter dat ik richting Malden aan het fietsen was. Frans had me via Google Maps getraceerd en was me achterna gereden met de auto. Enthousiast zwaaiend stond hij langs de weg. Dit vond ik wel waard om even af te stappen. Samen bekeken we de route en zo fietste ik via de Derde Baan alsnog naar de Zevenheuvelenweg waar ik nog twee flinke heuvels meepakte. Tussen de twee heuvels in liet ik de fiets in volle vaart naar beneden suizen, totdat ik op de teller zag dat ik bijna veertig kilometer per uur reed. Hier schrok ik zo van, dat ik direct weer de remmen inkneep. Door het krampachtig remmen had ik pijn in mijn hand gekregen en ook mijn arm deed een beetje zeer en werd dik van het vocht.
Onze vrienden waren wel verbaasd om mij op de racefiets te zien verschijnen. Ik werd hartelijk ontvangen en de racefiets mocht zonder problemen bij hen in de woonkamer staan. Ik kon hem naast één van hun racefietsen zetten.

Tijdens een lekkere maaltijd kreeg ik veel tips en adviezen over het fietsen. ’s Avonds legden we de racefiets voorzichtig in de auto. De eerste honderd kilometer waren een feit.

En zo zie ik eruit ná een fietstochtje: moe maar tevreden!

 

IMG_20180721_203355

Tour de France

Tot enkele jaren geleden heb ik me nooit geïnteresseerd voor de Tour de France. Sterker nog: ik begreep werkelijk niet wat er nou zou leuk was om naar een groepje fietsers te kijken. Pas toen ik gevloerd door de chemo op de bank hing keek ik af en toe naar een etappe en begon mijn interesse te groeien. Pas toen kreeg ik het spel van kopman en knechten, van dagzeges, sprints en eindklassement, van gele-, groene-, witte- en bolletjestrui een beetje door. Pas toen begreep ik dat het tactische spel van aanvallen en verdedigen ook spannend kon zijn. De interesse nam verder toe met de Nederlandse successen van Robert Geesink, Bauke Mollema, Steven Kruijswijk en natuurlijk Tom Dumoulin.

Met de Col d’Aubisque in het verschiet is mijn belangstelling voor de Tour groter dan ooit. Ik volgde bijna dagelijks de etappes en hield nauwlettend het eindklassement in de gaten. Ik wist welke teams er waren en welke renners bij welk team fietsten. Wie de kopmannen waren en wie de meesterknechten, al bleef dat bij team Sky lang onduidelijk. Ik bedacht dat als ik mee zou doen met een pubquiz ik zeker goed zou scoren bij de vragen over de Tour de France.

col d aubisque

Vrijdag 27 juli zat ik voor de buis gekluisterd om te zien hoe de renners over de col d’Aubisque omhoog zwoegden en daarna met een vaart van negentig kilometer per uur, voorovergebogen over hun stuur hangend in een strakke lijn naar beneden afdaalden. Ik zag het verschil in fietsstijlen, in souplesse en afdaaltechnieken. Vol bewondering keek ik naar de krachtige kuiten van de renners, hun aanvalstechnieken bij de beklimming en hun beheersing bij de afdaling. Maar bovenal keek ik naar de col d’Aubique zelf. Deze machtige berg met dertig kilometer omhoog slingerend asfalt.
Ik kan mij nog maar moeilijk voorstellen dat ik over een kleine elf maanden diezelfde col d’Aubisque ga beklimmen, laat staan afdalen. Ik ben benieuwd waar dit avontuur me brengt.

col d aubisque twee

 

Sponsoring voor het goede doel kan nog steeds via sponsor Dorothé
Reeds 165 euro van sponsoren ontvangen. HARTELIJK DANK hiervoor!

 

Er staat een fiets in de gang…

Wielrenvrienden vroegen wel vaker of ze hun kostbare bezit bij ons in de gang mochten stallen. Ik stemde hier altijd enigszins verbaasd mee in. Ik vond het prima, maar ook wel een tikkeltje overtrokken om zo bezorgd met je fiets om te gaan. En nu staat mijn fiets in de woonkamer te pronken. Omdat ik er (nog) geen betere plek voor heb weten te vinden en omdat ik er erg trots op ben.

‘Heb je een Dolce of een Ruby?,’ vroeg Margo, toen ik haar mailde dat ik mezelf had getrakteerd op een spiksplinternieuwe racefiets. Ik had geen idee waar ze het over had. Ik had blindelings het advies van Maik opgevolgd en geen enkele vraag gesteld over technische onderdelen, simpelweg omdat ik geen enkel idee heb welke onderdelen een fiets überhaupt heeft buiten trappers, een zadel en een stuur. Toen ik de factuur erbij pakte om mijn fiets te registreren voor de garantie, zag ik pas dat ik een Dolce Elite had gekocht van het merk Specialized. Er staat dus een Dolce Elite bij ons in de gang of woonkamer.

Een paar dagen na de toer op de geleende racefiets was ik teruggekeerd naar de Pedaleur en had Maik een hybride voor me in orde gemaakt. Ik mocht hem meenemen voor een rondje industrieterrein. Hoewel de fiets heel wendbaar was, ik veel gemakkelijker kon rondkijken en ik geen pijn in mijn nek en rug voelde, vond ik de fietskwaliteiten direct minder dan van de geleende racefiets. Het was net of ik minder kracht kon zetten. De benen gingen minder lekker rond. En ook het rechte stuur kon me niet bekoren. Al vrij snel was ik terug in de winkel. ‘Ik ga toch voor de racefiets’, zei ik tegen Maik.

‘Dan is dit hem’, zei Maik, ‘want de andere racefiets die geschikt was is gisteren verkocht.’ Het was een matzwarte fiets met een gebogen frame. Hij was niet verkrijgbaar in een vrolijk kleurtje. Zwart was de nieuwe kleur van het seizoen. Gelukkig stel ik functionaliteit boven het uiterlijk van een fiets. Een fiets moet doen waar hij voor bedoeld is en dat is LEKKER FIETSEN. En dat ik zwart niet lelijk vind, is dan mooi meegenomen.

Ik ging de Specialized, een speciaal damesmodel, uitproberen op het industrieterrein. Ik fietste wat onwennig rond, terwijl ik opschakelde naar een hogere versnelling en me afvroeg of dit mijn toekomstige fiets zou worden. Ik naderde de snelweg overgang en probeerde het palletje te vinden om terug te schakelen, zodat ik gemakkelijker de bult op kon fietsen. Maar hoe ik ook zocht, nergens vond ik een hendeltje of palletje om terug te schakelen naar een lichtere versnelling. Dus keerde ik om en fietste terug naar de winkel. Maar waar was die ook weer? Ik was zo druk met mijn fiets bezig geweest dat ik niet op de weg had gelet. Het duurde een tijdje voor ik me weer had georiënteerd en de Pedaleur terugvond. Hier legde een vriendelijke dame me enigszins verbaasd uit, dat de versnelling in de rem was geïntegreerd. Ik hoefde alleen maar de rem naar links te bewegen en als ik een grote slinger maakte kon ik met één beweging drie versnellingen lichter schakelen. Handig voor als je onverwacht een heuvel op moest fietsen.
Vol goede moed stapte ik weer op de fiets om de snelweg overgang te testen. Verbazingwekkend licht en makkelijk trapte ik naar boven. Heerlijk zo’n racefiets. Naar beneden probeerde ik uit tot hoever ik kon opschakelen naar een zwaardere versnelling. Beneden aangekomen moest ik afstappen om op een naderende auto te wachten, daarna stak ik de weg over en merkte direct dat ik vergeten was om terug te schakelen. Uiterst moeizaam kwam ik weer op gang.

‘En wat vind je ervan?,’ vroeg Maik. ‘Nou, hij fietst heerlijk, maar ik krijg wel pijn in mijn nek,’ antwoordde ik. ‘Dan gaan we nu de fiets voor jou op maat maken. Loop maar mee, dan doen we een fietsmeting.’ En voor ik het wist werden allerlei lichaamsdelen opgemeten; de lengte van de romp, de binnenbeenlengte, de lengte van mijn armen en nog een aantal maten die ik inmiddels weer vergeten ben. Alle gegevens werden ingevoerd in de computer en daarna ging Maik aan de fiets sleutelen. Het zadel werd iets lager gezet, de punt van het zadel iets rechter en de stuurpen werd omgedraaid. En daar ging ik weer voor een ronde over het industrieterrein. Ik trapte de bult van de overweg weer op, schakelde op tijd terug en fietste terug naar de Pedaleur.

‘De pijn in de nek is weg, maar nu zijn mijn benen verzuurd. Ik heb het idee dat het zadel nu te laag staat afgesteld,’ meldde ik mijn bevindingen aan Maik. Hierop schroefde Maik het zadel weer een klein beetje omhoog. Hij stelde voor om even te pauzeren, want door alle indrukken was ik niet meer in staat om goed te voelen wat nu wel en niet klopte aan de fiets. We namen plaats aan een houten tafel en namen samen alle noodzakelijke accessoires door. Allereerst waren daar de pedalen. (Ja, racefietsen worden standaard zonder trappers geleverd). Maik liet ze allemaal zien en besliste toen wat voor mij de meest geschikte optie was. Geen echte racefietspedalen, maar wel pedalen met een kliksysteem. Hier hoorden natuurlijk fietsschoenen bij. De fietsschoenen hebben een plaatje aan de onderkant, die je over het frame op de trapper schuift, waarna de schoen vastklikt.

Of ik had gedacht aan het verwisselen van een band, vroeg Maik. ‘Ik hoop dat niet mee te maken,’ antwoordde ik naïef. ‘Zijn er geen tubeless banden?,’ vroeg ik er hoopvol achteraan. Maar Maik schudde zijn hoofd. ‘Nee, dat zou ik niet aanraden.’ ‘Hier heb je een reserveband, drie bandenlichters, een fietspompje en een zadeltasje om alles in op te bergen.’ Binnenkort een lesje banden verwisselen vragen aan een wielrenvriend, dacht ik, terwijl ik Maik advies vroeg voor een goede fietsbril. Het werd een bril met meekleurende glazen, die ik als blijk van waardering voor de fietsaankoop cadeau kreeg. Nu ik toch lekker bezig was met aankopen doen, besloot ik dan ook maar een fietsshirt aan te schaffen. Dan kon ik tenminste iets te eten mee nemen voor onderweg. Ik koos voor een shirt in mijn favoriete blauwe kleur. Tot slot nog een tellertje en toen was mijn fietsuitrusting helemaal compleet.

Maik zette alles in de computer en maakte de balans op. Ik was iets over mijn budget gegaan, maar ik had nu wel echt alles in huis voor een heerlijke fietstocht. Ik had verwacht mijn nieuwe aankoop direct mee te kunnen nemen. Maar dat had ik fout ingeschat. De fiets moest eerst rijklaar gemaakt worden. Ik vroeg mij af wat er dan nog moest gebeuren want de fiets reed immers prima en was al helemaal op mij afgestemd. Maar Maik was niet te vermurwen. Ik kon de fiets over een paar dagen ophalen. En dus keerde ik huiswaarts op een geleende stadsfiets met terugtraprem, waar ik vreselijk aan moest wennen en die ongelooflijk zwaar en lomp trapte.

Voor het eerst in mijn leven had ik een nieuwe fiets gekocht. En wat voor één. Ik was zo trots als een pauw. Een paar dagen later was het zover. Ik kon mijn nieuwe aanwinst gaan ophalen. In de winkel stond een bordje met welkom mevrouw Huijsmans bij mijn zwarte racemonster. Een montere, jonge meid demonstreerde me in rap tempo hoe ik het voorwiel uit de fiets kan halen en er weer inzetten. Daarna oefenden we met het in- en uitklikken van de schoenen en vonden ze me racefietswaardig om op pad te gaan. Ik voelde me echter nog niet zo zeker van mezelf. Dus was ik met de auto gekomen en vroeg ik of ze de fiets voor mij in de kofferbak wilde leggen waar ik uit voorzorg al een zacht dekentje had neergelegd.

Thuisgekomen zette ik de fiets in de gang. Later werd hij naar de woonkamer verplaatst. En daar staat hij nog, omdat ik tot op heden geen beter plekje heb weten te vinden.

IMG_20180721_122517

Geslaagd!

Door de vakantie en alle fietsperikelen zou ik bijna vergeten te vertellen dat ik ben geslaagd voor de opleiding Gelukkig HB begeleider.
uitreiking diploma gelukkig hb

Sinds september volgde ik de opleiding tot Gelukkig HB begeleider. HB staat voor hoogbegaafd. Over hoogbegaafdheid bestaan een aantal misverstanden en vooroordelen. Wat is nu precies hoogbegaafdheid? Wat betekent het om hoogbegaafd te zijn? Hoogbegaafdheid wordt nog vaak gelijkgesteld aan slimheid, intelligentie en goed kunnen leren. Maar de meeste wetenschappers zijn het er inmiddels over eens dat hoogbegaafdheid vooral te maken heeft met een aantal persoonskenmerken.

Hoogbegaafdheid raakt je hele persoon. Hoogbegaafden zijn autonoom, nieuwsgierig en gedreven van aard. Dit betekent dat ze een sterke drive hebben om dingen op hun eigen wijze en op hun eigen tijdstip te doen. Ze stellen veel vragen en hebben een grote leerhonger om onderwerpen die hun interesse hebben te doorgronden. Ze denken diep na over dingen en reflecteren graag op hun eigen gedachten en ideeën. Hun intelligentie komt onder andere tot uitdrukking in het bedenken van creatieve, originele en eigenzinnige oplossingen. Ze zien snel verbanden en kunnen goed associatief denken. Het zijn mensen die een rijk en intens gevoelsleven kennen. Hun zintuigen staan op scherp en alles komt tegelijk en in volle hevigheid binnen. Hoogbegaafden raken daardoor snel overprikkeld en hebben momenten van rust en alleen zijn nodig om al die prikkels te verwerken. Ze zijn sensitief en prikkelgevoelig.

Deze bijzondere mensen – slechts 2% van de bevolking is hoogbegaafd – hebben vaak moeite zich staande te houden in de maatschappij, omdat ze geen aansluiting vinden bij andere mensen. Omdat ze zich anders voelen en niet weten waar dit mee te maken heeft. Omdat ze worstelen tussen zichzelf zijn en zich aanpassen aan de omgeving. Als ze zichzelf met hun bijzondere gaven laten zien, vinden hun ideeën vaak geen klankbord bij anderen en leiden ze een eenzaam bestaan. Wanneer ze zich teveel aanpassen verliezen ze hun eigenheid en blijven hun speciale talenten verborgen. Dit gaat op den duur knagen aan hun eigenwaarde.

Via GelukkigHB groepen wil ik sensitieve, hoogbegaafde kinderen een plek bieden waar ze andere hoogbegaafden kunnen ontmoeten. Een plek waar ze zichzelf kunnen zijn. Ik wil hen leren om trouw te blijven aan zichzelf én een brug te slaan naar de wereld om hen heen.
Het is mijn droom dat sensitieve, hoogbegaafde kinderen hun bijzondere gaven delen met de wereld én dat ze gelukkig zijn met wie ze zijn.

Wil je weten wat ik precies doe met hoogbegaafde kinderen? Neem dan een kijkje op de site www.sensitiefHB.nl

Racefietsproof

Het eerste advies dat ik kreeg was dat een andere fiets mijn klim naar boven aanzienlijk zou vergemakkelijken. Het was niet onmogelijk met mijn huidige trekkingbike, maar een racefiets zou mijn kans op succes zeker vergroten.
Ooit had ik een racefiets, maar na jaren ongebruikt in het schuurtje te hebben gestaan, hadden we deze weggegeven aan een beginnende fietser. Toch denk ik met plezier terug aan mijn tochtjes op de racefiets, waarbij mijn benen zo gemakkelijk rondgingen en ik het gevoel had over het asfalt te vliegen. Waarom ik er dan zo weinig op fietste? Angst voor een lekke band, geen mogelijkheid om iets mee te nemen voor onderweg en pijn in mijn nek, waren de belangrijkste redenen.
Stap één was dus op zoek gaan naar een geschikte fiets.

Op marktplaats zocht ik naar tweedehands damesracefietsen. Maar wat was een juiste maat fiets voor mij? Met welke verhoudingen moest ik rekening houden? Om er achter te komen wat de meest geschikte framemaat voor mij zou zijn, verdiepte ik me in sites die hulp bieden bij het bepalen van de juiste maten en verhoudingen. Hiervoor moest ik diverse lichaamslengtes opmeten, waarvan de binnenlengte van mijn benen de belangrijkste was. Al snel verdwaalde ik in termen als cranklengte, zithoek, zadelpenlengte, balhoofdhoek en brackethoogte. Ik zag door de bomen het bos niet meer en besloot dat professionele hulp onontbeerlijk was.

Toen ik bij De Pedaleur naar binnen stapte, keek ik vol verwondering rond in dit fietswalhalla. Maik, de aardige fietsspecialist die zich over mij ontfermde, troonde me mee naar boven, toen ik hem had uitgelegd dat ik nul fietservaring had en volgend jaar juni de Col d’Aubisque in de Franse Pyreneeën wilde beklimmen. Gezien mijn budget, lengte en doel waren er eigenlijk maar twee fietsen mogelijk volgens Maik. Ik was blij met deze mededeling; het maakte de keuze lekker simpel.
Ik bracht nog wel een extra uitdaging voor hem in: ik had geen idee of mijn rechterarm, de arm met het lymfeoedeem, een racefiets aan zou kunnen. Misschien zou er teveel druk op de arm komen door de houding en het stuur van de racefiets, zo uitte ik mijn twijfels aan Maik. Hierop nam hij me mee naar een andere hoek van de winkel waar de ‘hybrides’ stonden. Zwaardere fietsen met een recht stuur en een iets andere fietshouding. Niet zo licht als de racefiets, maar toch ook een goede keuze om een col te beklimmen.
Mijn voorkeur ging toch uit naar een racefiets. Ook al had ik op de prijskaartjes gezien dat de hybrides een stuk gunstiger waren geprijsd. Ik wilde graag uittesten of mijn arm het zou uithouden op een racefiets en vroeg of er een optie was de racefiets uit te proberen. Het was niet mogelijk DE racefiets mee te krijgen op proef, maar voor dit doel was er wel een huurfiets die ik gratis mocht lenen. De huurfiets was eigenlijk een mannenfiets met een iets te groot frame en een hoge stang waar ik maar met moeite mijn been overheen kreeg. Maik stelde de fiets zo goed mogelijk af op mijn afmetingen en toen was ik bijna klaar om te gaan.
Ik besloot maar direct de twee noodzakelijkste fietsaccessoires aan te schaffen: een fietsbroek en een fietshelm. Maik showde de fietsbroeken en liet me de zeem zien die in het kruis verwerkt was. Voorzichtig opperde ik dat ik wellicht dacht aan een Assos. ‘Ok,’ zei hij, ‘dan betreden we een andere wereld. De Assos is van een ander kaliber, maar probeer ze allebei, dan kun je ze vergelijken.’
Eerlijk gezegd, vond ik beide fietsbroeken vreselijk zitten. Alsof je een grote, volgelopen luier tussen je benen hebt hangen. Dus ging ik af op het advies van Margo en Maik, dat de Assos echt een goede keuze zou zijn waar ik geen spijt van zou krijgen.
Het was lastig een passende helm te vinden voor mijn kleine hoofd. Ik kwam uit op een damesmodel met smalle leest en verstelbaar wieltje in de nek. In een kleedhokje verruilde ik mijn broek voor de fietsbroek (ja, de onderbroek ging ook uit, zoals ik al had geleerd van insiders). Ik propte mijn kleding in de fietstassen van de trekkingbike, die bij de Pedaleur in de winkel mocht staan. Aangezien ik nog geen fietsshirt had en daardoor geen rugzakken om iets in te stoppen, knoopte ik een lendetasje om mijn middel. Hierin gingen mijn mobieltje, mijn portemonnee, een mueslireepje en een tube zonnebrandcrème. Toen was ik klaar om op pad te gaan en te testen of mijn arm racefietsproof is. Godzijdank zag ik in een oogwenk dat de leenfiets gewone trappers had….

In een periode van wekenlange hitte en droogte had ik bij toeval een koelere, regenachtige dag uitgekozen. Het waaide stevig en ik had de wind pal voor toen ik over het fietspad langs de IJssel richting Doesburg koerste. De fiets was een beetje te groot voor mij. Als ik wilde remmen, moest ik eerst mijn handen overpakken en onder in de beugels gaan hangen. De iets te grote fiets voelde bovendien wiebelig aan. Ik had er geen volledige controle over en ik voelde me kwetsbaar op de smalle bandjes. Ik begrijp nu de angst van sommige wielrenners om te vallen.

Ik trapte er heerlijk op los, voorover gebogen liggend op het stuur. Je hebt op een racefiets zoveel minder last van de wind. Nou ja, dat is ook niet helemaal waar. Op een gegeven moment had ik de wind pal van opzij staan. Als er een harde rukwind kwam moest ik echt tegensturen, want ik had het gevoel dat ik anders met fiets en al zou worden opgetild en zomaar in de IJssel kon verdwijnen.
De wind en regen sloegen in mijn gezicht, het zeem van mijn fietsbroek boorde zich in mijn kruis, ik voelde alle spieren in mijn nek en rug trekken en ik genoot van dit spel met de elementen. IK VOND HET LEUK.

Met de Col d’Aubisque in het vooruitzicht was mijn competitieve ik weer tevoorschijn gekomen. Ik had mezelf als doel gesteld om de 22 kilometer naar Giesbeek in één keer en in ongeveer een uur te fietsen. Dat moest toch mogelijk zijn, hield ik mezelf voor. Vroeger in mijn studietijd fietste ik dit iedere dag en draaide ik er mijn hand niet voor om. En dat op een gewone drie versnellingen fiets.
Enigszins moe en licht in mijn hoofd, kwam ik aan bij mijn vriendin in Giesbeek. Bij een kopje thee kwam ik weer een beetje bij. We raakten in een boeiend gesprek en vergaten de tijd. Tot ik ineens zag dat ik hoognodig moest vertrekken om op tijd terug te zijn bij de Pedaleur. Gelukkig had ik grotendeels de wind achter en sjeesde ik over het fietspad huiswaarts. Ik koos een zware versnelling en voerde de snelheid op. Ik vergat telkens terug te schakelen bij een kruising, zodat het zwaar was om weer op gang te komen en na een tijdje kreeg ik pijn in mijn knieën. Dit herinnerde mij eraan om terug te schakelen naar een lichtere versnelling.
In de bochten en bij de kruisingen was ik heel voorzichtig. Toen er op het fietspad een wildrooster was, stapte ik voorzichtig af en liep over de metalen spijlen. Ik werd ingehaald door een bejaard echtpaar op een racefiets en een mountainbike. Ze leken zo gemakkelijk te fietsen, terwijl ik nu echt aan het ploeteren was en nauwelijks nog vooruit leek te komen. Helemaal ontmoedigend vond ik het om ingehaald te worden door een dikke jongen op een krakende fiets zonder versnellingen. Voor mijn gevoel ging ik best snel. Maar ja, mijn snelheidsgevoel is niet zo goed ontwikkeld. Ik heb dat ook wel eens met skiën. In mijn hoofd raas ik dan met een noodvaart de berg af, maar op het filmpje ziet het er een stuk minder dynamisch uit dan in mijn hoofd en als je goed kijkt zie je vooral een vijftig plusser die uiterst langzaam de berg af gaat. Dit lijkt met fietsen ook op te gaan. Voor mij voelt het al snel als een hoge snelheid, maar ik denk dat een beetje fietser dit een slakkengangetje vindt.

Heelhuids kom ik net voor sluitingstijd aan bij de Pedaleur, waar ik de racefiets inlever en omruil voor mijn vertrouwde trekkingbike, die nu ineens heel vreemd fietst. Het laatste stukje naar huis duurt eindeloos. Uitgeput stort ik me op de bank. Ik ben misselijk en draaierig in mijn hoofd. De fietsbroek ligt in een hoek, ik ben te moe om mijn nieuwe maatje de wasbeurt te geven die het verdiend. Ik ben waarschijnlijk toch over mijn grens gegaan, zo app ik naar Margo. Waarom ook direct helemaal naar Giesbeek fietsen Dorothé, krijg ik als vraag terug. ‘Ja, omdat ik gewoon vind dat ik dat moest kunnen…’
Dat wordt mijn uitdaging op weg naar de beklimming van de Col d’Aubisque: mijn eigen grenzen bewaken! Me niet laten meeslepen in wat anderen kunnen of wat ik van mezelf moet kunnen. Luisteren naar mijn lichaam, het langzaam opbouwen en vooral plezier houden in het fietsen.

Was ik bijna het belangrijkste vergeten. Hoe heeft mijn arm de fietstest doorstaan? Uitstekend! Geen extra vocht, niet extra dik en geen spierpijn. Wow, mijn arm is racefietsproof.

 

Mijn eerste fietsles

Margo (zonder t zoals ze me verzekert als ze mijn fietsblog heeft gelezen) is enthousiast over mijn inschrijving voor de Tristan Hofman Challenge en biedt spontaan aan dat ik haar racefiets een keer mag lenen. Maar eerst zal ze me introduceren in de geheimen van de wielrenwereld. Zo is daar de fietsbroek. Een broek met een zeemlerenkruis. Eerlijk gezegd beschouwde ik een fietsbroek tot nu toe eigenlijk als een overbodige en tegelijkertijd oncomfortabele luxe,  maar nu ik het keiharde zadel van een racefiets heb gevoeld snap ik het nut ervan. De broek is bedoeld om te voorkomen dat je kruis wordt opengereten en je te behoeden voor zadelpijn. Margo kon me het merk Assos aanbevelen; met stip de beste zeem en nooit meer een centje zadelpijn. Ik google op internet naar de mogelijkheden.
En dan zijn daar de fietsschoenen die je vastklikt aan je pedalen. Een echte aanrader als je in de bergen gaat fietsen, omdat je hierdoor meer kracht kunt zetten, je krachten bovendien beter verdeeld worden  en je jezelf ook omhoog kunt trekken aan de pedalen. ‘Het lijkt me doodeng om vast te zitten aan je pedalen en niet zomaar te kunnen stoppen’, zeg ik tegen Margo. ‘Dat komt helemaal goed Dorothé, we gaan samen oefenen op een rustig landweggetje,’ zegt Margo bemoedigend. En zo spreken we af op een zonnige ochtend en krijg ik mijn eerste fietsles. Margo houdt haar racefiets vast en ik probeer er op te klimmen. De geleende schoenen zitten onwennig en met moeite sla ik mijn been over de stang. Eerst moet ik aangeven welk been mijn standbeen wordt, want die voet ga ik als laatste inklikken en als eerste weer uitklikken. Voorzichtig schuif ik mijn voet over het pedaal en probeer het klipje te vinden waar de schoen in moet vastklikken. Als ik eindelijk met één voet ben ingeklikt, zegt Margo dat ik mijn hak naar buiten moet bewegen. Op die manier kan ik de schoen weer loskrijgen. Het is een onverwachte beweging voor mijn lichaam en mijn hele been beweegt mee. Ik blijk het heel lastig te vinden mijn hak naar buiten toe te bewegen en het kost me veel kracht hoewel Margo de pedalen al op de lichtste stand heeft afgesteld. Onder aanmoediging van Margo blijf ik doorgaan met het aan- en uitklikken van mijn rechterschoen. En langzaamaan gaat het steeds iets gemakkelijker. Nu komt de volgende uitdaging: twee schoenen vastklikken en weer losmaken. De tweede voet vind ik aanmerkelijk moeilijker dan de eerste voet, die al wat meer feeling krijgt met het kliksysteem. De oefening is als volgt: inklikken met rechts, inklikken met links, losklikken met links en losklikken met rechts. En weer van voor af aan. Ik ben geen snelle leerling, maar Margo is gelukkig een geduldige leraar en houdt de fiets stevig voor me vast.
De volgende stap is fietsend beide schoenen vastklikken, een stukje fietsen, links losklikken, een bochtje maken, de schoen weer vastklikken, terugfietsen en dan beide schoenen losklikken en afstappen. Dit herhalen we een stuk of tien keer.
Margo vraagt of ik klaar ben voor een lesje schakelen. Maar mijn hoofd is zo moe van alle opgedane indrukken, de onwennige bewegingen en de stress om te vallen, dat ik mijn hoofd schud. Nee, ik ben te moe. ‘Dan keren we huiswaarts’, zegt Margo monter. ‘En we gaan fietsend naar mijn huis’, roept ze er achteraan. Ik klik mijn rechterschoen vast, fiets een stukje, zit een tijd lang te prutsen om mijn linkerschoen vast te krijgen en dan roept Margo: ‘een kruising, losklikken’. Ik wroet enigszins paniekerig mijn net vastgemaakte schoen weer los en besluit hem maar gewoon even los op de trapper te laten staan. Een goed besluit want het spoor gaat net dicht en we moeten even wachten voor we weer verder kunnen. Opstappen, schoen weer inklikken en voorzichtig rijden, want we hebben hier te maken met wegen van rechts. Ik hoop echt dat er geen verkeer van rechts komt, want ik kan nooit op tijd die schoen loswrikken, denk ik enigszins angstig.
Waar ben ik aan begonnen? Gaat het ooit lukken? Maar dan rijden we het erf op bij de woning van Margo, is er een kopje thee met aardbeien en kijken we inspirerende filmpjes van de Tristan Hofman Challenge van afgelopen jaar. Ik ben moe, maar zeker ook voldaan. Mijn eerste fietsles zit er op.

fietser fietspedalen twee

Vakantie 2018: tour de France et Espana

Al lang van tevoren hadden we uitgekeken naar deze vier weken vakantie. Lekker samen op pad met de camper en de fietsen.
Aangezien ik net ben toegetreden tot de wondere wereld van het wielrenfietsen zal ik onze vakantie verslaan aan de hand van de etappes die we hebben afgelegd.

Etappe 1 – Parijs- Roland Garros
We slaan ons kamp op in Bois de Boulogne; een uitgestrekt stadspark in het centrum van Parijs. Het is een zwoele avond als we arriveren en overal in het park zitten mensen te picknicken, staan groepjes te swingen op muziek en spelen mensen met hun drone in de lucht. Ik moet wennen aan de hectiek van de stad, heb last van de warmte en de lawaaiige feestvierders die doorgaan tot diep in de nacht. Waarom is vakantie eigenlijk leuk zo vraag ik me knorrig en vermoeid af als ik om twee uur nog steeds niet in slaap ben gevallen.
De volgende ochtend ben ik dat al weer helemaal vergeten. Frans heeft kaartjes weten te scoren voor Roland Garros. We wandelen naar het tennispark waar het om tien uur ’s ochtends nog lekker rustig is en nestelen ons na een drankje op de tribune van het Suzanne Lenglen stadion. De eerste wedstrijd gaat tussen de boomlange reus Kevin Anderson uit Zuid-Afrika tegen de kleine Diego Schwarzman uit Argentinië, die door zijn vechtlust al snel de favoriet van het publiek is. Anderson wint de eerste twee sets gemakkelijk en we besluiten even ergens anders te gaan kijken. Met onze kaartjes hebben we toegang tot alle banen, behalve die in het hoofdstadion van Philip Chartier. Op een buitenbaan zien we een prachtige dubbelpartij. Heel bijzonder dat je zo dicht bij de spelers zit, dat je ze bijna kan aanraken.
Tot onze verbazing is de wedstrijd tussen Anderson en Schwarzman uitgelopen op een spannende vijfsetter, die wordt gewonnen door de kleine Schwarzman. Daarna is het tijd voor de dames. De hooggeplaatste Angelique Kerber speelt tegen publiekslieveling Carolien Garcia uit Frankrijk. Ondanks de aanmoedigingen van het publiek wint Kerber gemakkelijk.
Moeiteloos brengen we de hele dag door met kijken naar tennis. We wandelen pas terug naar de camping als de avond valt.

IMG_20180604_122525IMG_20180604_153045

 

 

 

 

 

 

Etappe 2 – Loirestreek
Het weer is omgeslagen en met fikse regen verlaten we Parijs. Drie uur later strijken we neer op camping La Poterie aan de Loire, strategisch gelegen tussen de kastelen van Blois, Amboise en Chenonceau.
De achterband van Frans zijn fiets is aan flarden gescheurd en we zoeken een fietsenmaker om de band te vervangen. De fietsenmaker in Amboise kijkt bedenkelijk als we in ons beste Frans uitleggen wat we graag willen. Ik ben bang dat hij gaat zeggen dat we over drie dagen maar terug moeten komen, maar tot onze verbazing zegt hij verontschuldigend dat het wel anderhalf uur kan duren… Wij natuurlijk helemaal blij. Ondertussen vermaken we ons in het karakteristieke stadje Amboise waar we een ijsje eten en een rondje wandelen langs de kastelen en landhuizen. Als we terugkomen op de camping zien we aan de half gevulde glazen, die we buiten op ons tafeltje hebben laten staan, dat het hier heel flink geregend moet hebben.
We krijgen vrolijke, zonnige berichtjes uit Nederland, maar bij ons klettert de regen tegen de ramen van de camper. Fietsen lijkt niet heel aantrekkelijk met dit weer. Dus rijden we met de camper weer naar Amboise en bezoeken Chateau Clos Lucé; het huis waar Leonardo Da Vinci de laatste jaren van zijn leven heeft doorgebracht. In de kelder van het kasteel is een ruimte waar zijn uitvindingen op schaal zijn nagebouwd. Overal staat tekst en uitleg bij en het is erg interessant. Leonardo Da Vinci was een veelzijdig man, hij ontwierp bruggen, vliegtoestellen, legervoertuigen en kruisbogen, maar met hetzelfde gemak schilderde hij prachtige portretten van welgestelde dames en heren, ontwierp tuinen en bedacht theorieën over het heelal. De tuin bij het kasteel is sprookjesachtig en door de regen lijkt het nog een extra dimensie te krijgen.
Net voor sluitingstijd brengen we een bezoek aan Chateau Chenonceau, dat bekend is geworden omdat het als een brug over de Loire is gebouwd. We hebben het kasteel voor ons alleen en zwerven door de prachtige zalen die allen uitzicht bieden op het water. Het kasteel is immers over de rivier gebouwd. Aangezien het een heerlijk plekje is koken we in de camper een snelle maaltijd die we in het park bij het kasteel opeten. We genieten van een zonnetje dat voorzichtig achter de wolken tevoorschijn komt.
En dan eindelijk is de tijd rijp om te fietsen. Langs de Loire is een traject van vierhonderd kilometer uitgezet met fietspaden en autoluwe wegen: La Loire á Velo. Vandaag fietsen we naar koningsstad Blois dat hoog op een berg ligt te pronken. We parkeren de fiets op de berg en lopen een rondje door het centrum alvorens weer terug te fietsen naar de camping. Alles bij elkaar zo’n 55 kilometer gefietst.
Het zonnetje schijnt en we genieten van een flesje witte Sauvignon Blanc uit de Loirestreek aangevuld met een zachte camembert, die ervoor zorgt dat er uit onze koelkast een enorme stank komt. Genieten op z’n Frans. Nog één dagje fietsten langs de Loire, met pittige klimmetjes en goudgele graanvelden gevuld met korenbloemen en klaprozen en dan is het tijd voor de volgende etappe.

IMG_20180605_173132 IMG_20180606_144508 IMG_20180606_162820 IMG_20180606_175515 IMG_20180606_184513 IMG_20180606_184551

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IMG_20180608_163352  IMG_20180607_114500

 

 

 

 

 

Etappe 3 – het strand van Montalivet en Bordeaux
Frans wilde wel graag een paar dagen naar zee. En zo komen we tot onze verrassing uit in het puntje van het schiereiland boven Bordeaux. Met de boot vanaf Royan steken we over en bereiken een prachtig leeg gebied met eindeloze zandstranden en moerassige graslanden met paarden. Aan de ene kant is er de woeste Atlantische oceaan, aan de andere kant de grijze monding van rivier de Garonne. We wandelen kilometers langs het verlaten strand, duiken in de golven, fietsen door zompige bossen en stranden bijna in de natte graslanden met onze fietsen. Op de camping staan we onder de pijnbomen die heerlijk geuren en we laten ons het Franse stokbrood goed smaken. We eindigen deze etappe met een fietstocht door Bordeaux; een verrassend mooie stad met veel stijlvolle oude gebouwen en mooie musea.

IMG_20180610_122013 IMG_20180609_203807

 

 

 

 

 

 

Etappe 4 – Picos de Europa
Mijn doel voor deze vakantie is de groene noordkust van Spanje met Baskenland, Cantabrië, Asturië en als we nog tijd hebben het in het uiterste puntje gelegen Galicië. Ik wil naar de Picos de Europa, een klein maar grillig gebergte zo’n vijftig kilometer uit de kust tussen Leon en Santander.
Als we na een lange dag rijden aankomen op de camping mogen we zelf een plaatsje uitzoeken. Tot onze verrassing zijn we, behalve een fietser in een minitentje,  de enige gasten op de camping. We doen boodschappen in het pittoreske stadje Cangas de Onis, dat beroemd is om zijn Romeinse brug. De volgende dag gaan we met de openbare bus (om de natuur te beschermen is het in dit deel van het park verboden om met de eigen auto het park in te rijden) naar de meren van Covadonga. We bezoeken de hoog op een berg gelegen kathedraal, het klooster en de kleine in de rotswand gebouwde kapel, alvorens we een mooie wandeling maken langs Lago de Ercina en Lago de Enol. Als we in een berghut wat te drinken nemen vertelt de berggids ons over de grote vogels die we door de lucht zien cirkelen. Het zijn lammergieren, ook wel baardgieren genoemd. De lammergier voedt zich voor 80% met botten van kadavers. Door de grote snavelopening kan hij botten tot 18 cm groot in een keer doorslikken. Grotere botten neemt hij mee de lucht in om ze op rotsen kapot te laten vallen. Botten bevatten naast kalk veel eiwit en het merg is eveneens voedzaam. Deze vogel kan door gebruik te maken van thermiek urenlang in de lucht cirkelen zonder een enkele vleugelslag.

We benaderen de Picos de Europa vanuit drie kanten. Eerst vanuit Covadonga, daarna vanuit Las Arenas en tenslotte vanuit Potes. In Las Arenas lopen we de prachtige ‘Ruta del Cares’. Een in de rotsen uitgehakt pad van 12 kilometer lang dat je als een lint langs de rotswanden ziet slingeren. Naast het pad is een diepe afgrond met in de diepte een wilde rivier. De route is adembenemend mooi en we nemen er uitgebreid de tijd voor. Na een lunch in een dorpje aan het einde van de kloof lopen we de route terug. Moe maar voldaan springen we onder de douche.
De weg naar Potes is deels afgesloten en we krijgen te maken met een omleiding. Frans rijdt de auto’s die voor ons rijden achterna in de veronderstelling dat iedereen naar Potes gaat. De weg klimt steil omhoog en wordt smaller en smaller. Dan ineens loopt de weg dood in een klein dorpje. De auto’s voor ons draaien het raampje open en lachen ons toe. Het blijkt een grote groep schoolkinderen te zijn die gaan raften en daarom zijn afgedaald naar dit verlaten oord. Voor de weg naar Potes moeten we een hele andere route nemen. In hun beste Engels proberen ze ons op weg te helpen. De omleiding gaat dwars door de bergen en duurt vier uur extra! De tocht is spectaculair. Regelmatig moeten we wachten en steken om tegemoet komend verkeer te laten passeren.
In Potes is het druk en staan we op een volle camping met allemaal Nederlanders. Dat is even wennen.

In de vroege ochtend rijden we naar Fuente Dé waar we met een tandradbaan omhoog gaan naar 1.800 meter en de besneeuwde toppen van de Picos bijna kunnen aanraken. We lopen via een druk belopen pad naar een berghut waar we wat drinken. Een groepje Britten laat ons op een kaartje een alternatieve route zien. Dit wordt een wandeling met een gouden randje. Er is niet echt een pad en we zoeken onze weg over rotsige, groene bergen en dalen. We klauteren en klimmen over paadjes die door het vee gebruikt worden. Er zijn nergens hekken. Koeien, geiten en paarden lopen vrij rond. De koeien zien er tevreden uit, zo liggend op het gras. Ik moet denken aan de stierengevechten die hier nog plaatsvinden, die barbaarse en bloederige traditie waarbij ik altijd stiekem hoop dat de stier wint van de toreador. Maar als ik deze koeien gezellig met hun kalfjes samen zie grazen, trots overeind staand met hun horens, dan denk ik dat ze toch een beter leven hebben dan in een Nederlandse stal. Het mooist vind ik de kuddes ‘wilde’ paarden die hier rondlopen.
Opeens komt er een wild galopperend paard op ons af. Enigszins bang blijf ik staan. Het is echt een imponerend gezicht. En dan komen er uit alle hoeken en gaten van de groene vallei dravende paarden tevoorschijn en vormt zich een kudde geleid door het galopperende paard dat alleen achteraan loopt en de kudde van achteruit beschermt. Ik ben er stil van. We pauzeren op de top van een heuvel en kijken in de groene verte naar de paarden, koeien en geiten. We zijn helemaal alleen en het is een beetje spannend of we in de goede richting gaan, maar na een tijdje zien we de zendmast die bovenop de top staat en zijn we mooi op tijd voor de tandradbaan naar beneden. De Picos de Europa is zeker een aanrader.

IMG_20180616_104521 IMG_20180616_132007 IMG_20180616_155846

IMG_20180616_122735 IMG_20180616_124201 IMG_20180617_151118

 

 

 

 

 

 

 

 

IMG_20180617_164515 IMG_20180618_092831 IMG_20180618_105846

 

 

 

 

 

IMG_20180618_094908 IMG_20180618_104816IMG_20180620_151758 IMG_20180620_105936 IMG_20180620_111904 IMG_20180620_112034 IMG_20180620_113238

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rustdag: eten, drinken en gastvrijheid
We komen er al snel achter dat de Spaanse keuken – in dit deel van Spanje tenminste – weinig verfijnd is. Het eten is eenvoudig en weinig smaakvol, althans dat is onze mening. Dit in tegenstelling tot de bewoners die bijzonder trots zijn op hun Fabada (bonenschotel), Gabralles (in grotten gedroogde kaas) en Sidra (appelcider). Natuurlijk hebben we deze regionale streekgerechten wel uitgeprobeerd. De appelcider wordt geschonken in een ‘Sidreria’. Dit houdt in dat de ober zonder te kijken de cider van grote hoogte in een glas laat spetteren. Hierbij wordt er heel veel gelachen en geknoeid. De geknoeide cider blijft gewoon op de plakkerige vloer achter. Het van grote hoogte inschenken van de cider is bedoeld om er extra zuurstof aan toe te voegen. Na de lekkere Franse stokbroden smaakt het Spaanse brood – altijd wit – eigenlijk naar niets.

De bewoners van Asturië en Cantabrië zijn heel erg vriendelijk en gastvrij. Ze geven ons het gevoel dat we bijzonder welkom zijn en nemen altijd uitvoerig de tijd om ons te informeren. Een jonge ober die het dagmenu voor ons fotografeert met zijn mobieltje en dan via google translate de menukaart voor ons in het Engels vertaalt. Of de vrouw op de camping in Potes die uitgebreid de tijd neemt om ons de mooiste plekje van de Cantabrische kust te onthullen.

Het Spaanse ritme bevalt ons wel. ’s Ochtends niet te vroeg beginnen met een licht ontbijt. De lunch die overal genuttigd kan worden tussen twaalf en vier is de hoofdmaaltijd van de dag. Hiervoor bieden restaurants het ‘menu del dia’ aan. Het bestaat standaard uit drie gangen (het is ons niet gelukt het te beperken tot één of twee gangen, die optie was er gewoonweg niet) en kost meestal zo’n twaalf tot vijftien euro inclusief water of wijn. Ik vind het zelf heel lekker om ’s middags uitgebreid te lunchen en daarna op pad te gaan. De musea en bezienswaardigheden zijn standaard open tot acht uur ’s avonds. La Cena – de kleine avondmaaltijd – begint vanaf 21.00 uur, maar Spanjaarden komen rustig nog om 23.00 uur een restaurant binnen wandelen.

In een dorpje aan zee gaan we op zoek naar een visrestaurant. De vriendelijke ober legt ons uit wat de mogelijkheden zijn. Hij kan ons het vismenu van het huis aanbevelen. Er staan bij iedere gang wel vier soorten vis en we denken dat we telkens één soort moeten kiezen, maar al snel blijkt dat we ALLES krijgen wat genoemd staat. En zo zitten we even later achter twee bakken vol schelpen. Ik moet me even over een drempeltje heenzetten, maar dan pak ik een schelp en slurp hem leeg. Er zijn twee types die allebei heel verschillend smaken. Daarna volgt de gang met langoustines, drie soorten garnalen, gamba’s en kreeftjes. Het hoofdgerecht bestaat uit vier soorten gegrilde vis, waaronder zalm, kabeljauw en twee lokale soorten. Er zit ook nog een toetje bij (geen vis J). De bediening in het restaurant behandelt ons als speciale gasten met extra aandacht en we hebben het idee dat ze zich vereerd voelen dat wij voor dit menu hebben gekozen. Dit menu kost € 25,- pp en is inclusief een fles water en een fles witte wijn. De koffie en thee zijn van het huis en de ober biedt ons ook nog een digestief aan, maar die slaan we beleefd af, want we zijn al behoorlijk teut van de wijn. Nu eens een keertje echt smakelijk gegeten.

IMG_20180621_202453 IMG_20180615_181726

 

 

 

 

 

 

Etappe 5 – Cantabrische kust: Comillas en Santander
Op aanraden van een vriendelijke Spaanse gaan we naar Comillas aan de Cantabrische kust. Op de camping vinden we een plekje met uitzicht op zee en hebben we ons eigen ministrandje tussen de rotsen. We durven maar tot onze knieën in het water, want de golven zijn indrukwekkend. Er wordt hier dan ook volop gesurft. In Comillas staat een door Gaudi ontworpen villa waar we een uitgebreide rondleiding krijgen. Het interieur zit vol handige foefjes en staat bol van de symboliek. Via een wandeling door een park komen we bij de universiteit van Comillas. Een indrukwekkend gebouw met een grote ijzeren deur, dat in de vorige eeuw dienst deed als Jezuïetenklooster. De rondleiding is alleen in het Spaans, maar we krijgen een boekje met Engelse tekst. We lopen langs houtsnijwerk en muurschilderingen, met marmer betegelde vloeren en met balken versierde plafonds.

Santander is een stad met geweldige stranden. Er zijn er maar liefst dertien! Hoog boven de stranden loopt een kilometers lange boulevard met bankjes en bomen vanwaar je een mooi uitzicht hebt op de rotsige kust en het blauwe water.
Op Netflix hadden Frans en ik de serie Grand Hotel gekeken die is opgenomen in Santander. Dus wandelen we de berg op waar dit statige hotel is gelegen. Helaas is er vandaag geen rondleiding mogelijk, want het Grand Hotel doet dienst als trouwlocatie. Er zijn vandaag drie trouwerijen zo krijgen we te horen van een beveiligingsbeambte. De eerste bruiloftsgasten arriveren al snel en wij kijken onze ogen uit; ze zijn chic en extravagant gekleed, kussen elkaar allemaal uitbundig en kletsen er vrolijk op los.
Omdat we moe zijn nemen we als echte toeristen een ritje met de bus door de stad. Hierdoor krijgen we een goede indruk van Santander en zien we de belangrijkste bezienswaardigheden. Via een oortje krijgen we ook leuke informatie te horen. Zo rijden we bijvoorbeeld langs het stadion van Racing Santander en de royale woonwijken, die zijn aangelegd toen in de jaren vijftig een groot deel van de stad door brand is verwoest.
Natuurlijk nemen we ook even een duik in zee. De zee heeft heerlijke golven. We sluiten af met een paella en een vissoep. Santander is een relaxte, schone stad.

IMG_20180622_104619 IMG_20180622_171345 IMG_20180622_183000 IMG_20180622_183649 IMG_20180623_131335 IMG_20180623_132401

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Etappe 6 – Baskenland
Op de grens tussen Spanje en Frankrijk, in het hart van Baskenland dat deels in Frankrijk en deels in Spanje ligt, ligt het plaatsje Henday. We lopen hier een kustpad. De zon brandt op onze hoofden, het is bloedheet. Gelukkig kunnen we af en toe afkoelen in zee. Ik kan niet meer zo goed tegen de warmte en krijg telkens als we gaan wandelen huiduitslag op mijn benen. Grote, rode, pijnlijke vlekken. Om mijn huid te beschermen loop ik met een spijkerbroek en T-shirt met lange mouwen en koel mijn huid zoveel mogelijk met natte handdoeken. Het kustpad is wel mooi. Het loopt langs een kasteel en gaat door een bos, daarna lopen we langs geribbelde rotsen en een azuurblauwe zee. Tot slot komen we in het havenplaatsje Saint Jean de Luz waar we de bus nemen terug naar Henday. Het zwembadje op de camping biedt verkoeling en ’s avonds kijken we op een terrasje naar de eerste WK voetbal wedstrijden.

IMG_20180626_091459 IMG_20180626_095619 IMG_20180626_134506 IMG_20180626_143553

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IMG_20180625_215553 IMG_20180625_215549

 

 

 

 

 

 

Etappe 7 – Nogmaals de Loirestreek en Parijs
Als laatste etappe voor de reis naar huis stoppen we nogmaals in de Loirestreek. Nog één dagje lekker luieren, zwemmen, lezen en op de fiets het kasteel van Cheverny bezoeken, waar we picknicken onder de eeuwenoude bomen van de kasteeltuin. De volgende dag rijden we via Parijs weer naar huis. Alles lijkt goed te gaan, totdat onze Tomtom in Parijs ineens een alternatieve route aangeeft. Na enig overleg besluiten we toch maar om Tommies raad op te volgen. Al vrij snel komen we vast te zitten in wegonderbrekingen en omleidingsroutes en het duurt een hele tijd voor we weer op het goede spoor zitten. Als we eindelijk weer de snelweg lijken op te gaan, komen er bordjes met waarschuwingen dat er alleen voertuigen van twee meter hoogte op deze weg mogen rijden. Wat een raar bericht denken we nog, als we ineens voor tolpoortjes staan. Onze camper is met luifel erbij ongeveer twee meter en twee centimeter hoog. Uiterst langzaam rijdt Frans de camper onder de balk van de tolpoort en vraagt aan de wegwerker die daar staat of we er onder door kunnen. We krijgen een groen sein en daar gaan we. Tot onze grote schrik en verbazing rijden we een tunnel in die zo laag is dat we allebei instinctief bukken. Dat was dus de reden voor de maximale hoogte van twee meter. De tunnel is twaalf kilometer lang en er lijkt geen einde aan te komen. Frans durft niet harder te rijden dan 50 km per uur, want het dak loopt wat scheef en we zijn telkens bang om iets te raken. Met een stijve nek en een flinke dosis adrenaline komen we de tunnel weer uit.
De navigatie geeft aan dat er in Antwerpen een ernstig ongeluk is gebeurd en dat het verkeer er stil staat voor de ring. De vertraging is ruim anderhalf uur. Omrijden is ook niet echt een optie, dus maken we van de nood een deugd en besluiten een leuke tussenstop te maken in Gent. We parkeren de bus in een garage en lopen het oude centrum in dat wel een openluchtmuseum lijkt. Het ene gebouw nog imposanter dan het andere. Overal grote kerken, torens, bruggen en oude panden. Het is een vrolijke boel. De terrasjes en kades zijn gevuld met lachende mensen en door de kanalen varen kano’s en kleine bootjes. We lopen een rondje en eten aan de rand van het water een salade die we in de supermarkt hebben gekocht. Nog een lekker ijsje en dan is het tijd voor de laatste etappe naar huis. De file is helaas nog steeds niet opgelost en we worden omgeleid via de havenkant van Antwerpen, waarbij we via vele tunnels uiteindelijk in Nederland uitkomen.

We finishen om 22.00 uur in Doetinchem aan de Kruisbergseweg met 3.998 afgelegde kilometers.

Uitdaging

Volledig verrast door mijn eigen, onverwachte enthousiasme en toch ook wel enigszins bibberig voor de uitdaging die me te wachten staat, heb ik me ingeschreven voor de Tristan Hofman Challenge. Het is de bedoeling dat ik 28 juni 2019 fietsend de Col D’Aubisque in de Franse Pyreneeën opklim. De beklimming is dertig kilometer lang met een gemiddeld stijgingspercentage van 4,5% en met korte, steile stukken van 10%. De hoogte die overbrugd moet worden is 1.267 meter. Hiermee staat de Col D’Aubisque in wielrennersland bekend als een ‘serieuze’ berg.

Margot, de eigenaresse van de winkel waar we onze nootjes en zuidvruchten kopen doet al jaren mee met de Tristan Hofman Challenge: een goed doel dat geld inzamelt voor kinderen in de Achterhoek met een beperking, die iets extra’s nodig hebben. Bijvoorbeeld een verwenmiddag voor chronisch zieke kinderen uit het Slingeland ziekenhuis of een aangepaste fiets voor een gehandicapt meisje of een ballonvaart voor een jongen die ernstig ziek is. Kinderen dicht bij huis blij maken is het motto van de Stichting Kanjers voor Kanjers waarvoor de Tristan Hofman Challenge geld inzamelt.

Telkens als ik in de notenwinkel kom, vertelt Margot enthousiast over de Challenge en hoe leuk fietsen is. Dit jaar kon ze tot haar grote spijt niet meedoen, omdat ze twee nieuwe heupen heeft gekregen. Toen ze van haar arts toestemming had om weer voorzichtig te beginnen met fietsen, heb ik haar op een zonnige dag gezelschap gehouden. We fietsten via prachtige landweggetjes via Elten naar Lobith waar we een uitgebreide lunch gebruikten. Daarna reden we via Tolkamer en de Bergsche bossen weer terug naar Doetinchem. Een kleine zestig kilometer hadden we gefietst en langzaam nestelde zich het idee om volgend jaar zelf met de challenge mee te doen in mijn hoofd.

De uitdaging brengt nieuwe ervaringen met zich mee, zoals het uitzoeken van een geschikte racefiets, een fietshelm, schoenen waarmee je je vastklikt op de pedalen, voeding tijdens het fietsen, trainingsschema’s, spieropbouw en natuurlijk leuke fietsmaatjes. Ik ga helemaal voor de ervaring en ben vast van plan van alle stappen in het proces volop te genieten. Ik heb nul komma nul ervaring met fietsen in de bergen en ik ben dan ook zelf heel benieuwd of het mij gaat lukken de Col D’Aubisque te bedwingen.

Voorwaarde om deel te mogen nemen is dat je als deelnemer € 500,- aan sponsorgeld mee brengt. DUS WIE WIL MIJ SPONSOREN? Alle kleine beetjes helpen.
Je kunt een bedrag naar keuze overmaken door op bijgaande link te klikken:  sponsor Dorothé

En om een idee te krijgen van de Col D’Aubisque hierbij alvast een impressie van wat mij te wachten staat. Voor wielrenliefhebbers: op 27 juli 2018 rijden de renners van de Tour de France deze berg op.  Wordt vervolgd.

Masterclass geluk

Op een woensdagavond reden Frans en ik naar de schouwburg in Lochem voor een Masterclass geluk van Guido Weijers. Vakmatig volg ik zoveel mogelijk op het gebied van geluk en persoonlijke ontwikkeling. Niet alleen omdat ik volwassenen, jongeren en kinderen via coaching graag tools aanreik voor een blij en gelukkig leven, maar ook voor mijn eigen persoonlijke groei en ontwikkeling. Ik was dan ook benieuwd of ik nog iets van Guido kon leren op dit gebied. Het werd een boeiende avond met wetenschappelijk onderbouwde kennis over geluk, humor en een vleugje filosofische wijsheid.

Wetenschappers zijn het erover eens dat je gevoel van geluk voor ongeveer 40% is aangeboren. Het wordt deels bepaald door je genen en op dat deel heb je dus geen grip. Slechts 10% van je geluksgevoel heeft te maken met omgevingsfactoren, zoals gezondheid, geld, familie, vrienden, materiële welvaart. Dat is veel minder dan de meeste mensen denken. We zijn geneigd te denken dat welvaart, gezondheid, fijne familie en vrienden ons gelukkig maken. En dat is ook zo. Maar het draagt maar een klein beetje bij aan ons geluksgevoel. Want we wennen snel aan omgevingsfactoren en dan neemt het effect af. Na een tijdje nemen we ons mooie huis, onze nieuwe auto, onze gezondheid en zelfs onze partner als iets vanzelfsprekends aan. Soms gaan we iets pas weer waarderen als het er niet meer is.
Veruit het belangrijkste in onze geluksbeleving is onze mindset; de manier waarop wij denken en tegen het leven aankijken. Een gelukkig mens is een levenskunstenaar. Iemand die zijn geluk vergroot door voedende gedachten. En dat is goed nieuws, want onze gedachten en onze kijk op het leven kunnen we veranderen.

Om ons gelukkig te voelen is het belangrijk dat we onze behoeften kennen en zo goed mogelijk vervullen. Dat we goed voor onszelf zorgen. Voelen we ons eenzaam, dan hebben we behoefte aan contact en verbinding en is het dus belangrijk actie in die richting te nemen. Voelen we ons moe, dan hebben we behoefte aan rust, slaap en misschien eten. Voelen we ons gelukkig, dan wordt aan onze behoeften voldaan.

Jezelf doelen stellen helpt ook bij je geluksbeleving. Het is fijn om een passie of doel voor ogen te hebben waar je met volharding aan werkt en dat je toekomstperspectief geeft. Iets scheppen, iets creëren, iets presteren of een resultaat behalen, kunnen grote voldoening geven. Hierbij is het van belang je doelen zorgvuldig en met je hart te kiezen.

Aristoteles zei het eeuwen geleden al: geluk wordt bereikt door de juiste balans tussen plezier en genot, een goed leven leiden en iets bijdragen aan het grotere geheel. Zingeving is een wezenlijk onderdeel van geluk. Ieder mens wil een zinvol en betekenisvol leven leiden en met zijn of haar speciale gaven of talenten iets bijdragen aan het geheel.

Ik wens iedereen veel geluk!

Hoe ondersteun je iemand met kanker?

Deze vraag stelde een vriendin van mij me afgelopen vrijdag. Ik moest er even over nadenken. Vorig jaar zou ik deze vraag direct hebben kunnen beantwoorden, maar na een jaar intensief bezig te zijn geweest met het thema hoogbegaafdheid, was de parate kennis over het ondersteunen van iemand met kanker naar de achtergrond geschoven, merkte ik tot mijn eigen verrassing. Toch wil ik deze vraag wel graag beantwoorden.

Toen ik zelf ziek was merkte ik dat mensen uit mijn omgeving vaak worstelden met het volgende dilemma: ze wilden er heel graag voor me zijn en waren oprecht met mijn lot begaan, maar ze wilden me ook niet belasten of een inbreuk op mijn privacy maken. En dat dilemma is terecht, want in iemand met kanker is een precair evenwicht aanwezig tussen de behoefte aan gezelschap, aandacht en je verhaal kunnen delen aan de ene kant en de behoefte aan alleen zijn, rust en privacy aan de andere kant. De ene dag had ik zin om iets leuks te doen en me helemaal niet met kanker bezig te houden, de andere dag wilde ik alleen zijn en mijn tranen de vrije loop laten, dan weer verheugde ik me op het bezoek van een vriend om  mijn verhaal te vertellen, om vervolgens als die dag was aangebroken zo moe en overprikkeld te zijn dat ik alleen nog maar op bed kon liggen en praten veel te vermoeiend was voor mijn stagnerende brein. Waarmee ik maar wil aangeven dat de behoeften van iemand met kanker behoorlijk kunnen fluctueren, afhankelijk van de fase in het proces, de behandeling en de mentale en fysieke gesteldheid.

Verder is het belangrijk je te realiseren dat elk mens uniek is en anders zal reageren op ziekte en tegenslag. De één zal het prettig vinden om bezoek te ontvangen en gaat als afleiding graag iets leuks doen, de ander trekt zich liever terug in zichzelf om alles rustig te verwerken. Toch denk ik dat er wel een aantal basis tips te geven zijn, waarmee je iemand met kanker kunt ondersteunen.
Tips

1 – Vraag waar de patiënt behoefte aan heeft

Mijn eerste en belangrijkste advies: VRAAG aan degene die kanker heeft wat hij of zij prettig vindt en vul het niet in voor de ander. Je kunt wel denken: als ik in zijn of haar schoenen zou staan, dan….. maar je staat nu eenmaal – en gelukkig maar – niet in andermans schoenen. Vragen wat de ander nodig heeft, biedt de beste garantie op goede ondersteuning. Simpele vragen als: Zou je het fijn vinden als ik bij je op bezoek kom of ben je liever alleen? of  Is er iets dat ik voor je kan doen?

2 – Ondersteun de gekozen behandeling van de patiënt

Steun bieden is meegaan in wat de patiënt belangrijk vindt. Steun bieden is de keuzes van de patiënt respecteren. Kiest de patiënt voor chemo terwijl jij daar grote moeite mee hebt, dan is het niet behulpzaam om jouw afkeer van chemo te laten blijken. Heeft de patiënt gekozen voor een alternatieve behandeling waar jij absoluut geen heil in ziet, onthoud je dan van commentaar. Kiest de patiënt voor behandeling in een regionaal ziekenhuis, terwijl jij meer vertrouwen hebt in een gespecialiseerd kankercentrum, check dan alleen of het een weloverwogen keuze is van de patiënt. Ga na of de patiënt achter de behandeling staat, want daar gaat het om. Het gaat er niet om wat jij ervan vindt of wat jij zou doen. Geef dan ook niet ongevraagd allerlei adviezen en tips, hoe goed bedoeld ze ook zijn. Je kunt hooguit vragen stellen als ‘heb je wel eens overwogen om …. te doen?’  of ‘hoe ben je tot die keuze gekomen?’ of  ‘sta je achter de behandeling?’ ‘Heb je er een goed gevoel bij?’.

3  – Oprechte aandacht

Aandacht maakt alles mooier, de bekende Ikea slogan, geldt zeker ook voor kankerpatiënten. Je kunt nooit miskleunen met oprechte aandacht in de vorm van een kaartje (wees niet bang om iets raars op te schrijven), een leuke attentie, een bosje bloemen, een appje met de tekst ‘ik denk aan je’ of een foto met een brandend kaarsje, een hartje, een knuffel. Het is allemaal even hartverwarmend en zal met grote blijdschap worden ontvangen. Het geeft de patiënt het gevoel dat hij of zij er niet alleen voor staat. Dat er mensen zijn die meeleven. Dat er aan hem of haar wordt gedacht. En dat is goud waard.

4 – Bied een luisterend oor

Het is mijn ervaring dat mensen met kanker graag hun verhaal vertellen. Kanker is een ingrijpend proces. Erover vertellen helpt om het helder te krijgen en zet de verwerking in gang. Het beste wat je kunt doen is de ander uitnodigen om zijn of haar verhaal te vertellen. Om oprechte belangstelling te tonen, vragen te stellen en vooral een luisterend oor te bieden.
Soms vroegen mensen wel eens aan mij: ‘wil je er eigenlijk wel over praten?’. Ja, ik wilde er juist heel graag over praten. Het was iets wat me voortdurend bezighield, wat heel belangrijk was in mijn leven op dat moment, dat wilde ik graag delen met de mensen om me heen. Het is dan heel erg fijn als er mensen zijn die naar je willen luisteren. Luisteren met een open houding; zonder hun commentaar, adviezen of mening te geven.

5 – Emoties mogen er zijn

Het is normaal dat patiënten worstelen met boosheid, verdriet, wanhoop, depressie. Kanker is ingrijpend en heftige emoties horen erbij. Als emoties als woede, radeloosheid, verdriet, angst en wanhoop er mogen zijn, komt er ook weer ruimte voor plezier, ontspanning en genieten. Een lach en een traan liggen dicht bij elkaar. Het is voor mensen met kanker zo bevrijdend als ze zich niet groot hoeven te houden, als ze gewoon af en toe boos en opstandig mogen zijn van hun omgeving. Als er ruimte is voor verdriet, plezier en samen lachen. Bied troost door aanwezig te zijn zonder iets te willen veranderen. Er hoeft niets te worden opgelost of verholpen door jou.

6 – Toon medeleven geen medelijden

Je hoeft je niet groot te houden, laat zien wat het met je doet dat de ander zo ziek is. Toon gerust je eigen emoties, maar overstelp de zieke niet met jouw verdriet. Als patiënt heb je geen kracht om een ander die verdrietig is te ondersteunen, je hebt alle energie nodig om te overleven. Meeleven is prettig, meelijden is belastend. Ik vond het zelf het prettigst om bij vrolijke, stabiele, rustige mensen te zijn toen ik ziek was.

7 – Bied praktische hulp aan

Als je graag iets actiefs wil doen om iemand met kanker te ondersteunen, bied dan praktische hulp aan. Bied aan om te koken, stop de diepvries vol met maaltijden, ga als begeleider mee naar de chemo, fungeer als chauffeur om de patiënt naar de bestraling te rijden, maak het huis aan kant, zet bloemen in de vaas, maak samen een wandeling, verschoon het bed, doe boodschappen, haal een boek van de bibliotheek. Mensen met kanker hebben weinig energie. Het is fijn als ze die energie kunnen gebruiken om te herstellen en om leuke dingen te doen. Als anderen hulp bieden bij de dagelijkse en huishoudelijke verzorging dan kan dat ook.

8 – Denk ook aan de partner

De zorg voor iemand met kanker kan zwaar zijn. De partner van iemand met kanker heeft ook  aandacht en steun nodig. De partner wil zijn verhaal kwijt, zijn zorgen en twijfels kunnen delen. Bied steun en een luisterend oor. Ontlast de partner door taken over te nemen en hem of haar eens vrijaf te geven. Ontspanning en leuke afleiding doen wonderen en zijn nodig om het op de lange termijn vol te houden.

Sociale steun van familie en vrienden waren onmisbaar toen ik ziek was en hebben me er doorheen gesleept toen ik het moeilijk had. Hun aanmoedigingen, hun vertrouwen in mij en hun praktische hulp hebben ervoor gezorgd dat ik het gevoel had er niet alleen voor te staan. Dat gevoel gaf me vleugels en gun ik elke ander mens dat met ziekte of tegenslag kampt.

Lisa’s wondere wereld

voorkant boek Lisa wondere wereld

Ja, mijn tweede boek is uit!
Het heet Lisa’s wondere wereld en geeft een inkijkje in de belevingswereld van een hoogbegaafd meisje.
Vol levenslust en nieuwsgierigheid begint Lisa aan haar leven, vastbesloten om te ontdekken hoe de wereld in elkaar zit. Naarmate ze verder komt met haar ontdekkingstocht komt ze steeds vaker in aanraking met de harde, aardse realiteit. Ervaringen die de gevoelige Lisa vervullen met afschuw en waardoor ze zich soms eenzaam voelt. Met vindingrijkheid, doorzettingsvermogen en haar gevoeligheid weet Lisa hiervoor een oplossing te vinden en slaat ze een brug naar haar omgeving.

Lisa’s wondere wereld heb ik geschreven om een indruk te geven van wat hoogbegaafdheid inhoudt. Ik wil de kennis over hoogbegaafdheid vergroten. Vaak wordt nog gedacht dat hoogbegaafdheid gelijk is aan slimheid, intelligentie of goed kunnen leren. Het is echter veel meer dan dat. Hoogbegaafdheid is verweven met de identiteit. Het raakt de hele persoon en kan worden herkend aan een aantal persoonskenmerken. Deze persoonskenmerken van hoogbegaafdheid heb ik verwerkt in de hoofdpersoon Lisa; een nieuwsgierig en eigenzinnig meisje die weet wat ze wil.

Voor Lisa’s wondere wereld heb ik gebruik gemaakt van ervaringen uit mijn eigen jeugd, ervaringen met hoogbegaafde kinderen tijdens de opleiding tot GelukkigHB-begeleider, een flinke dosis fantasie en de eigenschappen van hoogbegaafdheid uit het Delphi-model (een model dat de kenmerken van hoogbegaafdheid definieert).

Het boekje is bedoeld voor iedereen die meer wil weten over hoogbegaafdheid. In het bijzonder opvoeders en leerkrachten, die met hoogbegaafde kinderen te maken hebben. Maar in de eerste plaats is Lisa’s wondere wereld een kinderboek; een boek voor (hoogbegaafde) kinderen. Ik hoop dat de kinderen die het lezen – alleen of samen met hun ouders – er herkenning en erkenning in vinden en dat ze trots zijn op wie ze zijn.

Het is verkrijgbaar via mij persoonlijk, via bol.com of andere online boekwinkels in Nederland en België. De prijs is € 16,50. Wanneer je het via mij besteld is de prijs inclusief verzendkosten.

Ik ben in ieder geval heel trots op Lisa’s wondere wereld. En ik ben benieuwd wat de lezers ervan vinden.

 

 

 

Muizen

We hebben muizen. Ze zitten in de bijkeuken en knabbelen aan het konijnenvoer, rotzooien in het plastic afval en knagen randjes van onze sportschoenen en regenlaarzen. We houden van muizen. Toen ik Frans leerde kennen had hij een nest jonge muizen en voerde hij de chocola die ik voor hem kocht aan zijn muizen. Toch zijn we het erover eens dat muizen in ons huis niet wenselijk zijn. Ze fokken maar raak en voor je het weet heb je een hele kolonie. Daarom hebben we een muisvriendelijke muizenval gekocht. Het is een kooitje waar je de muizen met voer in lokt en waar ze niet meer zelfstandig uit kunnen.
We hebben op deze manier al wel twintig muizen gevangen. Iedere ochtend loop ik met het kooitje met daarin een goed doorvoede muis naar het bos, waar ik het deurtje voor ze open maak. Sommige muizen zijn zo zenuwachtig dat ze niet doorhebben dat het deurtje open is, anderen sprinten er meteen vandoor. Op internet heb ik opgezocht dat de actieradius van een muis ongeveer honderd meter is. Dus het bos moet ver genoeg zijn om ons huis niet meer te kunnen bereiken. Al grapte er iemand dat ze dan gewoon na twee dagen weer bij ons terug zijn.
Omdat het wel erg veel muizen zijn die we vangen, begonnen we toch te twijfelen of we niet telkens dezelfde muizen vingen. Met dit doel had ik geprobeerd een stipje nagellak op hun hoofd te zetten. Hierdoor zouden we de al eens door ons gevangen muizen kunnen traceren. Maar muizen zijn zo beweeglijk dat het me niet lukte een stipje op hun kop te zetten en het halve muizenvalletje nu onder de roze nagellak zit.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik bij regenachtig of koud weer niet altijd zin had om de muis helemaal naar het bos te brengen. Ik liet de muis dan achterin de tuin vrij. Een vrij zinloze actie. Dat begreep ik zelf ook wel. Waarschijnlijk was de muis nog eerder terug in huis dan ik. Een keer maakte ik het wel erg bont. Het regende pijpenstelen, ik opende de voordeur en liet de muis er op de stoep uit, waarop deze direct via de voordeur weer naar binnen sprong. Foei Huijsmans, zo sprak ik mezelf toe, straks zitten die muizen door jouw domme actie niet alleen in de bijkeuken maar door het hele huis.
Soms zag ik ’s avonds wel eens een muis lopen, die klom dan gewoon recht omhoog tegen de wasdroger op en begon daar aan het vogelvoer te knabbelen of in het plastic te rommelen. Ik vroeg me wel eens af of de muizen die ik naar het bos bracht het wel zouden overleven. Of ze het niet koud hadden. Of ze wel genoeg te eten hadden. Of ze niet een langzame, wrede dood zouden sterven en of het niet humaner was ze gewoon met één klap in een echte muizenval dood te maken. Maar dan dacht ik hun lieve ronde kraaloogjes en aan vroeger toen ik nog kind was en muizen op mijn slaapkamer had. Ik hoorde de muizen dan zachtjes rondtrippelen in de nacht. Als kind vond ik dat best een beetje eng. Ik was bang dat ze bij mij in bed zouden komen. Mijn ouders zetten muizenvallen en die hoorde ik dan met een klap dichtslaan. De muis was niet altijd ineens dood. Soms hoorde ik de muizenval heen en weer slaan in een verwoede poging van de muis om zich te bevrijden. Het gevecht duurde tot de muis was uitgeput en langzaam de moed opgaf. De volgende ochtend vond ik dan onder mijn bed de muizenval met het muizenlijkje. Ik vond het vreselijk naar dat de muizen zo aan hun einde moesten komen en kon er vaak niet van slapen.

Vanochtend zat er een muis op onze muisvriendelijke muizenval. Hij zat daar en keek me aan. Eerst dacht ik nog: zeker een muis die we al vaker hebben gevangen en niet meer bang is voor me. Maar toen ik beter keek zag ik dat hij met zijn pootje verstrikt zat in het metaaldraad van de kooi. Hij probeerde zich los te rukken, maar zijn pogingen zorgden er alleen maar voor dat hij nog vaster verstrikt raakte. Ik deed tuinhandschoenen aan, zodat de muis me niet kon bijten en probeerde met een tangetje het ijzerdraad te verbuigen. De muis raakte zo in de stress dat hij geen moment stil zat en het een steeds bloederiger tafereel werd. Zijn ragfijne, blanke muizenpootje zat onder het bloed, net als zijn kleine staartje. Zijn dijbeen zag er vreemd dik en gedraaid uit. Het lukte me niet om het draad ook maar een millimeter opzij te krijgen. Ik vroeg me af of ik de muis dood moest maken en hoe ik dat het beste kon doen. Ik kon dit gemartel niet langer aanzien. De muis vocht voor zijn leven, maar raakte steeds meer uitgeput. Uiteindelijk haalde ik een grote nijptang uit de kelder. Hiermee moest het lukken. Ik was alleen bang dat ik met de grote nijptang per ongeluk een pootje mee zou nemen en het drama alleen maar groter zou maken. Met mijn linkerhand hield ik de muis in bedwang met de rechterhand kneep ik zo hard ik kon. Na een tijdje wrikken schoot de muis plotseling los en verdween pijlsnel met een dikke ijzerdraad pin in zijn been onder de diepvries.
Ik gooide de muizenval in de afvalcontainer. Weg ermee. Dit was al het derde slachtoffer dat de muizenval had gemaakt. Twee arme muizen waren de hongerdood gestorven, omdat wij niet in de gaten hadden dat ze erin zaten en ze niet tijdig hadden bevrijd. De muizen kwamen ook op de muizenval af als we er geen voer in deden.
Een langzame hongerdood sterven of met een ijzerdraad pin langzaam creperen onder de diepvries was iets wat ik de muizen absoluut niet aan wilde doen. Dat was nog vele malen erger dan gewoon pats boem dood.
De hele dag voelde ik me rot en dacht aan de pijn die de muis moest voelen. Zou hij al dood zijn? Ik stuurde de muis wat helende Reiki energie en bad dat hij snel uit zijn lijden verlost zou worden.
’s Avonds legde ik stiekem wat zonnebloempitjes voor hem neer bij de diepvries.

Onze pogingen om een muizenvrij huis te krijgen zijn tot nu toe vrij kansloos. En ik denk dat dat nog wel even zo blijft…

huismuis2 huismuis 1

Ontmoetingen

Uit onderzoek blijkt dat sociale contacten een van de drie pijlers van geluk zijn. Opvallend genoeg betreft het niet alleen de contacten met familie en vrienden, maar juist ook kleine, spontane ontmoetingen, zoals iemand die je vriendelijk gedag zegt op straat of een praatje met de kassière in de supermarkt. Zelf had ik de laatste tijd twee van die ontmoetingen die indruk op me hebben gemaakt. De ene was afgelopen week in de trein.
Ik was een boek aan het lezen toen ik geritsel hoorde. Licht geïrriteerd keek ik op. Schuin tegenover me zat een jongen met een bruine papieren zak. Ik dacht dat hij eten in de zak had zitten en met zijn vingers aan de zak zat te friemelen. Ik las weer verder, maar het irritante geritsel ging door. Ik keek weer naar de jongen en naar de zak. Ineens realiseerde ik me dat er een dier in de zak moest zitten. ‘Het is een vogel,’ zei de jongen die mijn gedachten leek te raden. De jongen had een caramelkleurige huid en een enigszins buitenlands accent. ‘Een vogel,’ riep ik verbaasd. En hij schoof de zak naar me toe en liet me een kleine, gele kanarie zien. ‘Ik houd van vogels,’ zei hij. ‘Ik ga met deze pop (benaming voor vrouwelijke kanarie) fokken. Ik heb een volière met allerlei kleuren kanaries.’ En hij pakte zijn mobieltje en showde me een foto met witte, oranje, rode, groene en gele kanaries. Het gezicht van de jongen straalde van grote blijdschap toen hij het over zijn vogels had. Belangstellend gevolgd door de andere passagiers in de coupé praatten we verder over vogels, over zijn studie megatronica en zijn toetreding tot het regionale handbalteam. Zijn Nederlands was goed, maar zijn woordenschat nog niet altijd toereikend. Soms bleef hij midden in een zin steken, op zoek naar het goede woord, dat ik dan voor hem vond en waar hij mij voor bedankte. Met een glimlach denk ik terug aan deze spontane ontmoeting met een achttien jarige.

De andere ontmoeting was in de supermarkt, terwijl ik inkopen deed voor het kerstdiner. Ik had me voorgenomen om van het boodschappen doen een ontspannende bezigheid te maken en er alle tijd voor te nemen. Ik zou nu eens niet als een razende door de winkel rennen om zo snel mogelijk alle benodigdheden te verzamelen. Ik zou me ook niet afvragen waarom al die mensen nu net in de winkel verschenen als IK boodschappen deed en me irriteren aan de drukte. Ik zou ook niet tegen mezelf zeggen dat het zonde van mijn tijd was en ik me veel liever met nuttiger dingen bezighield. Mijn voornemen werkte. Het boodschappen doen werd een tijdrovende en plezierige bezigheid. Ik sprak mensen aan, lachte, maakte grapjes en babbelde er op los.
Bij de witte wijn stond ik naast een oudere dame. We twijfelden beide welke witte wijn te kiezen: de chardonnay of toch de frisse sauvignon blanc. Spontaan rolde de vraag: ‘krijgt u eters over de vloer met de kerst?’ uit mijn mond. Ik weet ook niet waarom ik dat vroeg. ‘Nee,’ antwoordde de dame, ‘ik ben alleen met de kerst. Mijn man is overleden, ik heb geen kinderen en al mijn broers en zussen zijn ook al dood. U mag best weten dat ik van de week op een spoorwegviaduct stond en erover nadacht om te springen, omdat ik het niet meer zag zitten om alleen door te leven. Het valt niet mee hoor om helemaal alleen te zijn.’
Mijn hart kromp ineen. Het leek me vreselijk om alleen op de wereld te zijn en niemand te kennen die van je houdt. Niemand te hebben die om je geeft. Niemand die treurt om je dood. Natuurlijk heb je zelf een verantwoordelijkheid om iets van je leven te maken, maar sommige mensen worden wel erg hard door het leven getroffen en kunnen er niet altijd iets aan doen dat ze alleen en eenzaam zijn.
Ik wilde de vrouw uitnodigen om bij ons thuis te komen met de kerst en gezellig met ons mee te eten, maar ik deed het niet. De angst dat mijn familie het toch wel vreemd zou vinden om ineens een onbekende dame aan de kerstdis te zien zitten weerhield me ervan. Het zou de sfeer in huis hebben veranderd. Jarengeleden had ik eens het plan opgevat dat ik ‘gast aan tafel’ noemde. Ik wilde dan iedere week een onbekende gast uitnodigen om bij ons te eten, de ene week een zwerver, de andere week aan asielzoeker, dan weer een bejaarde of een gehandicapte. Ik zou dan zorgen voor een lekkere maaltijd en naar hun levensverhaal luisteren. Het is er (nog) niet  van gekomen.
Als ik ’s avonds in bed lig, na een gezellig en intiem kerstdiner met mijn familie, denk ik aan de eenzame vrouw uit de supermarkt. Ik zie voor me hoe ze in haar eentje aan tafel zit en de witte chardonnay drinkt die ze heeft uitgekozen. Een traan rolt over mijn wang. Het voelt een beetje alsof ik de herbergier ben die tegen Jozef en Maria zei: ‘in mijn herberg is geen plaats voor jullie.’

Blij

Ik kon het bijna niet geloven, maar het was toch echt zo. Midden op het fietspad lag een zwarte portemonnee. Van een man wist ik direct. Ik keek even of ik geen draadje over het fietspad zag lopen, waaraan een paar achter de heg verstopte jongens zouden trekken, als ik de portemonnee op wilde rapen. Maar dit bleek niet het geval. De portemonnee lag daar zo duidelijk zichtbaar dat ik verbaasd was dat niemand anders hem had opgeraapt. Waarschijnlijk lag hij er net kwam ik tot de conclusie. Ik keek om me heen of ik iemand zag lopen of fietsen. Bij het huis naast het fietspad zag ik een oudere man op het erf lopen. Hij was in de weer om de laatste herfstbladeren bijeen te blazen. Zou de portemonnee misschien van hem zijn? Nog in gedachten raapte ik de portemonnee op die zwaar aanvoelde en nam hem mee naar huis.

Al snel kreeg ik bevestigd dat het inderdaad om een mannenportemonnee ging; er zaten allemaal pasjes in van ene Henk. Ik doorzocht de portemonnee op zoek naar een adres of telefoonnummer dat me op het spoor van de eigenaar zou kunnen brengen. Maar helaas nergens een telefoonnummer of adres te vinden. Wel bankpasjes, een identiteitskaart, een pas van de zorgverzekering en een klein beetje contant geld.

Op google toetste ik de naam van de eigenaar in. Maar er kwam niets naar boven. Deze man had geen facebookaccount, was niet actief op linked-in en zelfs niet bekend in de telefoongids.
Ik nam contact op met de politie en kwam erachter dat ze geen gevonden voorwerpen meer in ontvangst nemen. Alleen als er sprake is van een misdrijf kun je nog bij de politie terecht. Gevonden voorwerpen kun je voortaan melden bij de gemeente.
Maar zou de eigenaar op het idee komen om naar de gemeente Doetinchem te gaan en niet naar zijn eigen gemeente? Dan moest hij al weten dat hij de portemonnee ergens in Doetinchem was verloren en dat wist hij waarschijnlijk helemaal niet. Misschien dacht hij wel dat zijn portemonnee was gestolen.
Moest ik dan de portemonnee naar de gemeente brengen die op de identiteitskaart stond vermeld? Op internet zocht ik de desbetreffende gemeente op. Voor de aanmelding van gevonden voorwerpen moest je een formulier downloaden. Halverwege het invullen van de gegevens ben ik afgehaakt. Veel te bureaucratisch.

Ik besloot tot een andere tactiek. Trok mijn jas aan en liep weer naar de plaats waar ik de portemonnee had gevonden. Ik keek naar het huis naast het fietspad en vroeg me af of de portemonnee van de man kon zijn die nu met veel lawaai achter in de tuin iets aan het zagen was. Ik stond een tijdje te gluren op de stoep, terwijl ik me afvroeg of ik de man zou aanspreken en wat ik dan zou zeggen. Een voorbijganger keek nog eens om naar mij en ik realiseerde me dat ik een vreemde indruk moest maken zo op de stoep staand turend naar een huis. Ineens vond ik het een raar idee van mezelf om de man aan te spreken en ik liep terug naar huis.

Op de bank nam ik de inhoud van de portemonnee nog eenmaal helemaal door. Verstopt in een zijvakje vond ik een bedrijfshulpverleningspasje met daarop de naam van een bedrijf. Dat was een ingang. Via internet achterhaalde ik het telefoonnummer van de HR-afdeling van het bedrijf en legde het probleem voor aan de HR-secretaresse. De man was wel bekend maar werkte inmiddels niet meer bij het bedrijf en ze kon me in verband met de privacy natuurlijk niet de gegevens doorgeven, maar ze wilde de man  wel bellen en dan kon hij mij bellen als hij dat wilde.

Nu had ik gedaan wat ik kon en moest ik afwachten hoe het verder zou gaan.
Niet veel later ging de telefoon. Een vrouwenstem die vertelde dat ze net was gebeld met de mededeling dat ik de portemonnee van haar man had gevonden en me vroeg of dat inderdaad zo was. Ik beaamde het. Ze vroeg of ik alsjeblieft thuis wilde blijven dan zou ze haar man zo snel mogelijk mijn kant opsturen. Twintig minuten later ging de deurbel.

Een man met een blauwe jas keek me verwachtingsvol aan. ‘Ik hoop dat je me blij kan maken’, zei de man. ‘Ik weet zeker dat ik je héél blij kan maken’, antwoordde ik en toverde de portemonnee achter mijn rug tevoorschijn.

Ik vertelde hoe en waar ik de portemonnee had gevonden en hoe ik de man op het spoor was gekomen. Hij vertelde dat hij met zijn vrouw naar het ziekenhuis was geweest en dat ze samen over het fietspad door de Kruisbergse bossen naar huis waren gefietst. Hij had pas thuis gemerkt dat hij zijn portemonnee kwijt was. Hij had alleen geen idee hoe en waar dat gebeurd was. Hij was in paniek geweest, omdat al zijn belangrijke pasjes er in zaten.

Hij kreeg tranen in zijn ogen en zei: ‘ik kan niet geloven dat ik alles weer terug heb. Oh, ik ben zo blij.’ En daar werd ik dan ook weer blij van. Het is fijn om andere mensen blij te kunnen maken. De rest van de dag liep ik rond met een grote lach op mijn gezicht.

Aangenaam leven

Tijdens de behandelingen van mijn borstkanker heeft het me enorm geholpen om mijzelf regelmatig de vraag te stellen: wat kan mij nu helpen? Wat kan ik doen om het leven aangenamer te maken voor mijzelf? Deze vragen deden een beroep op mijn creativiteit en brachten de focus naar de positieve dingen die ik kon doen. Het gaf ook een gevoel van controle en zelf sturing kunnen geven aan het proces. Ik was geen weerloos slachtoffer maar nam zelf de regie in handen. Uit eigen ervaring weet ik dat er heel veel is dat je kunt doen om het leven aangenamer te maken voor jezelf.
Ook mijn vriendin, die nu bijna een jaar halfzijdig verlamd is, heeft haar creativiteit aangesproken om haar leven zo aangenaam als mogelijk te maken. Door te focussen op wat nog wel kan en niet te blijven hangen in hoe het ooit was en wat ze nu nooit meer zal kunnen. Ze maakt gebruik van allerlei hulpmiddelen, mensen komen haar healingen geven, masseren haar verkrampte hand en voet, ze gaat naar creatieve therapie, schildert, heeft zangles, oefent met tafeltennissen, is voor haar verjaardag een weekend naar Maastricht geweest en luistert naar mindfulness sessies om te ontspannen. Kortom: ze heeft de draad van haar leven weer opgepakt. En ik ben onwijs trots op hoe ze dat doet.
Af en toe ontmoet je mensen die het aangenaam maken van hun leven in een overtreffende trap tot uitvoering brengen. Deze mensen zijn een bron van inspiratie voor anderen. Zo ken ik een man die bijzonder creatief is in het bedenken van wat hij nog wel kan, hoewel hij waarschijnlijk in de ogen van de meeste mensen bijzonder weinig meer kan. Hij is namelijk tot aan zijn nek toe verlamd. Kon hij eerst nog zijn rolstoel bedienen met behulp van zijn hoofd, dat is nu helaas verleden tijd, omdat zijn nekspieren het inmiddels laten afweten. Dit weerhoudt hem er echter niet van om een opleiding kunstgeschiedenis te volgen. Hij kan immers nog kijken (inmiddels ook bijna niet meer omdat hij staar heeft gekregen), luisteren, praten en denken. Dat hij aan de zuurstof zit vindt hij geen reden om niet meer de deur uit te gaan. Zijn vrouw vindt het ook geen probleem. Ze genieten samen van lekker uit eten gaan. Ze bestellen dan eerst zijn gerecht dat ze samen oppeuzelen: zijn vrouw stopt eerst een hap in zijn mond en dan één in haar eigen mond. Ze drinken champagne met een rietje, zodat hij zich niet verslikt.

Natuurlijk vraag ik me wel eens af hoe lang dit nog door kan gaan. Hoe ver kan hij nog achteruit gaan? Maar vooralsnog geniet hij van wat hij nog allemaal kan. En dat vervult me met grote bewondering en is volgens mij het geheim van een aangenaam leven.

 

IMG-20171125-WA0001

De achtbaan van je leven

Is ons leven een geschreven script dat zich langzaam ontrolt zoals het vooraf is bedacht? Zijn wij de acteurs in een toneelstuk en spelen we de hoofdrol in ons eigen leven? Of kunnen we echt keuzes maken en ons leven zelf bepalen? Als kind van een jaar of acht hielden deze vragen me frequent bezig. Als ik ’s avonds in mijn bed lag probeerde ik te ontrafelen hoe het mysterie van het leven in elkaar steekt.

Het was me opgevallen dat volwassenen, op mijn vele ‘waarom vragen’, zoals waarom heb je juist tante X uitgekozen als vrouw om mee te trouwen of waarom ben je administratief medewerker geworden, veelvuldig antwoordden ‘dat het nou eenmaal zo gelopen was’. ‘Ja’, zeiden ze dan, ‘dat weet ik niet precies, het is gewoon zo gegaan.’  Dat vond ik zo’n raar antwoord. Net alsof ze er zelf helemaal geen invloed op hadden kunnen uitoefenen. Alsof ze zelf geen bewuste keuzes hadden gemaakt, terwijl die keuzes op de kruispunten in hun leven wel heel bepalend waren voor de rest van hun leven. Ik nam mij vurig voor het anders te doen met mijn leven. Ik wilde niet zoals zoveel volwassenen eindigen in een saai en troosteloos bestaan, omdat het nu eenmaal zo gelopen was. Nee, ik zou mijn leven heel bewust vormgeven door de juiste keuzes te maken.

Een andere reden waarom ik me afvroeg of alles in ons leven is voorbestemd waren mijn voorspellende dromen. Van kleins af aan had ik regelmatig dromen die enige tijd later werkelijkheid werden. Tijdens zo’n droom  wist ik dat het een droom betrof die later zou uitkomen. Vaak waren het onbenullige dingen die uitkwamen, zoals dat ik naar een verjaardagsfeestje ging of dat ik met mijn ouders zat te ontbijten. Gewone dagelijkse taferelen, waarbij ik precies wist wat er gezegd zou worden. Sommige mensen zullen zeggen dat het om een deja vu gaat: een foutje in het geheugen, waardoor het lijkt alsof je de ervaring al eens eerder hebt meegemaakt, terwijl dat in werkelijkheid niet zo is. Maar als ik ’s ochtends wakker werd dan herinnerde ik mij de voorspellende droom en wist ik dus van tevoren wat er zou gebeuren. Net of die gebeurtenis al klaar lag om te worden uitgevoerd. Zo droomde ik als kind bijvoorbeeld dat mijn vader van baan zou veranderen en in de nieuwe baan problemen zou krijgen met zijn baas. Dan zat ik ’s avonds op het matje voor mijn bed geknield te bidden tot God of het alsjeblieft anders zou mogen gaan. Maar het ging precies zoals in de droom.

Toen ik al een stuk ouder was droomde ik dat de vader van een vriendin van mij leverkanker zou krijgen en korte tijd na de diagnose zou overlijden. Ik vond het een schokkende droom en vroeg mij af waarom ik dit vooraf te weten kwam. Kon ik door mijn voorkennis ingrijpen in het proces? Kon ik het voorkomen? Nee, zo voelde het niet. Alles gebeurde zoals het moest gebeuren. Het voelde alsof we allemaal onderdeel zijn van een groter geheel. Een vooraf bedacht plan. Helaas kwam ook deze droom uit.

Momenteel lees ik ‘Tonio’, het boek over de verongelukte zoon van A. F. Th. van der Heijden. Ook hierin vind ik aanwijzingen dat het leven precies loopt zoals het is bedoeld. Van der Heijden beschrijft hoe hij drie weken voor het dodelijke ongeluk van zijn zoon een soort afscheid heeft ervaren. Het was een bijzondere avond geweest en ze hadden elkaar bij het afscheid, in tegenstelling tot hun gebruikelijke uiteen gaan,  langdurig omarmd en gezoend.  Het had hem ontroerd en hij had zijn zoon met tranen in de ogen nagekeken. Achteraf gezien was het alsof zijn zoon op dat moment afscheid van hem had genomen. Op het moment van het ongeluk zelf, om vier uur ’s nachts, wordt hij wakker met een kramp in zijn maag. Hij begrijpt niet wat er aan de hand is en probeert verder te slapen. Later hoort hij dat het ongeluk om iets over vieren heeft plaatsgevonden. Wonderlijk toch?

Toen ik nog weer ouder was droomde ik dat Frans en ik in het huis van de directeur van de organisatie waar ik werkte zouden gaan wonen. Ik vroeg me af hoe deze droom ooit uit zou kunnen komen, want het leek heel erg onwaarschijnlijk. We hadden geen plannen om te verhuizen en Frans was net voor zichzelf begonnen met werk. Op een dag vertelde de directeur dat hij een baan in Maastricht had geaccepteerd en de organisatie zou verlaten. Tot mijn eigen verbazing hoorde ik mezelf vragen: ‘heb je je huis al verkocht?’ ‘Nee’, antwoordde hij, er zijn wel heel veel gegadigden, maar we hebben het nog niet verkocht. Hoezo, hebben jullie interesse?’ ‘Waarom komen jullie aanstaande vrijdag niet kijken?’, voegde hij er enthousiast aan toe.
‘Wat’, zei Frans, ‘dat gaan we niet doen hoor’.  Maar ik wist hem over te halen door te zeggen ‘dat alleen kijken toch geen kwaad kon’. We vonden het allebei een superfijn huis en tijdens de rondleiding lieten we ons lyrisch uit over alle mooie kanten van de woning. Een tweede bezichtiging volgde. Daarna besloten Frans en ik eensgezind dat we het niet zouden doen. Het financiële risico was te groot. Ik zou mijn baas vertellen dat we af zouden zien van de koop.
Toen gebeurde er iets wat ik niet had voorzien. Nadat ik had verteld dat de koop niet doorging, omdat we het financiële risico te groot vonden, vroeg mijn baas welk bedrag voor ons dan acceptabel zou zijn. Ik hield het bedrag wat ik noemde bewust heel laag aan, dan zou duidelijk zijn dat het echt niet kon. Maar tot mijn verbazing zei mijn baas: ‘nou dan doen we van die prijs nog 10.000 gulden af, dan kunnen jullie het zeker betalen. Er zijn potentiële kopers die ons de gevraagde prijs willen betalen, maar we willen het huis aan jullie verkopen, want jullie zijn er echt blij mee. Het huis hoort bij jullie.’ En zo kwam de voorspellende droom toch uit.

In de coaching is het gebruikelijk te zeggen dat, dat waar je op focust de neiging heeft om uit te komen. Focus daarom op wat je graag wil realiseren. Ben je heel bezorgd en bang voor iets dan focus je je op een negatieve uitkomst, waardoor je eigenlijk onbewust de kant op stuurt waar je niet heen wilt. Er zijn dan ook mensen die zeggen dat als je heel bang bent om kanker te krijgen, je de kans vergroot dat je het ook krijgt, omdat je er zo op gefocust bent. Je creëert met je angst als het ware de kanker. Dat geloof ik niet. Ik denk eerder dat het andersom is: als je ergens bang voor bent, dat je dan weet dat het ooit gaat gebeuren.
Ik ben mijn hele leven bang geweest om kanker te krijgen. Het leek me het meest afschuwelijke dat me kon overkomen. Ik denk dat ik onbewust wist dat het ergens in mijn leven op me lag te wachten. Dat ik diep vanbinnen altijd heb gevoeld dat ik kanker zou krijgen.

Stel het leven eens voor als een voor jou op maat gemaakte achtbaan. Je bekijkt de achtbaan van tevoren, voordat je wordt geboren. Je weet bijvoorbeeld dat jouw achtbaan eerst steil omhoog gaat om daarna keihard naar beneden te suizen en vervolgens weer omhoog, schuin over de kop gevolgd door een paar loopings.
Je hebt ervoor gekozen om de achtbaan van je leven in te stappen en dan kun je er niet meer uit. Tergend langzaam word je omhoog getakeld, er is nog niets aan de hand, alles in je leven verloopt soepel, er lijkt geen vuiltje aan de lucht, maar ergens in je maag knaagt de spanning, want je weet al dat er na de top een afgrond aan komt, dat je onherroepelijk met een noodvaart naar beneden zal gaan. Ik denk dat ik de diagnose borstkanker zo heb ervaren. Als iets dat al die tijd voor me klaar lag en waar ik met spanning in mijn maag op zat te wachten.

Waarom kiezen mensen voor een achtbaan? Omdat het een spannende ervaring is. Het geeft een kick. Je hebt het meegemaakt. Niet alle mensen kiezen voor een heftige achtbaan. Sommige mensen vinden een vlak spoor met enkele onverwachte wendingen al spannend genoeg. Je krijgt de achtbaan die bij past bij wat jij wil ervaren. Precies op maat gemaakt voor jou. Maar als je spijt krijgt kun je er niet meer uit. Je moet door of je het nu leuk vindt of niet. Ongeacht wat het leven voor jou in petto heeft.

Hoe zit het dan met je vrije wil? Heb je dan helemaal geen invloed op je leven? Ik denk dat voorbestemming en vrije wil verwikkeld zijn in een ingenieus samenspel van actie en reactie. Het leven legt iets op je pad en kijkt hoe jij hierop reageert. De belangrijke dingen in het leven kun je niet ontlopen, maar je hebt altijd een vrije keuze hoe je ermee omgaat.

Ik denk dat het verhaal van je leven vooraf is geschreven en dat je vrije wil is hoe jij invulling geeft aan de rol die je vooraf hebt gekozen. Heel het leven draait erom hoe jij invulling geeft aan je leven. Hoe reageer je op wat er op je pad komt? Daar kun je belangrijke keuzes in maken. Je hebt geen vat op wat er in je leven gebeurt, maar wel hoe je daar op reageert. Daarin schuilt jouw unieke stukje. Dat is het monument dat jij in het leven achterlaat.

 

 

Einde van een boom

Voor ons huis stond een markante boom. Het was een oude berk met een flinke omvang; zijn kruin stak ruim boven het dak van ons huis uit en zijn stam was meer dan een meter in doorsnee. De kenners schatten de boom op zo’n zeventig jaar oud.
Ik hield van deze boom. Ik keek als ik in de tuin zat graag naar zijn imposante gestalte, zijn ritselende bladerdak en de vogeltjes die in zijn zwiepende takjes heen en weer wiegden. De boom voelde als een vriend die met zijn moederlijke energie ons huis en onze plek beschermde. Als een wachter stond hij voor ons huis en bood ons beschutting tegen zon, wind en straling.

In het voorjaar zag ik vocht uit zijn stam druppen en toen ik goed keek zag ik overal mieren uit zijn bast tevoorschijn komen. Onderaan de stam was zijn hout vermolmd. Het voelde alsof de boom ziek was en weinig energie meer had. Een bomenexpert bevestigde dat. De boom was aangetast door een schimmel die zich aan zijn hout tegoed deed. Ook de vele vliegende mieren waren geen goed teken. De veiligheid kon niet langer worden gegarandeerd. Met het rapport van de bomenexpert vroegen we een kapvergunning aan voor onze – zoals dat wordt genoemd – beeldbepalende boom.

Gelukkig hadden we door de duur van de gemeentelijke procedures de tijd om te wennen aan het idee dat de boom zou worden gekapt. Uiteindelijk brak de dag aan dat de boom zou worden geveld. Met vijf man sterk, een grote takelwagen met hoogwerker en een houtversnipperaar kwamen ze voorrijden. De weg werd gedeeltelijk afgezet met pilonnen en linten. Niet veel later sneuvelden de eerste takken, die door de man in de hoogwerker werden afgezaagd en direct door de anderen werden afgevoerd naar de houtversnipperaar. De grote takken werden, nadat ze waren doorgezaagd, voorzichtig met een touw naar beneden getakeld.

Hoewel de regen met dikke stralen uit de hemel stroomde, stond al snel de halve buurt aan de overkant van de straat te kijken. Het was ook spectaculair om te zien hoe de bomenexperts met een touw in de boom klommen en stukje voor stukje de boom ontmantelden. Na de takken was de stam aan de beurt. Van bovenaf werd er telkens een stuk afgezaagd en voorzichtig naar beneden geworpen, totdat uiteindelijk de stronk viel en er niets meer van de boom over was dan de wortels.
’s Middags kwam er iemand die de stukken stam in hanteerbare blokken hakte en meenam voor zijn houtkachel.

De oprit zag er vreemd groot en kaal uit. Leeg. De meeste mensen uit de buurt riepen dat we wel blij zouden zijn dat de boom weg was, dat we veel meer licht in huis zouden hebben, dat ons huis zo veel mooier uitkwam en dat we nu geen last meer zouden hebben van de troep die zo’n boom maakt. Allemaal waar, maar toch ging het me aan het hart dat de boom weg was. We hadden de boom graag willen behouden. Deze herfst zouden we niet meer over een tapijt van geelgekleurde blaadjes lopen, zou ik niet meer zijn imposante kruin zien als ik uit het raam keek en niet meer zijn takjes zachtjes horen ruisen in de wind.

Gisteren kwam de vader van de bomenexpert met een stobbenfrees om de wortels te vermalen. Het was een zachte, vriendelijke man en we begrepen elkaar. Hij zei, ‘ik vind het altijd jammer om zo’n grote boom te kappen, mensen houden niet meer van bomen, terwijl het de longen van de aarde zijn. De bomen slaan co2 op in hun bladeren en behoeden ons zo voor de opwarming van de aarde. Ze geven ons zuurstof.’
Ik dacht aan de bomen in het bos, hoe heerlijk ik het vind om na een dag achter de computer of in de auto, in het bos te lopen. Ik geniet van hun kleuren, snuif hun geuren op en apprecieer de rust die ze uitstralen. In de natuur kan ik me weer opladen. ‘Ik houd wel van bomen’, zei ik.
‘Maar’, vervolgde de oude man troostend, ‘bij deze boom was het echt nodig. Er was bijna niets meer over van de wortels, die waren al bijna helemaal vermolmd. De boom had zo om kunnen vallen in een najaarsstorm.’

De zachtaardige man bracht ons op het idee om de tot houtsnippers vermalen boomwortels te gebruiken als bemesting voor onze tuin. Zo leeft de boom toch nog een klein beetje voort.

IMG_20170927_172538IMG_20170930_102022IMG_20170930_105544

Alwin

Al onze acht konijntjes, die inmiddels zijn uitgegroeid tot flinke konijnen met grote, rechtopstaande oren (geen van de jonkies heeft de hangoren van Lana meegekregen), hebben via Stichting Flappus in Zwolle een goed tehuis gevonden met veel ruimte, liefde en een maatje voor gezelschap. Soms sturen de nieuwe eigenaars enkele foto’s naar ons toe om te laten zien hoe ons konijn is terecht  gekomen. Dat vinden we erg leuk.

Om Lana wat meer gezelschap te geven – het is zonder de jonkies om haar heen erg eenzaam voor haar – togen we op een zaterdagochtend richting Zwolle om een leuk maatje voor haar uit te kiezen. Lana was mee en we hadden bedacht dat zij een bepalende stem in de uiteindelijke keuze zou krijgen. Het zou tenslotte haar levensmaatje worden. Er waren twee mannen die haar wel konden bekoren; de lieve, bange Boaz en de dappere Hercules met wat meer pit.

Konijnen zijn net mensen. Als ze andere konijnen ontmoeten is er soms direct een klik, soms vinden ze elkaar lief, soms moeten ze aan elkaar wennen en soms weet je direct dat het nooit wat gaat worden. Lana en Boaz vonden elkaar lief. Bij Lana en Hercules was er direct een pittige confrontatie. Hercules is een dwergkonijn en hij verdween bijna geheel onder de grote Lana toen die, zoals dat gebruikelijk is bij konijnen, op zijn rug ging rijden om de rangorde te bepalen. Maar hij liet zich niet op de kop zitten en probeerde op de rug van Lana te klauteren.

De koppelaarster van de opvang adviseerde ons Boaz te kiezen. Probleem was echter dat wij niet zo’n klik met Boaz hadden. Wij voelden meer voor Hercules met zijn pluishoofdje en zijn pittige karakter. Het werd dus Hercules.

Op de terugweg in de auto zaten ze op advies van de opvang bij elkaar in een hok. Het leek heel goed te gaan, ze lagen bijna tegen elkaar aan. Eenmaal thuis brandde de strijd om te bepalen wie het hoogst in rangorde is echter los. Het bepalen van de rangorde kan een paar dagen duren en het kan er heftig aan toe gaan. Zolang ze elkaar niet verwonden is er niets aan de hand, zo verzekerde de eigenaar van Flappus ons. Rondvliegende haren zijn toegestaan.

Na een week ontdekte ik echter dat Lana allemaal wondjes op haar rug had en dat Hercules haar telkens beet als hij op haar rug probeerde te rijden. Dat was niet acceptabel. Als dit zo zou blijven moest Hercules terug naar de opvang. Toch had ik het gevoel dat ze elkaar wel mochten. Ze lagen soms ook lief tegen elkaar aan en knabbelden dan gezamenlijk aan een worteltje.

Ik had het gevoel dat Hercules veel had meegemaakt in zijn jonge bestaan. Hij vond het moeilijk om zich over te geven en vertrouwen te hebben in het leiderschap van Lana. Hij was bang. Hij had geleerd dat vechten de beste verdediging was. Hij voelde strijdlustig. Ik had het idee dat onze lieve, relaxte Lana hem kon helpen om vertrouwen te krijgen, om zachtaardiger te worden en te ontspannen. Ik had een zwak voor hem en vond het moeilijk om hem terug te brengen.

Als eerste maatregel veranderden we zijn naam van Hercules in Alwin. We vonden dat de naam Hercules een verkeerde energie uitzond. Het riep teveel een beeld op van Hercules, de Romeinse god van strijd en overwinning, en wakkerde daardoor de vechtlust in huis aan, terwijl we juist wilden dat Lana een echt vriendje zou krijgen. Daarom doopten we Hercules om in Alwin, dat edelmoedige vriend betekent. We vonden dit beter passen bij het doel waarvoor hij in huis was gekomen en hoopten dat hij hierdoor van strijdlustig in zachtmoedig zou veranderen.

We besloten een ultimatum te stellen. Resoluut vertelden we de konijnen dat Alwin zou worden teruggebracht als ze binnen een week geen vriendschap hadden gesloten. Van Alwin verwachtten we dat hij Lana ging wassen. Hij moest laten zien dat hij zijn nieuwe naam eer aandeed. Als Lana wilde dat Alwin zou blijven, moest ze als teken op haar zij gaan liggen. Als ze dat niet deed, zouden we dat beschouwen als een teken dat ze het niet zag zitten met Alwin en liever een ander vriendje had.

Al vijf minuten na het indringende gesprek, ging Lana op haar zij liggen, iets dat ze zelden doet. Lana koos dus toch voor Alwin. Kort daarop begon Alwin, nog enigszins aarzelend aan het oor van Lana te likken. Dit was het begin van hun vriendschap. Nu liggen ze samen te slapen en wassen liefdevol elkaars vacht. We hopen dat ze nog lang en gelukkig bij elkaar kunnen zijn.

Dieren begrijpen meer dan je denkt en reageren sterk op wat de baasjes uitzenden.

IMG_20170809_190939 IMG_20170823_180653 IMG_20170824_163502

Waar de wind waait

We zijn net terug van alweer een heerlijke vakantie. Een vakantie waarin we nieuwe gebieden hebben ontdekt, maar vooral een vakantie die ons heeft geleid naar bekende plekjes die we graag nog een keer wilden bezoeken. Het is een risico om een plaats waar je bijzondere herinneringen aan bewaart nogmaals te bezoeken, vind ik. Een tweede keer kan het tegenvallen en dan werpt het een smet op de oorspronkelijke herinnering. In ons geval heeft het goed uitgepakt. Het is een vakantie geworden van bergen en meren.

De eerste week van de vakantie mocht ik bepalen waar we heen zouden gaan en wat we zouden gaan doen, de tweede week zou in het teken van paragliden staan. De deal was dat ik Frans zou volgen daar waar weer en wind het gunstigst waren voor het vliegen; een uitdaging voor mij.

We koersten af op Zwitserland en kwamen uit bij de autotrein in Kandersteg. De weg liep dood in de bergen en de trein door de tunnel was de enige mogelijkheid om aan de andere kant van het bergmassief te komen. We reden een open wagon op met onze camper en daarna begon de tocht. Het had me wel spannend geleken die autotrein, maar eigenlijk was het vooral saai, want we reden door een onverlichte tunnel en zaten een kwartier in het donker in onze eigen camper.

Toen we de tunnel uitkwamen waren we moe van de lange reisdag en besloten een camping te zoeken. Het Lago Maggiore waar ik graag naar toe wilde, moest maar een dagje op ons wachten. De volgende dag kwamen we erachter dat we heel dicht bij Zermatt zaten; de plaats waar we op onze huwelijksreis naar toe zijn geweest en waar we zulke goede herinneringen aan bewaren. We pasten onze plannen aan en in plaats van verder te reizen naar het Lago Maggiore boekten we een treinreis naar  Zermatt, dat een autovrij plaatsje is waar je alleen per trein kunt komen. Vanuit Zermatt pakten we de Gornergratbahn, een tandwieltreintje dat bijna loodrecht omhoog gaat naar 3.100 meter en de beroemde Matterhorn. We hadden een stralende dag uitgekozen. Zo’n dag die maar weinig voorkomt hoog in de bergen: met een strak blauwe lucht en nauwelijks wind. Het uitzicht was magnifiek. We maakten een prachtige wandeling en genoten in de late middagzon van een ijsje. We moesten rennen om de laatste trein terug naar Zermatt te halen.

IMG_20170905_130115 IMG_20170905_140139 IMG_20170905_143120 IMG_20170905_155254 IMG_20170905_155335 IMG_20170905_160753

 

 

 

 

 

 

 

De volgende dag rijden we via de Simplonpass naar Italië. Ik vind het altijd bijzonder om te merken dat je met het passeren van de landsgrens ineens ook een andere wereld binnenrijdt met een andere energie. Zwitserland voelt schoon, maar ook streng en serieus. Op het moment dat we Italië binnenrijden lijkt alles ineens zonniger en vrolijker. Alsof de mensen hier meer van het leven houden.

Het Lago Maggiore met zijn grote, drukke campings kan ons niet zo bekoren, daarom wijken we uit naar het kleinere Lago D’Orta. We vinden een kleine, authentieke Italiaanse camping waar ze ’s middags siësta houden, waar ze alle tijd van de wereld hebben en waar we een plekje krijgen met uitzicht op het lieflijke Orta meer. ’s Middags gaan we naar het privéstrandje van de camping en lekker zwemmen in het zachtblauwe water.

De volgende dagen zijn heel relaxed. We ontbijten met uitzicht op het meer, het is heerlijk zacht zomers weer. We rijden met de camper door piepsmalle straatjes waarbij we soms de spiegel schampen aan een uitstekend venster van een huis of in de achteruit moeten als er een tegenligger aankomt. We beklimmen de Mottarone, een berg met 360 graden uitzicht. Op de top hebben we zicht op de beboste bergen en de vele meren van Noord-Italië. We tellen zeven meren, waaronder het grillige Lago Maggiore. We brengen een bezoek aan het mondaine stadje Stresa prachtig gelegen aan de oever van het Lago Maggiore. Met een bootje gaan we naar één van de eilanden voor de kust waar we een bezoek brengen aan het kasteel en de tuinen van de familie Borromea. Ik houd van de blauwe kleur van het meer. ’s Avonds ontmoeten we vrienden die ‘toevallig’ ook in de buurt van Stresa zijn met hun camper en gaan we samen pizza eten. De laatste dag gaan we naar San Giulio, een middeleeuws stadje dat bekend is vanwege de pelgrims die een bezoek brengen aan de botten van de heilige Sint Franciscus van Assisi, die in een kistje liggen in de grote kathedraal op het eilandje dat dezelfde naam draagt. Ik had gelezen dat het eiland echt de moeite waard was en dat je er in de natuur een pelgrimstocht kon lopen. Het blijkt echter een piepklein eilandje dat we na een half uur echt wel hebben gezien, maar onze boot komt pas drie uur later. We zitten vast op het eiland. Misschien is dat wel onze pelgrimstocht; gewoon een paar uur zittend doorbrengen aan de rand van het water, zonder gedachten, zonder iets te hoeven, alleen maar te zijn.

 

IMG_20170907_094228IMG_20170907_135236IMG_20170907_142656IMG_20170907_162305IMG_20170907_162324IMG_20170907_171138IMG_20170907_171149IMG_20170907_172127IMG_20170907_172635

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IMG_20170907_174537 IMG_20170908_125530 IMG_20170908_164955

 

 

 

 

De volgende dag begint de week van Frans. Het weer is omgeslagen en het regent pijpenstelen. Tot onze enkels in het water waden we naar het toilet. Er trekt een koufront over de Alpen en het is overal slecht, behalve in een uithoekje in Frankrijk, dat in de luwte van de bergen ligt: Sint Vincent les Fortes. De plaats waar ik heb leren paragliden.
Het clubje paragliding vrienden heeft besloten de koers te verleggen van de Dolomieten naar Sint Vincent les Fortes, dus rijden we door een grijs en grauw landschap in de stromende regen naar Frankrijk. De sfeer in Frankrijk is verlaten en troosteloos.

Na een hele dag regen, breekt bij het binnenrijden van de bergen bij Sint Vincent les Fortes, de zon door. De zon heeft een gaatje in het wolkendek gevonden en zet de bergen, die achter zich een inktzwarte lucht herbergen,  in een gouden licht. Het heeft iets magisch, iets waar we stil van worden. Op dat moment verschijnt een felle regenboog die fier met twee poten in de grond staat.

We strijken neer op een camping aan Lac de Serponcon, een helderblauw stuwmeer. De avond is helder en koud. Het is fijn de paragliding vrienden weer te zien. Er zijn ook een paar mensen bij die ik nog niet ken.

De ochtend wordt doorgebracht met ‘parawaiting’ op de top van de berg. De mannen zijn met hun pakzakken in ons volgestouwde busje omhoog gebracht en wachten op thermiek, die maar niet komt. Rond een uur of drie gaan ze eindelijk de lucht in. Het is druk in de lucht. Omdat er weinig thermiek is vliegt iedereen op dezelfde plek. Ik vind het doodeng en ben bang dat Frans een botsing in de lucht krijgt. Een paar keer vliegt er rakelings iemand langs hem heen. Niemand heeft lekker gevlogen; iedereen vond het te druk en eigenlijk daardoor te risicovol.

IMG_20170910_124007 IMG_20170910_124019 IMG_20170910_165224 IMG_20170910_170548 IMG_20170910_170625 IMG_20170910_180928

 

 

 

 

 

 

 

Had ik me net ingesteld op Frankrijk en wat informatie verzameld over wat ik zou kunnen doen de komende dagen, zijn de plannen alweer bijgesteld. Te harde wind de komende dagen, is het oordeel van de mannen. In Italië wordt een plekje gevonden waar nog wel gevlogen kan worden. Dus tuffen we de volgende ochtend voor dag en dauw weer richting Italië; dezelfde route terug die we twee dagen geleden hebben afgelegd maar dan in tegengestelde richting.

De paragliders hebben contact gelegd met een Italiaanse vliegschool en afgesproken bij het dorpsplein in een klein plaatsje. Vandaaruit brengt de contactpersoon hen met een busje omhoog de berg op, dwars door een natuurgebied. Voordat ik het goed en wel in de gaten heb zijn de mannen verdwenen en sta ik alleen met de andere vrouw uit het gezelschap met wie ik het gelukkig goed kan vinden. We rijden naar het adres van de camping die we hebben doorgekregen. De wegen worden smaller en smaller en vertonen steeds meer gaten en bobbels in het asfalt. We rijden achter elkaar aan een steile bergweg op. Het is een heel avontuur. Uiteindelijk komen we uit bij een camping midden in de natuur. Het echtpaar dat de camping runt is uitermate hartelijk. Er staat koffie klaar en er is een mandje met vers fruit uit de omgeving. Het restaurant zit helaas dicht. Het is wel mogelijk om pizza te laten bezorgen en ook de bakker komt langs met broodjes.

We zetten de tentjes op in een ruime cirkel. Het ziet er een beetje uit als een padvinderskamp. De mannen hebben lekker gevlogen vandaag. Helaas is voor morgen te harde wind voorspeld.

De weersvoorspelling komt uit: het waait te hard. De eikels kletteren op het dak van onze camper. Frans en ik maken een prachtige wandeling naar de top van de Monte Fribourg op 1.400 meter. Op de top hebben we zicht op de besneeuwde bergen van Zwitserland aan de ene kant en de Povlakte aan de andere kant. We kunnen echt heel ver kijken.

IMG_20170910_171150 IMG_20170911_130755 IMG_20170911_131319

 

 

 

 

IMG_20170912_144943 IMG_20170912_144954 IMG_20170912_145155

 

 

 

 

IMG_20170915_130022 IMG_20170913_160801 IMG_20170913_160748

 

 

 

 

We nemen afscheid van de vriendelijke camping en rijden naar een ander stukje Italië waar ook veel wordt gevlogen. Hetzelfde ritueel herhaalt zich: de mannen gaan vliegen en de vrouwen slaan het kamp op. Alle bagage en de tenten zitten in onze camper gestouwd. ’s Avonds zitten we lang buiten. Overdag maak ik uitstapjes met de andere vrouw waarbij we naar een meer rijden, samen lunchen, een beetje zwemmen en stadjes bekijken. Het vliegweer is niet al te best. Meer dan een paar voorzichtige glijvluchtjes zitten er niet in.

Omdat het weer niet vliegbaar is gaat plotsklaps iedereen naar huis. Ik moet er even aan wennen om weer alleen te zijn met Frans. Alweer een onverwachte wending.
We maken een mooie wandeling over een pelgrimspad dat van Canterburry in Engeland naar Rome loopt. Tegen de avond rijden we alvast een stukje huiswaarts. We komen terecht in het Zwitserse Evolene gelegen in het Val D’Herens. Hier zijn we in 2011 ook geweest. We nemen ons voor om nu de wandeling te maken die we toen niet hebben kunnen maken.
Het is zwaar bewolkt en af en toe vallen er wat droge sneeuwvlokjes uit de lucht. We klimmen naar een groenblauw meertje waar we picknicken. Daarna gaat de tocht verder door een stukje bos, totdat we boven de boomgrens komen. Naar alle kanten hebben we uitzicht op grillige bergtoppen. Ons einddoel is een houten kruis dat boven op de top staat. Voldaan en moe ga ik bij het kruis zitten. Ik heb het gehaald! De afdaling gaat snel en we zijn voor het echt gaat regenen terug bij de camper.
We rijden weer een stukje huiswaarts. Bij het meer van Geneve staat een enorme file en we houden het voor gezien voor vandaag. We gaan op de camping van Villeneuve staan, waar Frans al eens eerder heeft gestaan. De regen komt met bakken uit de hemel.

 

IMG_20170917_124255 IMG_20170917_125016 IMG_20170917_135210 IMG_20170918_121504 IMG_20170918_125846 IMG_20170918_133653

 

 

 

 

 

 

 

Als laatste etappe gaan we naar Bern. Een verrassend mooie, oude stad met smaragdgroene rivier. Helaas zit het Einstein museum dicht. Voordat we huiswaarts keren lopen we nog even langs het Zwitserse parlement. Rond drie uur vertrekken we uit de stad en de reis verloopt voorspoedig. Helaas hebben we bij Keulen door wegwerkzaamheden bijna een uur vertraging. De laatste hobbel is een wegafsluiting bij Wesel, waardoor we een heel eind binnendoor moeten rijden. Half één zijn we weer THUIS.

 

Woordkeus

Op de lagere school zat ik met een gehandicapte jongen in de klas. Hij zat in een rolstoel en had hele kleine beentjes. Hij was vaak weken niet op school, dan was hij ziek of lag hij in het ziekenhuis. Toch hoorde hij er helemaal bij. Als we tikkertje deden, reed hij ons achterna in zijn rolstoel. Hij was er heel behendig mee.

Het was heel gewoon om hem gehandicapt te noemen. Toen het op een gegeven moment niet meer gepast werd gevonden om iemand als ‘gehandicapt’ te betitelen en het correcter werd gevonden om te spreken over ‘iemand met een beperking’ vond ik dat eerst dan ook geneuzel van woorden. Wat maakte het uit hoe je het noemde, als je het maar respectvol deed, vond ik.
Ik moest hier ineens aan terugdenken toen een arts in het ziekenhuis tegen me zei dat ik met mijn arm met lymfoedeem levenslang gehandicapt zou blijven. Het woord ‘gehandicapt’ dreunde bij me binnen. Het klonk vreselijk dramatisch, onveranderlijk en niet op mij van toepassing. Later toen ik buitenstond bedacht ik dat ik me absoluut niet gehandicapt voel, maar dat ik wel beperkingen ervaar met mijn arm. Ik kan geen zware dingen tillen, niet op mijn rechterzij liggen of in de zon zitten met mijn arm. En voor het eerst voelde ik dat het woord ‘beperking’ zoveel prettiger aanvoelt dan het woord ‘gehandicapt’ en ook zoveel beter van toepassing lijkt. Ik ervaar mezelf zeker niet als gehandicapt, maar ik heb wel een lichte, fysieke beperking. Dat voelt kloppend. Het is net of een handicap je hele identiteit raakt, terwijl een beperking gewoon iets is dat je naast je vele andere eigenschappen hebt.

Is het erg om een lichte, fysieke beperking te hebben? Absoluut niet. Ik weet natuurlijk niet hoe het is om een zware, fysieke beperking te hebben, maar mijn beperking doet een beroep op mijn creativiteit. Juist doordat ik net niet alles kan, word ik geprikkeld om tot een creatieve oplossing te komen. Om iets te verzinnen waardoor het toch lukt. Natuurlijk kan ik ervoor kiezen om iets niet meer te doen of om hulp in te roepen van iemand, maar de meeste voldoening haal ik uit een zelfbedachte oplossing. Dat geeft kracht.

Ook het gezin van mijn vriendin, die in januari het ernstige herseninfarct heeft gehad, is volop bezig met het bedenken van oplossingen om het leven weer zo aangenaam mogelijk te maken. Dat vraagt aanpassing, doorzettingsvermogen en creativiteit. Ik ben trots op hoe ze het samen aanpakken.
Toen ze een vakantie aan zee boekten in een hotel dat geschikt is voor rolstoelers, pakten Frans en ik de camper en reden naar hen toe om hen te verrassen. In een ‘strandrolstoel’ met dikke, luchtbanden duwden we onze vriendin langs de kustlijn. Ze had veel bekijks. Vooral kinderen vonden de rolstoel interessant en wilden hem graag uitproberen.
We lachten, praatten, genoten van de zon op een terrasje, hebben lekker samen gegeten, namen een duik in zee en wandelden over het strand. We hebben zelfs samen gevliegerd. Allebei met onze goede hand: ik met mijn linkerhand en mijn vriendin met haar rechterhand samen dezelfde vlieger besturend. Dit zorgde voor hilarische taferelen.
Na afloop appte ik dat we het gezellig hadden gevonden als vanouds. Ik twijfelde over dat woord ‘vanouds’. Misschien was het pijnlijk voor hen omdat het helemaal niet als vanouds was. Dat hun hele wereld op de kop staat en alles anders is dan een jaar geleden toen mijn vriendin alles nog kon.  Maar wat wij bedoelden was dat we ondanks de ernstig fysieke beperkingen van onze vriendin gewoon als vanouds plezier hadden gemaakt. De omstandigheden waren dan wel veranderd onze vriendschap was nog als vanouds. Daar was niets in veranderd.

Göttingen

Toen Frans voor tien dagen naar Oostenrijk vertrok om een paragliding cursus te begeleiden, besloot ik om niet mee te gaan. Door alle vakanties van ons had ik het gevoel dat ik niet verder kwam dan inpakken, uitpakken, wassen en boodschappen doen. Ik had geen rust en inspiratie om te schrijven. Een week alleen zou me de gelegenheid geven om te beginnen aan mijn tweede boek, een boek waarin ik mijn talrijke jeugdherinneringen wil opschrijven.

De eerste twee dagen moet ik afkicken van Frans zijn vrolijke aanwezigheid; daarna vind ik het heerlijk om het rijk voor mij alleen te hebben. Geen schema’s, geen eettijden om rekening mee te houden, geen paragliding rotzooi in huis. Lekker opstaan en eten wanneer ik daar zin in heb. Het bevalt me goed en ik vind eindelijk weer de rust om te schrijven.

Als Frans echter meldt dat hij na tien dagen thuis zal komen om direct de volgende dag weer te vertrekken voor een paar dagen werk in Duitsland, merk ik dat ik weer verlang naar zijn gezelschap. Nu moet ik naast de konijntjes ook nog Frans missen.
Maar misschien kan ik wel mee naar Duitsland? Overdag als Frans aan het werk is zou ik in de camper kunnen schrijven en ’s avonds zouden we leuke dingen kunnen doen. Ik google wat op de omgeving van Göttingen en kom uit bij een camping aan de Seeburger See in Seeburg. Het is stralend weer en ik zie mezelf al liggen met een boekje aan de oever van het meer. ’s Avonds lekker zwemmen met Frans of een rondje om het meer fietsen. Frans vindt het een uitstekend idee.
Dus reserveer ik de camping en overleg met de collega van Frans of hij het een probleem vindt om Frans ’s ochtends op te halen in Seeburg om dan samen naar Göttingen te rijden. Gelukkig blijkt de collega het ook gezellig te vinden dat ik mee ga en is hij zeer coöperatief.
Er is eigenlijk maar één nadeel en dat is dat we de kwart finale van het EK vrouwenvoetbal in het Graafschap stadion in Doetinchem missen. Een vriend van ons had ons hier lang geleden al voor uitgenodigd. Gelukkig wisten we op dat moment nog niet dat de leeuwinnen de kwartfinale zouden halen om later zelfs Europees kampioen te worden.

Op het moment dat we naar Göttingen vertrekken begint het te regenen. We rijden door een mist van regen en opspattend water. De Tomtom signaleert dat de snelweg tussen Emmerich en Rees is afgesloten en leidt ons via de kleinst mogelijke sluipwegen naar Isselburg waar we de Autobahn op kunnen. De reis vordert langzaam. Er staan veel files en door het slechte zicht kunnen we niet hard rijden. Als we onderweg pauzeren voor een kopje koffie en thee, zien we op een scherm het Duitse nieuws dat voor het grootste deel in beslag genomen wordt door het noodweer in Midden-Duitsland. Vooral in Niedersaksen tussen Hannover en Kassel is het raak. We zien ondergelopen straten, modderstromen, drijvende auto’s en omgevallen bomen. Precies het gebied waar wij naar onderweg zijn….

We arriveren rond half acht bij de camping waar de regen nog immer hard uit de hemel valt. De camping eigenaar vertelt ons dat het al meer dan zesendertig uur achter elkaar regent. Hij had voor ons een mooie, ruime plek gereserveerd, maar helaas heeft hij ons moeten verplaatsen, want dat veld staat nu onder water. Er zijn twee grote pompen aanwezig om het water af te voeren en de camping zo goed en zo kwaad als het gaat droog te houden. De zandzakken liggen klaar voor het geval het riviertje gaat overlopen. Het spant erom.

IMG_20170725_180403 IMG_20170725_203803 IMG_20170726_182759

 

 

 

 

We vinden een plekje op een modderig veld. Helaas zijn we ons matje in een eerdere modderactie verloren en is het er nog niet van gekomen om een nieuwe te kopen. Frans komt er bovendien achter dat hij maar één slipper bij zich heeft. We proberen modder en nattigheid zo goed mogelijk uit de camper te houden. Het wordt manoeuvreren op de vierkante meter. Met het gezellige geruis van de regen vallen we langzaam in slaap, terwijl ik mijn vingers kruis en hoop dat de regen zal ophouden en de oevers van de rivier het houden vannacht.

Frans trekt zijn nette werkkleding aan en we poetsen zijn zwarte schoenen, hij stroopt zijn broek omhoog tot zijn knieën en houdt zijn zwarte schoenen in zijn hand, terwijl hij door de enkeldiepe modder waadt. Zijn collega staat bij de ingang van de camping te wachten. Het regent nog steeds.
Ik draai me nog een uurtje om in bed. Daarna zet ik een kopje thee en installeer de laptop op het tafeltje. Het kan allemaal net. Ik zit op het bed in kleermakerszit en type er lustig op los. Ik vraag me af wat de overburen, die tegenover me in hun voortent zitten, van me denken. Ze hebben alles keurig geordend en moddervrij weten te houden, terwijl onze camper is veranderd in een soort rovershol met een uitgeklapt bed, een tafeltje, kledingkratten, een pan met water, een laptop en modderige schoenen. Na een paar uur voel ik me net een marmot die zich voor de winterslaap heeft teruggetrokken in zijn hol. Ik besluit dat het tijd wordt om mijn hol te verlaten. Ik heb trek gekregen en moet op zoek naar voedsel. Helaas zijn we gisteravond vergeten ons in te schrijven voor de broodjes op de camping. Vandaag is er geen extra brood; alles is op. Gewapend met plu wandel ik door Seeburg op zoek naar de bakker. Ik zie het kleine winkeltje bijna over het hoofd. Het licht is uit en het maakt een verlaten indruk. Op een vergeeld kaartje zie ik de openingstijden: van half zeven tot half twaalf. Het is inmiddels één uur en ik heb best wel trek.

Terug in de camper inspecteer ik onze voorraad en bak een omelet van een paar eieren met tomaat en ham. Daarna kook ik de pruimen die ik van mijn ouders heb gekregen en verorber deze samen met een bakje kwark gemengd met vanille vla. Ik kan er weer tegen aan.
Rond een uur of vier wordt het eindelijk bijna droog. Ik heb dan de hele dag zitten typen en ben wel toe aan wat beweging. Ik trek mijn regenpak aan en fiets een rondje langs het meer. Op sommige plaatsen is het fietspad ondergelopen en het is spannend of ik er doorheen zal komen met de fiets zonder al te nat te worden.

Tegen de tijd dat de mannen me op komen halen schijnt er een waterig zonnetje. Op mijn verzoek rijden we richting Duderstadt; een middeleeuws stadje met prachtige vakwerkhuizen. Het is er bijna uitgestorven en we hebben moeite een restaurant te vinden. Als we na afloop bij de ijssalon een ijsje willen eten is deze al gesloten. De serveerster gaat echter overstag voor de charmes van Frans en geeft ons lachend een hoorntje terwijl ze in de koelkast kijkt welke ijssoorten er nog zijn. En zo likken we even later aan een bolletje ijs.

De volgende dag verloopt ongeveer hetzelfde als de dag ervoor met als enig verschil dat ik broodjes heb besteld op de camping. Het regent. Ik werk aan mijn boek. De mannen zijn werken in Göttingen. ’s Avonds halen ze me op en neemt de collega van Frans ons mee naar een gezellig restaurant in het centrum van Göttingen, dat een levendige studentenstad is.
Vrijdag zet ik mijn klapstoeltje voor de camper in de modder en geniet van het bleke zonnetje. Ik vorder goed met mijn boek en ga ’s middags een rondje fietsen. Dan komt een spannend moment. Zal ik weg kunnen rijden met de camper of moet ik hulptroepen inschakelen. De hele week heb ik gezien hoe campinggasten probeerden weg te komen uit de zuigende modder. Soms lukte het met behulp van de buren die met z’n allen stonden te duwen, soms moest er een trekker aan te pas komen om de caravan of camper los te trekken.

Ik ga Frans ophalen in Göttingen, want de collega wil graag direct na het werk naar huis rijden. Ik maak de camper rijklaar, doe een schietgebedje en rij zo rustig als ik kan het modderige veld af. Ik voel de wielen een beetje slippen en glibber wat heen en weer, maar het lukt om vaart te houden en ik merk dat de wielen langzaam grip krijgen. De buren steken een duim op. Dat heb ik goed gedaan.
Aangekomen bij het bedrijf krijg ik een rondleiding door het grote, verlaten gebouw. Op vrijdagmiddag gaat iedereen hier om half vier naar huis, behalve dan de twee Nederlandse bikkels die tot half zeven doorgaan om het werk af te ronden. De hal is van natuursteen en zo groot dat Dolfijncoaching dit een prima cursusruimte zou vinden. Er zijn ruimtes met honderden computerschermen en bureaus waar je achter kan staan; de nieuwe manier van werken.

En dan is het weekend en schitterend weer. Door de rollende gele velden en de groen beboste heuvels fietsen we over verlaten landweggetjes naar Eichsfeld dat precies op de oude grens van West- en Oost-Duitsland ligt.  We gaan naar het ‘Grenzlandmuseum’. Een museum dat het verhaal vertelt van de grens die Duitsland doormidden sneed en wat dat betekende voor de omwonenden. Indrukwekkend zijn de videofragmenten met ontsnappingsverhalen van overlevenden. In de jaren zeventig was er geen grensovergang en kon West-Berlijn alleen via de lucht worden bereikt. Begin jaren tachtig werd er bij Eichsfeld een grensovergang gemaakt, waardoor bewoners van West-Duitsland op bezoek konden gaan bij hun familie in het oosten. Inwoners van Oost-Duitsland moesten zes weken van tevoren een uitreispas aanvragen, die echter meestal zonder opgaaf van reden werd geweigerd.
Ik herinner me dat ik in 1988 met atletiek vereniging ‘Het Haasje’ in Berlijn was. We klommen op houten stellingen om over de bont beschilderde muur heen te kunnen kijken. Dat maakte indruk. We zagen een groot niemandsland met wachttorens waarin militairen met grote geweren ons beloerden vanachter hun verrekijkers. Op de oever van rivier de Spree stonden witte, houten kruisen voor alle mannen, vrouwen en kinderen die de vlucht via de rivier met hun leven hadden moeten bekopen.
De grens was niet een simpele lijn, maar een gebied van vijf kilometer breed, dat doorkruist moest worden om het vrije Westen te bereiken. Er waren hoge hekwerken die beveiligd waren met licht- en geluidsignalering, er waren honden die je konden grijpen en overal lagen mijnen, die je benen konden versplinteren. Bovendien speurden de grenswachten het gebied af vanuit hun wachttorens.

We fietsen een stukje langs de oude grens waar de grote metalen hekwerken en wachttorens bewaard zijn gebleven als herinnering aan een duister verleden. Ik vind het net als in 1988 nog steeds indrukwekkend.
We eten flamkuchen op een terras in Duderstadt en fietsen dan terug naar de camping. De laatste dag is het zonnig en we nemen nog even een duik in de Seeburger See, voordat we terugrijden naar huis. Het was een heerlijke combi.

IMG_20170728_153153 IMG_20170728_153137 IMG_20170726_185547

Missen

Vorige week vrijdag hebben we onze konijntjes naar konijnenopvang Flappus in Zwolle gebracht, die een passend tehuis voor ze gaat zoeken. Ik mis ze verschrikkelijk. Gisteravond heb ik foto’s en filmpjes zitten kijken, die we in een ontelbare hoeveelheid hebben gemaakt om alles van de konijntjes zoveel mogelijk vast te leggen. Dat maakte het gevoel van missen echter niet minder. In tegendeel het vervulde me met een droevige melancholie en weemoed.

Iets dergelijks overkwam mijn vriendin die in januari een herseninfarct heeft gehad en nu weer thuis woont. We waren in gesprek toen haar blik ineens op een cadeau viel dat we haar hadden gegeven: een bon voor een nostalgisch verrassingsweekend. Opstandig zei ze: ‘die bon moet weg, er is niets nostalgisch meer, dat is voorbij.’ De herinneringen aan een vrolijk, ongedwongen verleden waren te pijnlijk in contrast met het heden. Een pijnlijk besef dat het nooit meer zo wordt als het was, terwijl dat wel je diepste wens is. Dat is denk ik missen.

Missen heeft te maken met vasthouden aan een dierbaar verleden. Alles verandert voortdurend, maar als je iets of iemand mist wil je die verandering niet accepteren. Je wil dat alles bij het oude blijft. Mensen die gemakkelijk loslaten zullen minder missen denk ik. Zij zien eerder de nieuwe mogelijkheden die de verandering biedt en zijn dankbaar voor het moois dat hen ten deel is gevallen.
Toen ik boodschappen ging doen voor mijn vriendin kocht ik een bos zonnebloemen. ‘Voor een zonnige toekomst,’ zei ik tegen haar, ‘en die gaan we samen creëren.’ Als verleden en heden te pijnlijk zijn, richt je dan op de toekomst. Kijk of er nog iets moois voor je in het verschiet ligt. Het was het enige dat ik als troost kon bedenken.
De kleine konijntjes hebben me ontzettend veel vreugde gegeven. Ik vond het zo heerlijk als ze hun zachte, warme lijfjes tegen me aanduwden om geaaid te worden of als ze nieuwsgierig aan mijn voet snuffelden. Ik genoot ervan als ze acrobatische capriolen uithaalden, als ze luchtsprongetjes van vreugde maakten en als een dolle de trap op renden, ik vond het grappig als ze op de vensterbank zaten en naar buiten keken en ze als een grote kluwen konijnlijfjes onder een klein krukje lagen, ik genoot zelfs van ze als ze aan de trap knaagden of op de keukenvloer plasten. Ik vond het heerlijk om te zien dat ze zich op hun rug gooiden, iets wat een konijn alleen doet als hij zich heel blij en veilig voelt. Ik voelde vreugde als ze elkaar wasten, over elkaar heen sprongen of lekker lui gingen liggen.

We hadden onze keuken – tot afschuw van sommige vrienden die het maar een vieze bende vonden – omgetoverd tot een waar konijnenparadijs met dozen om in te schuilen of op te springen, lekkere warme dekentjes, hout om aan te kluiven en geurig hooi. Iedere ochtend sneed Frans een sappige wilgentak van de boom en legde die op de grond in de keuken. Het was zo leuk om te zien hoe gezellig ze er met z’n allen van knabbelden; één gezellige konijnenfamilie.

Natuurlijk begreep ik ook wel dat dit idyllische tafereel niet eeuwig kon duren. De konijntjes groeiden als kool en bij het boodschappen doen werden mijn fietstassen grotendeels gevuld met verse andijvie, witlof en bospeen. Ook kocht ik potjes peterselie en basilicum die ze tot aan de grond toe afknaagden. De keutels werden steeds groter en talrijker. Het hok was ‘s ochtends gevuld met een flinke laag, stinkende urine. Ik was veel tijd kwijt met schoonmaken. Het was erg vermoeiend dat ik telkens als ik de deur open deed moest opletten dat ze niet ontsnapten. En natuurlijk, waar veel mensen me lachend aan herinnerden, dat het niet lang meer zou duren voor ze geslachtsrijp waren en elkaar zouden gaan bevruchten.

Nu ik zoveel liefde en aandacht in ze had gestoken wilde ik maar één ding: dat ze een gelukkig leven zouden krijgen. Stichting Flappus bood hiervoor de beste garantie. Konijnenopvang Flappus heeft ruime kennis en ervaring met het plaatsen en koppelen van konijnen én niet onbelangrijk een landelijk dekkend netwerk. Ze vangen alle dieren op die op de één of andere manier niet bij hun baasjes kunnen blijven, ook degenen die ergens zijn achtergelaten of die zijn verwaarloosd en zorgen ervoor dat ze een fijn nieuw tehuis krijgen met een kameraadje, ruimte en goede zorg.

Onze Ceasar heeft al een fijn plekje gevonden in een grote ren samen met vijf andere konijnen en heel lieve baasjes. Voor zijn zeven zusjes hoop ik dat ook zij spoedig een fijn thuis vinden. Ja, Lana heeft acht kleine vrouwtjes gebaard (Ceasar is ook een vrouwtje). Een unicum in de konijnenwereld.

Ik houd van bijna alle dieren, maar konijnen met hun sociale, zachtaardige karakter passen het best bij mij. Over honden moet je de baas spelen, ze moeten luisteren en doen wat  je zegt en dat spreekt me niet zo aan. Ik val meer voor het eigenzinnige, autonome karakter van een poes, die alleen bij je komt omdat zij het wil. Maar een poes is een roofdier en dat vind ik dan weer minder. Ik houd van het speelse, ondernemende en nieuwsgierige van een konijn. Ze zijn vriendelijk, tenzij ze zich in het nauw gedreven voelen, dan kunnen ze verrassend sterk uit de hoek komen. Misschien lijk ik wel op een konijn en spreken ze me daarom zo aan.

Als ik thuiskom van het bezoek aan mijn vriendin is de keuken leeg en kaal. We hebben de vloer uitbundig gesopt en op de plaats van het hok staat nu weer een tafel met vier stoelen. Op de koelkast hangen de foto’s van de verschillende konijntjes met daaronder hun namen: Ceasar met zijn bruine hoofdje, Twinnie met het vlekje op de neus, kleine, bruine Lucca, witgrijze Snow met witte puntjes op haar oren, relaxte Lazy, ondernemende Jumpy, voorzichtige Tommie en Stripe met het streepje op haar neus. Ik ben er nog niet aan toe ze weg te halen.

Missen en houden van zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Je mist iemand die je dierbaar is. Iemand waar je een hekel aan hebt kun je missen als kiespijn. Soms mis je iets pas als het er niet meer is, zoals je gezondheid. Je denkt niet voortdurend: wat fijn dat ik kan lopen, maar als je het ineens niet meer kunt, mis je het enorm.
Ik hou van de konijntjes. Ze zijn me dierbaar en de consequentie is dat ik ze mis. Alleen de foto’s en de afgeknaagde kozijnen en deurposten zijn als tastbare herinnering achtergebleven aan deze vreugdevolle periode die ik voor geen goud had willen missen.

Mocht je een goed doel willen steunen, doneer dan aan Stichting Flappus. Of verwijs naar hen door als iemand een konijn zoekt.

 

Verrassing

Toen ik opstond en door het slaapkamerraam naar buiten keek, zag ik drie witte donsballetjes door de tuin huppelen. Ik trok snel wat kleren aan en sprintte naar beneden. Drie wit met bruin gevlekte minikonijntjes doken onder de compostton. Daar vond ik de ingang van het hol, dat Lana vakkundig en geheel buiten ons medeweten om had gemaakt om haar jongen te krijgen.

Ik had wel een vermoeden gehad, toen ik op een vroege lentedag een klein, bruin konijntje om Lana heen zag dansen. Ik had de mensen die voor Lana zorgden toen we op vakantie waren wel geïnformeerd, maar ze hadden niets bijzonders gemerkt. Nee, er was geen nestje. Nee, Lana had geen jonkies gekregen tijdens onze vakantie, zo werd ons verzekerd. We hadden zelf de tuin doorzocht op holen en niets kunnen vinden. Nou dan zou het wel niet zo zijn, dachten we nog. Maar het was dus toch waar. Alleen had Lana haar kleintjes heel goed voor ons verborgen gehouden.

Mijn moedergevoelens werden direct geactiveerd toen ik de kleintjes in de tuin zag rondspringen en ik trof maatregelen om de konijntjes – die zich toch al weken zonder mijn bemoeienis prima hadden weten te redden – te beschermen tegen vraatzuchtige katten en roofvogels. Ik was bang dat de mini’s door het gaas zouden glippen naar het terrein van de buren, of nog erger: naar het hondenuitlaatveld achter ons huis. Ik hing het net dat we altijd gebruiken om te voorkomen dat er bladeren in de vijver vallen, zo goed en zo kwaad als het ging in een struik, maar ik was er niet gerust op.

Ik stelde Frans op de hoogte via de app. De hele middag waren we in touw om de konijntjes te vangen. Ik dacht eerst dat het er drie waren, maar er bleken er zes in het hol te zitten, dat Frans voorzichtig had uitgegraven. Telkens als we een konijntje te pakken kregen, sloot ik hem op bij zijn kameraadjes op het toilet, het enige vertrek dat ik hermetisch kon afsluiten.

IMG_20170521_195331 IMG_20170521_175234 IMG_20170521_180318

 

 

 

 

Toen we dachten klaar te zijn, zag ik een klein bruin konijntje onder de heg wegduiken. Hij had een schutkleur en was moeilijk te traceren. In onze zoektocht naar het bruine konijntje vonden we nog een witte, die onder de heg heen en weer rende. Omdat het echt niet lukte deze twee konijntjes te vangen, bedachten we dat ze waarschijnlijk naar het hol zouden terugkeren, als ze dachten dat het veilig was. Daarom legden we een buis in het hol en besloten af te wachten. Een uurtje later zat het witte konijntje met grijze oortjes in de buis en konden we het gemakkelijk vangen. Ik zakte uitgeput neer in een stoel.

Frans was de hele avond in touw om een hok te timmeren in de bijkeuken. Het idee was dat de kleintjes in het hok zouden verblijven en dat Lana er bij zou kunnen om ze te voeden. We moesten dus iets maken waar Lana wel in en uit zou kunnen, maar de kleintjes niet.

Zelfs in het kleine toilet had ik moeite de konijntjes terug te vinden, die zich hadden verschanst onder de toiletpot en achter het afvalemmertje.
In hun nieuwe verblijf zetten we een kartonnen doos met wat oude doeken erover en legden we warm hooi neer. Nu maar hopen dat Lana ze zou blijven voeden. Ik maakte me zorgen over het kleine, bruine konijntje dat vannacht geen eten van zijn moeder zou krijgen en helemaal alleen in het donker zat, zonder broertjes en zusjes en met een kapotgemaakt hol. Hadden we er goed aan gedaan de konijntjes te vangen of hadden we de natuur zijn gang moeten laten gaan?

De volgende ochtend zit het bruine konijntje in de buis in het holletje en kunnen we hem gemakkelijk pakken. Het gezin is compleet: bruintje met de zeven witjes.
’s Middags missen we echter alweer twee konijntjes, die blijkbaar ontsnapt zijn uit het hermetisch afgesloten hok. Hoe kan dat nu? Uiteindelijk vinden we de twee terug. Ze hebben zich uit angst tussen de muur en de verwarming omhoog gewrongen en zitten versteend tegen de muur gekleefd. Het is nog een heel karwei om ze daar weer weg te krijgen.

IMG_20170529_192521 IMG_20170529_190959 IMG_20170525_153605

 

 

 

 

’s Avonds als we thuiskomen van een verjaardag tel ik er maar vijf. Waar is de rest gebleven? We zoeken de hele bijkeuken af en ontdekken dat ze gemakkelijk over het door Frans getimmerde schot heen kunnen springen. Ze verstoppen zich in de kleinste hoekjes en gaten en houden zich muisstil. Al snel hebben we weer zeven konijntjes, maar waar nummer acht is blijft een raadsel.

Stress krijg ik ervan. Ik wil alle acht de konijntjes redden en vind het vreselijk dat we er één kwijt zijn.
We besluiten dat de bijkeuken geen veilige plaats is. We zullen ze verplaatsen naar de keuken. En zo zit ik met mijn neef, die een nachtje bij ons blijft slapen, ’s nachts om één uur nog een nieuw hok in elkaar te schroeven. Als ik eindelijk op bed lig en mijn ogen sluit zie ik allemaal witte konijntjes heen en weer springen.

De volgende ochtend vindt een kleine verbouwing plaats. We verplaatsen de keukentafel en de vier stoelen naar de woonkamer. Maken een groot hok in de keuken, leggen stro op de grond, plaatsen bakjes en doeken waar de konijntjes zich schuil kunnen houden en hopen dat dit voldoende zal zijn. Mijn neef ziet buiten in de tuin nummer acht zitten, hij loopt ernaar toe en grijpt de deugniet bij zijn vel. Een wondertje. We zijn weer compleet.

De kleintjes groeien als kool. In een week tijd zijn ze verdubbeld in omvang, net als hun poepjes, die eerst niet groter waren dan een minuscuul speldenknopje, maar nu toch al de omvang van een flinke peperkorrel hebben.
Voor Lana is het zwaar. Ze is erg mager en futloos, terwijl ze drie keer zoveel eet als normaal. Als ik met haar naar de dierenarts ga, blijkt ze hoge koorts te hebben. Ze denken aan een ontsteking van de baarmoeder. Ze krijgt een ontstekingsremmer, antibiotica en een infuus met een oppepper. Dit moet haar er weer bovenop helpen.

Het is erg mooi om te zien als Lana de jongen voedt. Ze springt het hok in en de kleintjes rennen direct op haar af, ze liggen vechtend en spartelend op hun rug te drinken, terwijl Lana er rustig boven blijft staan. We hebben ontdekt dat ze ze ’s avonds rond elf uur voedt.

Omdat de kleintjes graag buiten zijn, hebben we een ren voor ze gekocht. Ze liepen eerst wat angstig en onwennig rond, maar al snel maakten ze de meest wilde capriolen en zaten lekker gras te knabbelen. Ze zijn erg ondernemend.

IMG_20170601_151108 IMG_20170601_211725 IMG_20170601_211832

 

 

 

 

Een groot deel van de tijd besteed ik aan het knuffelen en verzorgen van de konijntjes die inmiddels namen hebben gekregen: Snow, Cesar, Tommie, Lucca, Lazy, Jumpy, Twinnie en Stripe. Ik ben erg blij met de verrassing van Lana: ze zijn zo schattig.

Mensen vragen wel of we ze alle acht willen houden. Nou, dat denk ik niet. Als ze een week of acht oud zijn, zullen we voor allemaal een fijn tehuis zoeken. Dus mocht je zo’n schattige witbruine hangoor willen, meld je dan bij ons.


 

Tandemvlucht

Het is er dan eindelijk toch van gekomen: ik heb een tandemvlucht in de bergen gemaakt met Frans. Veel mensen denken dat ik regelmatig samen met Frans aan de tandem hang, maar tot nu toe was het altijd bij twee korte liervluchtjes op het veld in Maurik gebleven.
Ik heb een leuk, maar inspannend fietstochtje achter de rug met iemand, die net als ik meer van fietsen dan van paragliden houdt, als we even zitten te kijken bij het landingsterrein van de paragliders. Frans wil nog een rustig tandemvluchtje maken en zoekt een vrijwilliger die met hem mee wil. Dat blijkt geen probleem, er zijn veel mensen die met Frans de lucht in willen. Als ik echter aarzelend lispel dat ik misschien wel mee wil, maakt iedereen ruim baan en moedigt me aan om mee te gaan. Ik twijfel. Ben ik niet te moe? Heb ik niet teveel honger? Is mijn kleding niet te luchtig?

De omstandigheden zijn ideaal wordt me verzekerd. Het zal een rustig avondvluchtje worden. Snel worden voor mij een helm en handschoenen geregeld, ik sprint nog even naar het toilet, prop een mueslireep naar binnen en dan neem ik samen met zeven anderen plaats in het busje dat ons met vliegende vaart omhoog de berg op brengt.

Het busje zet ons na zo’n twintig minuten af bij de startplek waar inmiddels een donkere lucht hangt. Het ziet er dreigend uit. Snel worden de schermen uitgelegd en Frans start één voor één iedereen veilig weg. Dan zijn wij aan de beurt. De startplek ligt er verlaten bij. Alleen wij twee zijn nog over. Frans maakt mijn harnas vast en checkt nog een keer extra of alles goed zit. Dan lopen we de berg af. Met een paar passen hangen we in de lucht en geniet ik van het uitzicht op de steile rotswand onder ons.

In plaats van het rustige glijvluchtje dat me is beloofd, gaan we voor mijn gevoel steeds hoger en hoger. Dat komt blijkbaar omdat er warme dalwind opstijgt. Ik wil echter naar beneden. Ik ben bang om steeds hoger te gaan en denk aan het verhaal waarbij een paraglider in een onweerswolk is gezogen tot een hoogte van 5.000 meter. Shit, denk ik, terwijl ik schuin achter ons een dreigend zwarte lucht zie. ‘Ik wil naar beneden’, zeg ik enigszins paniekerig met een ijl stemmetje, ‘ik ben bang dat we niet meer beneden komen.’ Frans lacht en zegt: ‘er is nog nooit iemand in de lucht gebleven, uiteindelijk kom je altijd weer op de grond terecht.’ Nou ik zal blij zijn als ik weer met beide benen op de grond sta.

We blijven maar rondcirkelen en de mensen op de grond zijn piepkleine stipjes. Ik vraag aan Frans of hij geen ‘oortjes kan trekken’, ik weet namelijk dat dat een techniek is die gebruikt wordt om sneller af te dalen (door al dat gepraat over paragliding denk ik er inmiddels behoorlijk wat vanaf te weten). Frans krijgt ‘de oren’ echter niet goed in het scherm. Normaal helpt de passagier mee door aan de lijnen te trekken, maar die kracht heb ik niet met mijn rechterarm. Dus moeten we gewoon geduld hebben, aldus Frans, die natuurlijk de rust zelve is.

En ja hoor, heel langzaam komt de grond dichter bij, kan ik uit mijn zitje komen en landen we met een kleine plof in het gras, waarbij ik een knielanding maak. Pfff, gelukkig, ik heb het overleefd.

Echt genoten heb ik niet van mijn eerste tandem met Frans, maar ik ga nog wel een keer met hem mee de lucht in. In tegenstelling tot de meeste tandempassagiers, vind ik de start het leukst en niet eng. Ik heb ook geen moeite met de hoogte en geniet van de vergezichten, maar controle freak als ik ben vind ik het vervelend om niet zelf te kunnen bepalen wanneer ik naar beneden ga, om zo afhankelijk te zijn van de omstandigheden, die ook nog eens onverwacht snel wisselen zonder dat je daar iets aan kunt veranderen.

Maar, als ik nog een keer een tandemvlucht maak, zal het met Frans zijn!

IMG_20170510_173840070b3984-de4d-4215-9a0f-be6be58038d9cfc1d836-cdec-468b-9d28-9f4fe00d2ca7

 

Vintgar kloof en de meren van Bled en Bohinje

De volgende ochtend rijden we via de Karawanken tunnel Slovenië binnen. Een klein uurtje later parkeren we de camper in de berm van een smal weggetje aan de rand van een klaterend riviertje. We picknicken op een kleedje in de berm, dan volgen we het pad dat ons naar de Vintgar kloof leidt. Via houten vlonders en smalle bruggetjes worden we over het groenblauwe water van de Radovna rivier geleid, die zich met stroomversnellingen door de smalle kloof perst. Het is hier redelijk druk met toeristen. Het is dan ook prachtig en echt de moeite waard.

IMG_20170502_130933IMG_20170502_130918IMG_20170502_132015

 

 

 

 

Hierna is het niet ver meer naar het beroemde meer van Bled. We kiezen een mooie plaats uit op de camping aan de rand van het meer. In de late middagzon fietsen we een rondje om het meer dat er betoverend uitziet. Ik vind het meer in werkelijkheid nog mooier dan op de foto’s en bekende plaatjes. Het meer heeft helder water en een eilandje met een kerk in het midden. Het water is magisch blauw. ’s Avonds zitten we op een vlondertje boven het meer en kijken hoe de ondergaande zon de wolken en lucht roze kleurt en dit weerspiegelt in het gladde water. Likkend aan een ijsje vind ik dit het toppunt van romantiek.

IMG_20170502_170146IMG_20170504_082738IMG_20170504_194522

 

 

 

De volgende dag rijden we via steile, smalle bergweggetjes naar het meer van Bohinje, dat verscholen ligt in de bergen. We nemen de gondel omhoog naar de berg Vögel vanwaar we een mooi uitzicht hebben op het meer en de omringende bergtoppen met sneeuw. Omdat er boven nog sneeuw ligt, kunnen we hier geen wandeling maken. We eten onze meegebrachte broodjes op en wagen we ons dan aan de afdaling, waarbij we 1.000 hoogtemeters moeten overbruggen. We volgen een supersteil pad over rollende keien, dat het nodige van mijn beenspieren vraagt. Het eerste deel van de wandeling zijn de bomen nog kaal en ligt er nog wat sneeuw op het pad, als we dieper het dal inkomen hebben de bomen pril groene blaadjes en wordt het steeds warmer. Aan het eind van de wandeling koelen we onze voeten in het ijskoude water van het meer.

De wolken hangen laag en het regent een klein beetje als we de volgende ochtend wakker worden. Het meer van Bohinje ligt er dromerig en stil bij zo in de zachte lenteregen. We maken een mooie, relaxte wandeling langs de rand van het meer en nemen een fluisterboot terug (motorboten zijn in verband met de vervuiling verboden). We eten vers gevangen forel bij een plaatselijk eettentje waar we een leuk gesprek hebben met de enthousiaste eigenaar die ons van alles vertelt over het leven in Slovenië en het voormalig Joegoslavië. Na het eten kom ik moeizaam op gang; ik heb spierpijn in mijn heupen van de lange afdaling van gisteren. Als een oude, stramme eend waggel ik naar de auto, terwijl Frans me uitlacht.

IMG_20170503_125746IMG_20170503_121231IMG_20170503_172529

 

 

Via een kronkelende bergweg rijden we langs de randen van Nationaal Park Triglav naar Kobarid, gelegen aan de andere kant van de Julische alpen. Onderweg pauzeren we ergens en eten heerlijke, verse forel. Voor € 7,50 krijgen we elk twee forse forellen op ons bord, daarna toeren we verder. We komen bij een wegomleiding en hebben geen idee meer waar we zijn, maar de route is mooi en dan doen we er gewoon wat langer over, uiteindelijk zullen we er wel komen.

Kobarid is bekend terrein. Hier zijn we vorig jaar al geweest. We fietsten van de camping naar het dorpje om wat inkopen te doen en koken bij de camper, terwijl zich een dreigend, zwarte lucht ontwikkeld. Na een intense regenbui, wandelen we naar de Kozjak waterval, die verscholen ligt in een grot. We trotseren de wiebelende hangbrug over de onwaarschijnlijk blauwe Soca rivier en genieten van de prachtige natuur.

IMG_20170503_162654 IMG_20170503_162332IMG_20170503_162149

 

 

IMG_20170505_175538 IMG_20170505_195556

IMG_20170505_175445

 

 

 

 

De rest van de dag besteedt Frans aan de voorbereidingen van zijn geplande vliegtocht. Morgen wil hij een magische tocht van meer dan 100 km vliegen, dit betekent dat de avond wordt ingevuld met kijken naar de weersvoorspellingen, het bestuderen van de windrichting, de regenkans en de zonuren. Dat de radio wordt opgeladen en afgesteld op de juiste frequentie, dat er mueslireepjes en appelsap worden ingepakt, evenals het plascondoom, de zonnebrandcrème en de zonnebril. De navigatieapparatuur wordt ingesteld, de hoogtemeter gecontroleerd en de kaart van het vlieggebied  wordt nauwkeurig in het hoofd geprent. Tenslotte legt Frans contact met een plaatselijke paraglider om informatie uit te wisselen en te weten te komen hoe hij op de startplek kan komen. Paragliden is nu eenmaal een sport die veel voorbereiding en concentratie vraagt. Morgen is de dag. Dan wil Frans zijn lang verwachte tocht van meer dan 100 kilometer vliegen. Hij zal uren in de lucht hangen en uiteindelijk zal ik hem ergens weer oppikken.

Althans dat was het plan. Maar als we de volgende dag wakker worden blijkt van de weersverwachting weinig te kloppen: de wind is sterker dan verwacht en waait bovendien uit een andere richting. Verder is het zwaar bewolkt en dan is er te weinig thermiek om een verre vlucht te maken. Daarom wordt besloten naar Tolmin te gaan en daar een rustig vluchtje te maken. In mijn opinie typisch voor paragliding: uren bestuderen op het weer waar uiteindelijk natuurlijk weer geen donder van klopt, zogenaamd geweldige omstandigheden die doodbloeden in wachten en teleurstellende glijvluchtjes, het altijd weer op het laatste moment bijstellen van de plannen. Maar dat mag ik natuurlijk niet zeggen. Ik houd wijselijk mijn mond, maar het is duidelijk dat het mijn sport niet is. Ik zou er stront chagrijnig van worden; van die continue wisselende plannen en omstandigheden.
Had ik me net ingesteld op een rustig dagje alleen op de camping, een leuke wandeling uitgezocht en een lekker boek klaar gelegd, belt Frans al om elf uur op of ik hem in Tolmin op wil komen halen met de camper. Dus pak ik alle spullen in, maak de camper rijklaar en rijd rustig via de slingerweg naar Tolmin waar ik net op tijd ben om Frans te zien landen. Na een kopje thee met gebak tuffen we richting Lijak waar cursisten, teamleden en instructeurs van Maurik Paragliding zich aan het verzamelen zijn voor de vliegweek in Slovenië.

DCIM100GOPROGOPR0058.JPG

Fietsen langs de Donau en Wenen

Een fietstocht maken langs de Donau en samen met mijn liefje een bezoek aan Wenen brengen is een lang gekoesterde wens van mij, die eindelijk in vervulling gaat. Het is rustig op de weg als we maandag 24 april rond de middag vertrekken. Filevrij trotseren we de Duitse snelwegen. Rond tien uur ’s avonds arriveren we op een verlaten camperplaats, die er in het donker wat ‘unheimisch’ uitziet, in de op de grens tussen Duitsland en Oostenrijk gelegen stad Passau.

De volgende ochtend kunnen we pas zien waar we eigenlijk terecht zijn gekomen. We staan op een zanderig terrein aan een zijtak van de Donau.
Bij een ontbijt met havermout en banaan maken we onze plannen concreet. Het idee was om de 320 kilometerlange fietstocht in zijn geheel te maken, waarbij we telkens een etappe zouden afleggen, om dan met de trein terug te reizen naar onze camper. Maar in dit deel van het dal is geen trein. De boot over de Donau leek me een romantisch alternatief, maar we komen er – gelukkig net op tijd – achter dat deze pas vanaf 1 mei in de vaart is. Daarom besluiten we om de mooiste stukjes uit de route te pikken en daar een rondje te fietsen.

Frans laadt de fietsen van de camper en we fietsten naar het oude stadscentrum van Passau dat op een schiereiland ligt waar drie rivieren bij elkaar komen: de blauwe Donau (die er in het echt grijsbruin uitziet), de groene Inn en de zwarte Ilze. We bewonderen de beroemde, barokke Stephansdom en drinken koffie met gebak bij een conditorei. Bij het oude Rathaus staat de waterstand door de jaren heen aangegeven. In 2013 stond de hele benedenstad onder water.

IMG_20170425_100953 IMG_20170425_110504 IMG_20170425_110445

 

 

 

 

We sjorren de fietsen weer op de camper en rijden naar de Slögen Slinge waar de Donau een bocht maakt van 180 graden en zich diep in het zachte gesteente heeft geboord. De route voert langs mooie, groene natuur en bloeiende fruitbomen. Via kleine fietspontjes laten we ons af en toe naar de overzijde van de rivier brengen. Er breekt een bleek zonnetje door.

IMG_20170425_133924 IMG_20170425_151327 IMG_20170425_151437

 

 

 

 

De volgende dag slaan we een stukje van de route over en rijden met de camper naar Spitz. We zijn nu in de Wachau, het wijngebied van Oostenrijk waar bekende witte wijnen als Riesling en Grüner Veltlinger vandaan komen. Het is een mooi, glooiend landschap met karakteristieke dorpjes als Spitz, Dürnstein en Krems. We overnachten op een camping aan de voet van het klooster van Melk. We eten asperges en proberen de Grüner Veltlinger van een wijnhuis uit de buurt uit. Een frisse wijn die zelfs Frans lekker vindt.

IMG_20170426_133656 IMG_20170426_133744 IMG_20170426_194711

 

 

 

 

De afgelopen dagen was het bewolkt en fris. Nu zijn de voorspellingen ronduit slecht. Met vijf graden en zware regenval lijkt het ons niet aangenaam om te fietsen, daarom maken we er een culturele dag van. Eerst bezoeken we het immense klooster van Melk met zijn imposante oude bibliotheek, daarna koersen we iets eerder dan gepland naar Wenen. We bezoeken slot Schönbrunn, het keizerlijke paleis van Sissi. Als klein meisje zwijmelde ik bij de romantische film van Sissie en Franz Joseph. In werkelijkheid was Sissi een eenzame en depressieve vrouw, weliswaar beroemd om haar schoonheid en enkellange zwarte haar.

We staan op een echte camperplaats aan de rand van Wenen. We voelen ons met ons Volkswagen busje een dwergje tussen alle reuzencampers. Het regent pijpenstelen en Frans zit te werken achter zijn laptop met zijn dikke winterjas aan. Ik doe de afwas van gisteravond en koop brood bij de plaatselijke supermarkt.

IMG_20170426_191135 IMG_20170427_105327IMG_20170428_090346

 

 

 

 

’s Middags pakken we de metro naar het centrum van Wenen, dat er somber uitziet in de regen. We bezoeken een appartementencomplex dat ontworpen is door de Weense kunstenaar Friedensreich Hundertwasser. Ook brengen we een bezoek aan het Hundertwasser Haus, een museum geheel in de vrolijke, organische bouwstijl die Hundertwasser voor ogen had. Hij liet zich inspireren door de natuur, door organische vormen en spiralen. Zijn werk is kleurrijk en golvend. Ik vind het een intrigerende man met diepzinnige ideeën. Het museum maakt indruk op ons. De vloeren zijn niet gelijk, maar welvend en met oneffenheden net als in de natuur. De muren golven en zijn bedekt met vrolijke mozaïek, overal staan kleurige pilaren en hangen groene planten. Op de balkons en daken staan bomen geplant. Het is prettig verblijven in een door Hundertwasser ontworpen gebouw.

IMG_20170428_145517 IMG_20170428_150400 IMG_20170428_145755

 

 

 

IMG_20170428_180343IMG_20170428_180305IMG_20170428_152944

 

 

 

 

Een beetje gehaast eten we iets in een ouderwets Weens restaurant met tule beklede lampenkappen. Ik ben dan ook verbaasd als ik op het ultramoderne toilet kom waar je dwars door de deur heen kijkt. De sjieke dame die uit het toilet komt ziet mijn verbazing en zegt met een knipoog:  ‘het glas wordt ondoorzichtig zodra je het slot omdraait’.

Om ons echt helemaal onder te dompelen in Weense sferen hebben we kaartjes gekocht voor een klassiek concert. Een primeur voor ons. We krijgen muziekstukken van Mozart en Strauss te horen, inclusief af en toe wat operagezang. Het klinkt prachtig. Je kunt alle instrumenten van het orkest apart van elkaar horen en daarnaast genieten van het samenspel. Ik vind het heel mooi te horen hoe de muziek aanzwelt en dan weer zacht wordt. Alles klinkt in balans en harmonie en dat zonder versterking. Vol bewondering kijk ik naar de paukenist, een jong meisje dat er lustig op los zwaait.

Omdat we voor ons gevoel Wenen nog niet echt kennen, besluiten we nog een dagje in de Oostenrijkse hoofdstad door te brengen. Vandaag is het droog en dat maakt het aangenaam om door de stad te wandelen. We gaan eerst naar de Belvedère, een imposant gebouw, met riante trapportalen, grote, ijzeren ramen en weelderig beschilderde plafonds. Hier huist de collectie van alweer een beroemde Weense kunstenaar: Gustav Klimt. ‘De kus’ is zijn bekendste werk. Het is een soort geschilderde collage met veel goud. Van een afstand lijkt het of er stukjes op een vel papier zijn geplakt, maar van dichtbij zie je dat alles geschilderd is. Zijn latere werk is allemaal in deze voor hem unieke stijl gemaakt. In zijn vroegere werk zie je dat hij iemand zo echt kon schilderen dat het een foto leek. Zo precies en gedetailleerd.

IMG_20170429_120506 IMG_20170429_134907 IMG_20170429_134927


 

 

 

We wandelen op goed geluk wat door de straten van Wenen en komen uit bij de Karlskirche. Een kerk met een grote, groene koepel en twee pilaren waar mensen gezellig op de rand van de vijver zitten met een bekertje koffie. Frans koopt ook een bekertje koffie bij de fietskar in het park. In dit deel van de stad is het minder statig. Er hangt een studentikoos sfeertje en dat klopt want hier is de Technische Universiteit van Wenen gevestigd. In een modern eethuisje lunchen we om vier uur ’s middags met geroosterde groente, knapperige salade en droge, witte wijn.

We sluiten af met het hartje van Wenen; de Stephansdom en de statige winkelstraten. Het is zaterdagmiddag en het ziet zwart van de mensen. We laten ons voortduwen door de massa, maar ik heb hier al snel genoeg van. In een zijstraatje nemen we een yoghurtijsje om even bij te komen van alle drukte, dan pakken we de metro terug naar onze camperplaats. Auf wiedersehen Wien. Frans grapt dat we alleen geen Wiener Schnitzel hebben gegeten.

Omdat we het niet handig vinden om terug te rijden en alsnog een stuk van het traject Passau – Wenen te fietsen, besluiten we de Donau te volgen in de richting van Bratislava, de hoofdstad van Slowakije. In het gebied Donau-Auen, stroomt de Donau door laagland waar het water alle ruimte krijgt. De Donau heeft hier verschillende zijtakken en stroomt door beschermd natuurgebied. We laten ons eerst met een kleine catamaran naar de overkant brengen, dan fietsen we over een hobbelig pad vlak langs de rivier. Het waait stevig, maar de zon schijnt en dat doet ons goed. We fietsen langs sappig groene weiden en grote, oude bomen over een pad waar we eigenlijk niet met de fiets overheen mogen. In de tuinen van kasteel Engelhartstetten drinken we thee op een terrasje en genieten van de geurende seringen. We vervolgen onze weg via een pad met houtsnippers en lieve, witte bloemetjes die de bodem bedekken. Het laatste stuk gaat over een saaie, rechte fietsdijk.

IMG_20170430_134240 IMG_20170430_123643 IMG_20170430_122940

 

 

 

 

We rijden nog een stuk in de richting van zuid Oostenrijk en ergens in de buurt van Graz zoeken we een camping. In een gehucht vinden we een verrassend goed restaurant met lokale spijzen. Helaas zijn er nog geen asperges; daarvoor is het te koud en te nat geweest.

De volgende ochtend gaan we eerst tanken, want de diesel is het goedkoopst in Oostenrijk. Bij de benzinepomp treffen we, Pavel en Asie, twee Poolse dokters in opleiding die in Warschau studeren en liftend op vakantie zijn. We nemen ze mee naar Klagenfurt aan de Wörthersee. Het is hier mooi en we besluiten hier een nachtje te blijven. Ik voel me direct thuis op de camping met grote bomen en weiden vol madeliefjes waar we onze camper ergens tussen parkeren. Na een lunch in de zon, bestijgen we onze fietsen en volgen de bordjes met een fietsroute. We raken echter al snel het spoor bijster en kiezen daarom zelf maar onze route langs het meer. Het is jammer dat er een grote weg langs loopt en er aan het water veel particulier terrein is, zodat je geen zicht hebt op het meer. We vinden echter een mooi plekje waar we met onze voeten in het water kunnen, dat ijskoud is.
’s Avonds willen we naar het oude centrum van Klagenfurt fietsen, maar geheel tegen onze verwachting in, begint het keihard te plenzen en kiezen we voor een eenvoudige pastamaaltijd in onze camper.

IMG_20170430_150316 IMG_20170501_165100 IMG_20170501_164712

 

 

 

Wordt vervolgd.

Zeg me dat het niet zo is

Niet schrikken hoor, want alles is goed met mij.

Zeg me dat het niet zo is 
Zeg me dat het niet zo is 
Zeg me dat het niet waar is

Ga je mee vanavond naar ons lievelingsrestaurant 
Een tafel voor twee 
Ik heb gebeld, ze weten ervan
En we drinken totdat de zon opkomt 
En we vergeten 
De oneerlijkheid van het lot 

Zeg me dat het niet zo is 
Zeg me dat het niet zo is 
Zeg me dat het niet waar is

Kom we gaan trek je jas aan 
Anders wordt het te laat 
Kom eens hier 
Ik houd je vast Ik laat je nooit meer gaan 
En ik vertel je een grap die je laat huilen van de lach 
En we vergeten 
De blikken van de mensen in de stad 

We doen net alsof het niet zo is 
Alsof het niet zo is 
Alsof het niet waar is 

We doen net alsof ze gewoon verder leeft 
Alsof ze gewoon verder leeft

Zelfs als het niet zo is

 

Dit nummer van Frank Boeijen zat in mijn hoofd toen ik enige tijd geleden pijn in mijn onderrug had. De pijn was niet heftig, maar was wel irritant en nadrukkelijk aanwezig. Toen ik mijn lymfetherapeut terloops vertelde dat ik zo’n zeurend pijntje in mijn rug had, zag ik aan haar ogen dat ze schrok. Ze bleef professioneel rustig en suggereerde dat het verstandig was om even contact op te nemen met de oncologie verpleegkundige. Ik wist dat ze dacht aan metastasen (uitzaaiingen). De woorden van mijn oncoloog dreunden in mijn hoofd: ‘vrouwen met borstkanker die pijn in de rug krijgen, moeten – zelfs na tien jaar – niet naar de fysiotherapeut maar naar ons toe komen!’

Hoewel ik diep vanbinnen eigenlijk wel wist dat het waarschijnlijk gewoon wat spierpijn was, ging mijn hoofd ermee aan de haal. Ik bedacht dat ik mijn onderrug moeilijk kon buigen en dat dat waarschijnlijk kwam door de uitzaaiingen die daar aan het woekeren waren. Ik kon eigenlijk niet geloven dat dat echt zo zou zijn, maar dat was geen garantie dat het ook daadwerkelijk niet waar was, zo realiseerde ik mij.
Stel dat ik metastasen in mijn botten heb, zo peinsde ik, dat zou mijn hele wereld op zijn kop zetten, mijn toekomstperspectief met één klap omver gooien, mijn plannen om lezingen en workshops te geven doorkruisen. Het idee van uitzaaiingen zette alles op losse schroeven.

Ik belde met de oncologie verpleegkundige om mijn twijfels voor te leggen. ‘Ik wil eigenlijk weten dat het niet waar is’, zei ik. Ze aarzelde geen moment en stelde een botscan van het hele skelet voor. Hopelijk kunnen we met de botscan bevestigen dat alles goed is, zei ze, en dan kun je daarna rustig naar de fysio met je rugklachten. Ik was erg blij met haar daadkrachtige voorstel. Gewoon even een botscan laten maken om te bevestigen dat alles goed is, dat was precies wat ik nodig had.

Ik moest denken aan twee en half jaar geleden. Toen moest ik nog voor de botscan naar Arnhem. Ik herinner me dat ik het één van de heftigste dagen vond, omdat ik toen nog niet wist of de kanker was uitgezaaid naar andere delen van mijn lichaam. Toen was een ziekenhuisbezoek voor mij nog beladen en zag ik op tegen het onderzoek. Nu – met al mijn ervaring – draai ik mijn hand niet meer om voor een botscan. Eerst een injectie met radioactieve vloeistof, dan thuis even rusten op de bank en veel water drinken en dan terug voor de scan met gammastraling. Een grote, zacht zoemende plaat nadert mijn gezicht tot op een centimeter en glijdt dan vanaf mijn schedel langzaam over mijn skelet naar beneden naar mijn voeten.
Het is niet zo dat ik me op een botscan verheug, maar ik vind het ook niet vervelend. Het personeel is heel vriendelijk en inmiddels ken ik veel medewerkers die altijd bereid zijn even een praatje te maken, dat maakt het bijna gezellig.

In de gang kwam ik bij toeval mijn oncoloog tegen die me vriendelijk groette en me vroeg wat ik hier kwam doen. ‘Nou’, vertelde ik: ‘ik kom voor een botscan’. Hij vroeg of ik me veel zorgen maakte. ‘Ik heb eigenlijk het gevoel dat alles goed is’ zei ik: ‘maar ik heb pijn in mijn rug en ik weet natuurlijk niet hoe het voelt om uitzaaiingen in mijn botten te hebben.’ Ik zag hoe hij z’n ogen een beetje dichtkneep en me bedachtzaam aankeek. Nu is hij aan het inschatten hoe mijn kansen liggen dacht ik.
Ik greep deze onverwachte ontmoeting aan om hem te vragen naar zijn advies over het middel Zoledroninezuur, een bisfosfonaat die wordt ingezet om de kans op uitzaaiingen naar de botten te verkleinen én om osteoporose te voorkomen. ‘Doen’, zei hij resoluut. Mmm, zei ik: ‘als ik het goed begrepen heb, verkleint het de kans op uitzaaiingen naar de botten met twee procent, dat vind ik wel weinig. Dus het werkt maar bij twee van de honderd vrouwen klopt dat?’ ‘Ja’, zei hij: ‘dat is niet veel, maar ik zou het doen tegen de osteoporose. Anders heb je straks als je zeventig bent ingezakte wervels. Je bent tenger én je krijgt hormoontherapie; dubbele kans op osteoporose’. Ik vond het geruststellend dat hij blijkbaar dacht dat ik de zeventig zou halen en zich zorgen maakte over mijn – tegen die tijd – mogelijk ingezakte wervels.

Ik merkte dat de ontmoeting me goed had gedaan. Het was heel prettig om zelfs na twee jaar herkend te worden door de oncoloog die me heeft behandeld, ook al heeft hij me misschien in totaal maar vier keer gezien. Je krijgt het gevoel dat jouw persoonlijke belang telt. Dat je wordt gezien als mens achter de ziekte.

De uitslag van de botscan kregen we een week later. Toen we samen in de wachtkamer van het ziekenhuis zaten vroeg Frans of ik zenuwachtig was. Dat was ik – tot mijn eigen verrassing – eigenlijk niet. Misschien kwam dat ook door de droom die ik ’s nachts had gehad. Hoewel de oncologie verpleegkundige in de droom vertelde dat ze iets kleins hadden gevonden in mijn onderrug, was ik heel rustig onder deze mededeling en voelde het als goed nieuws.

‘Alles is goed’, zei de oncologie verpleegkundige. Ze hadden alleen een kleine scheefgroei, een scoliose, in mijn onderrug ontdekt. Door de opluchting van de uitslag van de botscan, vergat ik te vragen of die scoliose er drie jaar geleden ook al had gezeten of dat het iets was wat zich recent had ontwikkeld. Ik bedacht dat de osteoporose misschien al in gang was gezet en dat mijn eerste wervels al aan het verzakken waren. Toch maar weer eens opnieuw overwegen of ik de behandeling met Zoledroninezuur wil ondergaan. Maar eerst op fietsvakantie langs de Donau en met mijn liefje naar Wenen.

Vrolijke Paasdagen!

IMG_20170413_131222 IMG_20170413_132306

Steunkous

Lange tijd heb ik gedacht: ‘als ik maar geen steunkous hoef’. Het leek me verschrikkelijk om altijd met zo’n stijve, ingepakte arm rond te moeten lopen en ik deed er alles aan om te voorkomen dat ik een steunkous nodig zou hebben. Maar doordat ik meer last kreeg van lymfevocht in mijn arm, groeide langzaam het idee dat een therapeutische elastische steunkous (TEK) misschien toch iets voor mij zou kunnen zijn. Inmiddels zie ik de steunkous meer als een handig hulpmiddel dan als iets waartoe ik veroordeeld ben zonder dat ik het wil.

Ik maakte een afspraak bij de bandagist om een steunkous aan te laten meten. Met de verwijzing van mijn specialist in de hand betrad ik de als huiskamer ingerichte ruimte en nam plaats op één van de eikenhouten stoelen. Op tafel lag een hoogpolig groen tafelkleed met witte bloemen erin geweven. Aan de muren hingen bh’s met borstprotheses.
De ontvangst was vriendelijk en na een kopje thee, werd mijn arm op zes verschillende punten opgemeten. Het opmeten komt heel precies, want de steunkous moet perfect passen. Is de kous te wijd dan zakt hij naar beneden. Is de kous te krap dan knelt de arm af en komen er striemen.

Toen de bandagiste vertelde dat de kous standaard in huidskleur wordt geleverd, vroeg ik of ze geen leuke kleur hadden. Ze keek me verbaasd aan. Dat had nog nooit iemand gevraagd. Iedereen had altijd gewoon de huidskleur kous genomen. Even later kwam ze terug met een folder en bleek dat er wel degelijk frisse, vrolijke kleuren beschikbaar zijn voor een steunkous.
Ik vind huidskleur gewoon een lelijke, saaie kleur en ik heb niet de illusie dat je de huidskleur kous niet zal zien zitten. Ik vind het trouwens prima als de kous zichtbaar is en dan is het wel zo leuk om een vrolijke kleur te hebben. Ik krijg twee steunkousen die ik afwisselend aan kan doen. Ik koos voor zwart en felroze.

Twee weken later werd ik gebeld. De zwarte steunkous was klaar, maar de felroze was helaas niet meer leverbaar. Nog dezelfde dag reed ik naar Gendringen om de steunkous op te halen. Eerst kreeg ik een demonstratie hoe de steunkous aan en uit te trekken. Om de kous aan te trekken moet ik eerst een gladde, groene zak over mijn arm trekken, daarna moet ik een rubber handschoen aandoen en dan pas kan ik de strakke, zwarte kous over de groene zak heentrekken. De kous moet mooi aansluiten bij de oksel en de pols. Als de kous op z’n plaats zit, moet ik met mijn gehandschoende hand de kous op zijn plaats houden en kan ik met mijn voet de groene zak eronder uit trekken door deze in een lus te steken en mijn been te strekken. Ik vond het eerst een hele toer, maar het went snel.

De bandagiste en de eigenaresse kwamen beiden vertellen dat ze het zo leuk vinden dat ik graag een kleurige kous wil hebben. De meeste mensen willen hun kous het liefst zo min mogelijk laten opvallen. Ik ga mijn kous met verve dragen, als een mooi kledingstuk.
Er waren die ochtend staaltjes binnengekomen van de nieuwe kleuren van 2017. Ik koos voor de kleur ‘deep aqua’.  Een mooie groenblauwe kleur. Als service zal de kous worden thuisgestuurd. Tevreden rijd ik huiswaarts.

Als ik thuiskom is mijn hand een beetje rood en dik, de kous knelt en mijn arm doet zeer. Ik denk dat mijn lichaam nog even moet wennen aan de constante druk die het rubber weefsel uitoefent op mijn lymfevaten. Als ik de kous afdoe zitten er allemaal striemen in mijn arm en ik vraag me af of dat zo hoort. Die avond moet ik opvallend vaak plassen en voelt mijn arm slank en licht aan. De kous lijkt nu al te helpen.

IMG_20170403_185852Ik probeer de steunkous nu iedere dag een uurtje te dragen. Ik vind het vreselijk beroerd zitten. De hele arm voelt stijf en stram aan en het knelt bij de elleboog, maar het helpt verbazingwekkend goed. Als ik de kous af doe, is de arm soepel en dun. Zo dun is mijn arm na de operatie nog niet geweest. Een handig hulpmiddel die steunkous. Laat de zomer maar
komen.

IMG_20170403_185943IMG_20170403_185951IMG_20170403_190037

Anders in het leven staan

Heeft de kanker je veranderd? Sta je nu anders in het leven dan voordat je ziek werd? Intrigerende vragen die mensen me soms stellen en waar ik niet direct een duidelijk antwoord op heb. Ik ben geneigd om nee te zeggen. Ik voel me niet wezenlijk anders dan voordat ik ziek werd en ook vrienden bevestigen dat de ‘oude, vertrouwde Dorothé ‘ weer helemaal terug is. Ik heb mijn levensstijl niet aangepast, ben niet ineens anders gaan leven of veel gezonder gaan eten, misschien eerder een tikkeltje ongezonder, want mijn gezonde levensstijl heeft niet kunnen voorkomen dat ik kanker heb gekregen. Toen ik kanker kreeg had ik een optimaal lichaamsgewicht, een goede conditie, wandelde ik dagelijks in het bos en at al jaren zoveel mogelijk onbespoten, biologische groenten en fruit en vlees zonder hormonen. Ik weet zeker dat ik mijn kans om opnieuw kanker te krijgen niet ga verkleinen door nog gezonder te leven. Daarin valt geen winst te boeken voor mij. Ik geloof niet in eenzijdige wonderproducten die kanker kunnen voorkomen of zelfs genezen zoals groene thee, kurkuma of voedingssupplementen om er maar een paar te noemen, waarin sommige (ex)kankerpatiënten hun heil zoeken, daarvoor is kanker een veel te complexe ziekte. Zoals gezegd leef ik eerder een tikkeltje ongezonder en dat brengt me toch op een verandering die mijn kern raakt. Ik leef meer volgens het motto ‘pluk de dag’. Geluk op de korte termijn is belangrijker geworden dan geluk op de lange termijn. Als ik nu kan genieten van iets aangenaams zal ik dat niet nalaten, wat er later gebeurt zien we dan wel weer, dat is nog zover weg. Ik leef meer in het NU en dat is bijzonder aangenaam. Veel mensen die kanker hebben gehad, zeggen dat de angst dat het terugkomt altijd bij hen blijft en dat ze met die angst om moeten leren gaan. Bij mij is dat anders. Hoewel mijn kansen om aan kanker te sterven groter zijn dan voorheen, ben ik minder bang geworden om er aan dood te gaan. Voordat ik kanker kreeg was ik soms krampachtig bezig om te voorkomen dat ik ziek zou worden en was ik bang om dood te gaan. Ik focuste op al het onheil dat een mens kon overkomen en zag overal in mijn omgeving ellende door ziekte en dood. Nu zie ik nog steeds regelmatig mensen in mijn omgeving die worden getroffen door ziekte of dood, maar het maakt me niet meer bang en ik kijk er niet meer vol afschuw naar. Ik accepteer het meer als intense, diepgaande gebeurtenissen in het leven die ook een bepaalde schoonheid in zich hebben. Ik kijk ernaar met andere ogen. Ook mijn eigen sterfelijkheid is iets waar ik vrede mee heb. Ik weet niet welke levenstijd mij nog rest, maar ook als deze kort blijkt te zijn, kan ik dat denk ik wel aanvaarden. Dat komt ook omdat ik heel tevreden ben met mijn leven tot nu toe. Ik leid een gezegend leven. Voor nu zou ik zeggen: ‘maak er een leuke dag van!’  IMG_20170227_120754

Zon, sneeuw en plezier

Vrijdag 24 februari vertrekken we richting de Dolomieten voor een skivakantie met mijn zwager, schoonzus en hun drie kinderen. Gelukkig is er van de storm en de heftige regenbuien van de avond tevoren niets meer te merken. Onder een stralend blauwe lucht doorkruisen we de Duitse Autobahn. De Tomtom signaleert diverse verkeersopstoppingen en loodst ons via een alternatieve route richting Heilbronn. Aangezien het in de avondspits overal druk is besluiten we de stad in te rijden om een hapje te eten. We parkeren de auto en lopen langs de grote kerk, een aantal leuke winkels en vinden aan de rand van de rivier een Italiaanse pizzeria waar ze verse pasta en pizza bereiden. We lopen nog een blokje om en vervolgen dan onze route richting Ulm waar we de nacht doorbrengen in een familiehotel waar we mijn zwager en schoonzus met hun kinderen ontmoeten. Na een uitgebreid ontbijt vervolgen we onze tocht, waarbij de tomtom ons een andere route adviseert dan de google maps navigatie van mijn zwager. Hierdoor lukt het helaas niet om gezamenlijk te lunchen. Hoewel het schoolvakantie is in Nederland en ik me had voorbereid op een helse tocht met lange files, valt de verkeersdrukte enorm mee. We rijden een alternatieve route langs bevroren
IMG_20170225_123951bergmeren en vers besneeuwde bomen. Sprookjesachtig. Het schiet niet erg op, maar dat vinden we niet erg. We strijken neer op een terrasje met uitzicht op een blauw meer. Het is zonnig en ik grap dat ik moet uitkijken om niet al te verbranden voordat we überhaupt zijn aangekomen op de plaats van bestemming. Ons neefje appt ons ‘dat hij de druk niet wil opvoeren, maar dat papa en mama al op het terras van ons appartement zitten te genieten’. Wij komen ruim anderhalf uur later aan. Ik heb genoten van de rit door de bergen. Duidelijk is dat er heel weinig sneeuw ligt, alleen de pistes zijn wit. Het is fijn om weer terug te zijn in Pozza di Fassa, een klein dorpje gelegen in het Fassa dal in de Dolomieten. De mannen halen bij Joey’s Pizza twee reuzen pizza’s die we met z’n allen verorberen.

Het is een stralende dag en we besluiten optimaal te profiteren van de sneeuw en de zon. We rijden naar de Carezza pas op 1.700 meter en beginnen de skivakantie met cappuccino en ‘apfelstrudel mit vanillesauce’.  Mijn schoonzus en ik maken een wandeling door de omgeving en de rest gaat met de stoeltjeslift omhoog om te skiën. Een goed begin is het halve werk.
IMG_20170227_120754Dinsdag rijden we naar het skigebied dat Passo Pellegrino heet en dat op 1.900 meter ligt. Terwijl de rest gaat skiën, maak ik een ontroerend, mooie wandeling door de sneeuw naar de Fucia hut. Het landschap is imposant en doet me denken aan Nepal. Ik voel me zo blij dat ik dit mag meemaken en dat ik dit weer kan. Op de terugweg voel ik me ineens uitgeput. IMG_20170227_124931Misschien was het toch een beetje te veel. Terug bij het beginpunt van de wandeling, plof ik neer in een ligstoel en laat me verwarmen door de zon, terwijl ik een dutje doe. Het leven is goed.
Als ik mijn ogen open doe, zie ik een steile, witte helling waar in een rustig tempo twee skiërs swingend en hangend in de bochten naar beneden IMG_20170227_130125komen. Even ervaar ik weer dat heerlijke gevoel, dat kleine zwiepje dat je krijgt als je een bocht maakt met skiën, het gevoel alsof je zweeft over de piste. Wat zou ik dat gevoel graag nog eens willen meemaken. Hoewel ik me vast heb voorgenomen niet meer te gaan skiën, omdat ik niet het risico wil lopen om mijn arm te blesseren, begint het – geheel IMG_20170227_131352tegen mijn eigen verwachting in – toch weer te kriebelen.
Dan zie ik een stel stralende kindergezichten. Mijn nichtjes en neefje vertellen opgetogen hoe heerlijk ze hebben geskied. ’s Avonds gaan we uit eten bij onze favoriete pizzeria en proberen de tiramisu uit.

Dinsdag sneeuwt het en we maken er een luie dag van. We kletsen, doen een spelletje, lezen een boekje en gaan dan lunchen bij Soldanella; een restaurant langs de skipiste. Met Frans en mijn schoonzus maak ik door de vallende sneeuw nog een wandeling naar een hut. Ik voel me de hele dag al moe en in de loop van de middag komt een irritante IMG_20170228_154822hoofdpijn op zetten. De volgende dag voel ik me nog niet fit en ik besluit een dagje rustig aan te doen. Terwijl Frans al vroeg vertrekt om de Sella Ronda te skiën en de anderen naar de Carezza pas rijden, instaleer ik mezelf in een ligstoel op ons terras. Ik geniet van het uitzicht. Alles is bekleed met een zacht, wit tapijt. De lucht is blauw en de zon al verrassend warm. Even vitamine D opsnuiven. Begin van de middag krijg ik eenIMG_20170301_093438 appje van Frans: zijn tocht van zo’n veertig kilometer verloopt vlot en we maken ergens op de route een afspraakje om elkaar te ontmoeten. Ik rijd er met de auto naar toe en loop het laatste stukje door de sneeuw. Iets over drieën kijk ik in het lachende gezicht van Frans. Hij heeft zo genoten van zijn tocht. Op de terugweg in het dorp stoppen we bij de skiverhuur. Even later kom ik naar buiten met skischoenen, ski’s, stokken en een helm. Ik ben er helemaal klaar voor. Morgen ga ik het weer proberen. Ik ga het gewoon doen.
Ze zijn allemaal verheugd dat ik weer ga skiën en ik word flink in de watten gelegd. Speciaal voor mij gaan we weer naar Passo San Pellegrino, omdat daar de lekkerste blauwe afdalingen zijn. Frans draagt mijn ski’s en mijn zwager maakt mijn schoenen vast. Ik maak me enigszins zorgen of ik het nog wel kan na drie jaar afwezigheid. Mijn schoonzus verzekert me dat het net zoiets is als fietsen; als je het eenmaal kunt verleer je het niet. En ze blijkt gelijk te hebben. Bibberden mijn benen nog een beetje onhandig bij het in- en uitstappen van de stoeltjeslift, eenmaal boven op de piste weten mijn benen precies wat ze moeten doen. Het voelt niet eens onwennig.
IMG_20170302_124337De omstandigheden zijn optimaal: verse poedersneeuw, zon, mooie pistes en natuurlijk mijn aanmoedigende familie. Beter dan dit gaat het niet worden. Ik geniet intens van het weer op de ski’s staan. Heerlijk om zachtjes naar beneden te zoeven. Mijn benen en voeten doen zeer, ik heb hoofdpijn van de inspanning, ik ben kapot, maar wat maakt het uit: I did it!
Ik rust wat uit in een restaurantje langs de piste en na de lunch ga ik opnieuw mee naar beneden. Als de anderen al beneden op een terrasje zitten, ga ik nog eenmaal omhoog. Gewoon omdat het zo lekker is.

De volgende ochtend ga ik weer mee met skiën. Het wordt nu alweer gewoner. We maken met z’n allen een tochtje en er zitten ook wat moeilijkere stukken bij. Ik ben veruit de langzaamste van de groep en Frans merkt op dat mijn streberige ik weer naar boven komt, als ik hier tegen hem een opmerking over maak. Ik kan er maar beter aan wennen, want het is gewoon een feit dat ik een langzame skiër ben. En zoals mijn neefje zegt: ‘het gaat erom, was het leuk?’ Ja, het was leuk. Super leuk.

Als afsluiting van de geslaagde vakantie nemen we in de zon een uitgebreide lunch, daarna pakken we de spullen in en vertrekken huiswaarts. Een dag eerder dan gepland vanwege de voorspelde sneeuwval in het weekend. Het lijkt een goede keuze. We hebben goed weer om te rijden en het is niet druk op de weg. Net als op de heenweg overnachten we in het familiehotel in Ulm. Zaterdagochtend scheiden zich onze wegen en rijden we de laatste etappe naar huis. Bedankt lieve familie voor deze heerlijke vakantie!

 

Dikke arm

De afgelopen weken heb ik bijna ongemerkt een steeds dikkere arm gekregen. Eerst kreeg ik een harde, rode plek op mijn bovenarm, daarna zwol mijn onderarm op en op een ochtend werd ik wakker met een dikke, stijve hand. Nu ben ik wel gewend dat mijn rechterarm af en toe opzwelt van het vocht, maar tot nu toe kon ik dat met oefeningen altijd zelf weer wegkrijgen. Ik heb een heel lijstje met oefeningen die ik elke ochtend nog voor het aankleden netjes afwerk en ’s avonds in bed masseert Frans mijn arm om het vocht via de rug en de schouders af te voeren. Maar nu kreeg ik het vocht niet meer weg.
Dus contact opgenomen met de lymfetherapeut. Om te beginnen meet zij om de vier centimeter mijn beide armen op en stopt de gegevens in de computer. Mijn rechterarm is flink in omvang toegenomen sinds de laatste meting in juli en dat betekent meer vochtophoping. De uitslag is: sterk lymfoedeem. Gelukkig verwacht de lymfetherapeut dat ze mijn arm met massage en taping wel weer redelijk slank kan krijgen. Ik krijg nu twee keer per week een lymfedrainage massage en mijn rug en arm worden ingetaped om de vochtafvoer te bevorderen.
Ik word van de behandeling heel erg moe en ben die dag nauwelijks tot iets in staat. Maar voor het goede doel heb ik dat er graag voor over.

Na de eerste twee behandelingen is mijn arm echter nog meer opgezwollen en ik voel me net een Michelin mannetje: ik kan de arm nauwelijks meer buigen. Voor het eerst verlang ik naar een TEC, een elastische kous, een hulpmiddel waar ik eerst echt niet aan moest denken. Door het vocht ontstaat een hoge druk in het weefsel wat een bijzonder onaangenaam gevoel geeft, de TEC geeft tegendruk en daardoor verlichting.

De lymfetherapeut legt uit dat door de operatie en de bestraling mijn lymfevaten kapot zijn gemaakt. Op een poster toont ze het lymfevaten stelsel van het menselijk lichaam en ik begrijp dan wel waarom de afvoer van het vocht blokkeert. De buik, de oksels en de liezen zijn de hoofdwegen van het lymfestelstel en bij mij is de totale hoofdweg van de rechterarm afgesloten. Het vocht moet zijn weg vinden via minuscule vaatjes die waarschijnlijk door de bestraling ook nog stuk zijn gegaan. De lymfevaatjes zijn heel teer en kunnen door druk van buitenaf gemakkelijk dicht gedrukt worden. Daarom raden ze aan om geen rugzak te dragen, slaap ik altijd op mijn linkerzij en ben ik beducht voor mensen die me vriendschappelijk op mijn schouder slaan.

De toevoer is in tact, maar de afvoer is grotendeels geblokkeerd. Daarom is het verstandig om de toevoer te beperken. Dit betekent bijvoorbeeld mijn arm zo min mogelijk blootstellen aan zon,  warmte, extreme kou of temperatuur wisselingen. Maar ook statische belasting van de borstspier, zoals het dragen van een boodschappen tas of het tillen van een zware doos wordt afgeraden. Bewegen maar niet belasten is het devies. Beweging stimuleert de afvoer van het vocht. Het goede nieuws is dan ook dat ik wel voorzichtig mag tennissen en tafeltennissen met de arm, hardlopen is prima en zwemmen wordt sterk aanbevolen. Van de week toch maar eens een duik nemen in het overdekte zwembad bij ons in de buurt.

Het grootste risico op een dikke arm komt echter van virussen en bacteriën. Waarschijnlijk is het griepvirus dat ik in januari heb opgelopen de boosdoener. Een simpele verkoudheid, een ontsteking aan je kies of een wondje aan je vinger kan al lymfeoedeem uitlokken. Het dragen van huishoudhandschoenen wordt gepropagandeerd en kwetsuren aan de arm moeten zoveel mogelijk worden vermeden. Tenslotte is vliegen door het drukverschil ook een risico om het oedeem te laten toenemen.

Ik heb ergens gelezen dat lymfeoedeem progressief is en ik vraag aan de lymfetherapeut hoe dat zit. Het blijkt dat als je last hebt van vocht dat niet kan worden afgevoerd, er een hoge druk ontstaat in de lymfevaten waardoor de in het vocht aanwezige eiwitten door de vaatwand naar buiten worden geperst. De eiwitten komen in je onderhuidse weefsel terecht en kunnen niet meer terug de lymfevaten in. In de loop der tijd vindt er een opstapeling van eiwitten plaats, dat zorgt voor een verharding van het weefsel, waardoor de afvoer van het vocht nog verder wordt bemoeilijkt. Ik was nogal verbaasd dat het lichaam de eiwitten niet opruimt, maar daar gewoon laat zitten.
In het beginstadium kunnen de eiwitten nog worden verdeeld door massage en kan de arm weer soepel worden, als het echter al te ver gevorderd is dan is de verharding blijvend. Gelukkig ben ik er op tijd bij en zijn de verwachtingen goed.

Expeditie versus pelgrimstocht

Mijn vriendin is overgeplaatst naar een revalidatie kliniek. Toen ik de eerste keer binnenkwam, moest ik wel even slikken toen ik bij de entree een rijtje ouderwetse rolstoelen zag staan op bruine vloerbedekking en een grote ronde tafel met daarom heen allemaal mensen in een rolstoel. Ik voelde direct een grote weerstand opkomen. Ik wilde hier helemaal niet zijn. Dat kwam waarschijnlijk omdat ik me voorstelde hoe ik het zou vinden om hier noodgedwongen te moeten verblijven. Vooral dat noodgedwongen is bij mij een triggerpoint.

Bij mijn tweede bezoek keek ik er al weer heel anders tegenaan. Frans en ik waren blij verrast mijn vriendin in de woonkamer aan te treffen. Ze zat in actieve houding in haar rolstoel en bladerde wat door een tijdschrift. Dat was een heel ander gezicht dan twee weken geleden in het ziekenhuis toen ze nog slap in haar rolstoel hing en me apathisch aankeek. Met tranen in haar ogen van blijdschap en ontroering, vertelde ze ons, dat ze vandaag weer had ‘gelopen’. YES, dacht ik, dit gaat de goede kant op. Uit haar verhaal maakte ik op dat het ging om lopen in een loopbrug, waarbij je met je armen op steunen hangt en het verlamde been wordt ondersteund door een spalk.

Ze vroeg naar onze vakantieplannen en vertelde dat ze hún vakanties hadden moeten annuleren, maar dat ze uitkeek naar de pelgrimstocht. Ik vroeg welke pelgrimstocht ze bedoelde. Nou, die naar Santiago de Compostella. Die wil ik gaan lopen. Ja, dacht ik trots, en dan lopen wij met je mee. Ik vind het knap, ze heeft zich een doel gesteld, ook al weet ze helemaal niet of ze ooit zover zal komen.

Op de terugweg in de auto mijmerde ik dat een pelgrimstocht eigenlijk heel toepasselijk is voor de situatie waar ze nu in zit. In tegenstelling tot mijn eigen reis, een grillige expeditie vol hoogte- en dieptepunten, met veel klimmen en dalen, is zij begonnen aan een lange, gelijkmatige voettocht, die ze letterlijk en figuurlijk stapje voor stapje zal moeten volbrengen. Een lange, zware reis ligt voor haar en het zal discipline, geduld en volharding vergen om door te gaan en de moed erin te houden. Gelukkig zijn dat eigenschappen die mijn vriendin in grote mate bezit.
Een pelgrimstocht betekent loslaten, niet alleen het dagelijks ritme, ook je  familie, je thuis, je leefwereld en je eigen gewoonten laat je tijdelijk achter je. Een pelgrim stapt gedurende enkele weken of maanden uit het gewone leven en leeft letterlijk langs de kant van de weg. Ook hier is er een parallel met de situatie waar mijn vriendin nu in zit. Ze heeft alles achter zich moeten laten wat haar dierbaar is, weg van huis, weg van haar gezin, weg uit haar leefwereld, om de onbekende wereld van het revalidatiecentrum binnen te treden.
Het ritme in het revalidatiecentrum is traag en rustig als het ritme tijdens een pelgrimstocht. Het leven is er eenvoudig en teruggebracht tot haar essentie: ademen, eten, oefenen en slapen. Maar met elke stap voorwaarts, hoe klein ook, komt ze dichter bij haar eindbestemming.

Ja, die pelgrimstocht naar Santiago de Compostella is een mooi doel en een goede stimulans, maar haar échte pelgrimstocht is al begonnen op het moment dat het bloedpropje de ader in haar hersenen afsloot. De lange weg naar herstel is haar eigenlijke pelgrimstocht, de tocht die zij moet afleggen. Wij kunnen slechts af en toe een stukje met haar meegaan, haar aanmoedigen door te gaan, de eindbestemming voor ogen te houden, maar zij zal het moeten doen. Het is haar tocht. De toekomst en de uitkomst zijn onzeker, maar elke reis begint bij de eerste stap en die heeft ze al gezet.

weg inslaan

Gewoon

Het leven wordt weer langzaam gewoon voor mij en dat is een goed teken. Borstkanker is geen gespreksonderwerp meer. Ziek zijn is niet meer mijn wereld. Toch vind ik dat heel soms ook een beetje jammer. In het licht van de dood lijkt het of het leven iets magisch krijgt. Alsof het leven meer glans heeft. Alles lijkt intenser en waardevoller op het moment dat je je realiseert dat het leven eindig is. Elke dag is een geschenk die je zo goed mogelijk wil benutten. Tijd is kostbaar en helpt je om bewuste keuzes te maken. Ik heb dit echt zo ervaren en voelde me intens dankbaar en blij dat ik leefde. Toen de gewoonste dingen niet meer vanzelfsprekend waren, leek het alsof ik vanuit een ander perspectief naar de wereld keek, alsof ik het leven meer kon waarderen. Nu het leven weer gewoner wordt, spring ik geen gat meer in de lucht als ik boodschappen ga doen, doe ik geen vreugdedansje meer dat ik gewoon op de fiets kan springen en de wind door mijn haren voel waaien. Nu mijn vrienden zeggen dat de oude, vertrouwde Dorothé weer terug is, ben ik soms ook gewoon chagrijnig als ik de vaatwasser uitruim of de keutels van Lana moet opruimen. Het leven lijkt wat doffer. Gewoner.

Gisteren ben ik bij mijn vriendin met het herseninfarct op bezoek geweest. Het was een confronterend weerzien. Ik realiseerde me in één klap dat voor haar niets meer gewoon is. De kleinste dingen die ze doet worden gezien als een wonder. Ze mag nog geen vloeistof drinken, omdat er dan grote kans is dat ze zich verslikt. Haar hele linkerkant is verlamd. De thee, waar ze zo van houdt, hadden ze verdikt tot een papje en moest ze voorzichtig naar binnen lepelen. Ieder hapje vergde een enorme inspanning. Als ze het papje in haar mond had, moest ze in haar hersenen het signaal vinden om te slikken. Soms kon ze het juiste commando niet vinden en duurde het wel een minuut voor ze het papje kon doorslikken. Maar ze deed het wel. Ik ben geraakt door haar doorzettingsvermogen. Wat een power.

Vanochtend ben ik ‘gewoon’ opgestaan, ik heb gedoucht, gegeten en een mooie wandeling door de sneeuw gemaakt. Bij alles wat ik deed vroeg ik me af of mijn vriendin dit ooit weer zal kunnen. Ik realiseerde me hoe bijzonder veel dingen je doet op een dag zonder er bewust bij stil te staan en ervan te genieten dat je het kan.

Ik hoop dat mijn vriendin ooit weer gewoon kan eten en dat ík eten blijf zien als iets bijzonders. Het is fijn als het leven weer gewoon is, maar ook als het iets van zijn magische glans behoudt.

Dankbaar

Het bericht komt als een donderslag bij heldere hemel en verrast ons compleet. Een goede vriendin van ons is getroffen door een herseninfarct en ligt in het ziekenhuis. Het enige dat we kunnen doen is afwachten hoe het verder gaat. Het nieuws dringt nog niet echt tot me door. Het is zo onwerkelijk. Ik loop als een verdoofde zombie door het huis. Ik voel me onrustig en wil wat doen, maar weet niet wat. Ik voel de behoefte aan contact en om het aan zoveel mogelijk mensen te vertellen.

Mijn gedachten dwalen af naar Oudejaarsavond. Het was zo’n gezellige avond en we hebben samen zo gelachen. Er was niets wat erop wees dat ze drie dagen later in behoorlijk kritieke toestand in het ziekenhuis zou liggen. Ik ben blij en dankbaar dat we oudjaar samen hebben gevierd. Dit onverwachte onheil bevestigt voor mij weer eens dat het belangrijk is om zoveel mogelijk dingen in het leven te vieren. Uiteindelijk zijn dat toch de momenten waar je later in je leven met plezier op terug kijkt. Mijn vriendin is goed in het vieren van het leven. Ze is een zorgzame levensgenieter. Ik denk terug aan haar huwelijksfeestje van afgelopen voorjaar, ik zie haar voor me op haar vijftigste verjaardagsfeest en herinner me de fijne momenten dat ze er voor me was toen ik zelf ziek was. Ik hoop dat ik haar net zo kan ondersteunen als zij bij mij heeft gedaan. En dat ze goed hersteld natuurlijk.

’s Avonds krijgen we via de app gelukkig de eerste positieve berichten. Ze is bij, reageert soms op vragen en kan drie vingers van haar verlamde hand een klein beetje bewegen.  Nu is het afwachten hoe het herstel verder gaat verlopen. We zijn hoopvol gestemd.

Deze Kerst heb ik me voor het eerst in twee jaar weer fit en energiek gevoeld. Twee jaar geleden zat ik midden in de zware chemo’s en vorig jaar was ik nog doodmoe van de hyperbare zuurstoftherapie. Dit jaar sjouw ik echter met boodschappentassen, maak een kerstmenu en diverse hapjes, verbouw samen met Frans de woonkamer en tuig de kerstboom op om familie te ontvangen en samen kerst te vieren. Twee jaar lang hebben mensen voor mij gezorgd. Ik vind het heerlijk dat ik nu ook weer een beetje voor anderen kan zorgen. Dat herstelt de balans. Ik ben dankbaar dat ik dit weer allemaal kan. En ik ben dankbaar voor mijn lieve familie en trouwe vrienden.

Alleen de kerstkaarten zijn er dit jaar bij ingeschoten. Daarom wens ik iedereen een schitterend 2017 met veel momenten om samen te vieren en in dankbaarheid op terug te kijken.

bloemen

Zingeving

Frans is samen met een kameraad aan het hardlopen in het bos achter onze woning. Ik heb afgesproken met een vriend in de sauna. Als ik de deur uitloop zie ik dat de hardloopvriend van Frans zijn auto op onze oprit heeft geparkeerd, waardoor ik er niet uit kan met de auto. Mijn eerste impuls is om vreselijk boos te worden en gedachten als ‘wie zet er ook zijn auto zomaar bij ons op de oprit’ en ‘stom dat ik er niet aan heb gedacht hem te vragen waar hij zijn auto heeft geparkeerd’ schieten door mijn hoofd. Drama ligt op de loer. Toch is er iets in mij dat een andere keuze maakt. Iets in mij dat zich afvraagt wat eigenlijk het probleem is. Dat ik er niet uit kan met de auto en misschien een half uurtje moet wachten tot de mannen terug zijn en dan iets later in de sauna zal arriveren? Is dat het waard om me zo op te winden? Ik voel direct mijn innerlijke rust terugkeren. Ik stuur mijn vriend een appje dat ik iets later kom en geniet van een kopje thee tot de mannen terug zijn.

Bij aankomst in de sauna vraagt mijn vriend hoe het voor mij was dat de oprit voor mij geblokkeerd was. Ik antwoord dat ik de neiging had om boos te worden, maar dat ik er uiteindelijk voor heb gekozen om dat niet te worden.  ‘Heel goed’, zei hij.
Als we na een warm zoutbad aan de lunch zitten, vertelt hij over de cursus die hij afgelopen week heeft gevolgd. Hij vertelt dat er vier niveaus zijn waarop je kunt reageren op een situatie. Het laagste niveau is het niveau van het ons allen welbekende ‘drama’. We bezien de situatie als iets vreselijks en onrechtvaardigs dat ons is overkomen. De tweede manier om naar een situatie te kijken is om de situatie te zien als een probleem dat opgelost kan worden. Het zit in onze genen om naar oplossingen te zoeken en het geeft ook een goed gevoel als dit lukt. Bij het derde niveau vraag je jezelf af: ‘wie wil ik zijn in deze situatie?’ en ‘hoe wil ik reageren?’. Je bent je ervan bewust dat je een keuze hebt. Op het hoogste niveau speelt de vraag: ‘wat wil er gebeuren?’ of ‘wat wil deze situatie mij duidelijk maken?’ De situatie krijgt zin en betekenis.

Ik moet terugdenken aan het moment dat ik verdrietig, boos en verslagen bij de vijver zit, omdat ik net de diagnose borstkanker heb gekregen. Ik heb het idee dat het zwaard van Damocles mijn hoofd eraf gaat hakken en ik vraag me af of ik ooit nog gelukkig zal zijn. En dan komt uit het niets het inzicht: ik kan hier een drama van maken en dan wórdt het ook een drama óf ik kan proberen er een waardevolle periode van te maken. De uitdaging is om de kanker te zien als een zinvolle ervaring die ik ga meemaken. Deze benadering heeft me veel opgeleverd en het hele proces lichter en luchtiger gemaakt.

Als ik thuiskom van een heerlijk dagje sauna, valt mijn oog direct op een grote, witte vlek op mijn lievelingskastje in de gang. Bij navraag blijkt dat Frans er een warm koffiekopje op heeft gezet. Ik probeer snel of ik de vlek weg kan poetsen. Als dit niet lukt, haal ik de pot met bijenwas tevoorschijn om de vlek te laten verdwijnen. Maar wat ik ook probeer, niets helpt. De vlek blijft duidelijk zichtbaar. Nu ik geen oplossing voor het probleem heb schiet ik door naar niveau één; ik ga tekeer als een echte ‘drama queen’. Tierend en stampvoetend loop ik door het huis. Bah, denk ik boos, nu zal ik altijd als ik binnenkom, die stomme vlek zien en aan Frans denken die zo lomp was zijn koffiekopje op míjn mooie kastje te zetten en de machteloosheid voelen dat ik niet in staat ben de vlek weg te krijgen. Ergens in mijn hoofd hoor ik de vraag: ‘Wat wil er gebeuren?’ ‘Wat wil het mij duidelijk maken?’ Zacht en mild stroomt het inzicht binnen:  altijd als ik binnenkom, zal ik de lelijke vlek zien en die zal me eraan herinneren dat ik zelf kan kiezen welke betekenis ik aan een situatie geef.

Het maakt niet uit wat er in je leven gebeurt, je hebt altijd de macht om er een waardevolle betekenis aan te geven. Je kunt zelf zin geven aan gebeurtenissen in je leven. Ook al gaat het om zoiets onnozels als een witte vlek op een kastje. Wát je overkomt, heb je niet in de hand, wél hoe je erop reageert en ermee omgaat. Waarmee ik niet wil zeggen dat je niet boos mag worden, maar wees je ervan bewust dat boosheid een keuze is. En als je ervoor kiest om boos te worden, geniet er dan van!

Humberto Tan

De journaliste die me heeft geïnterviewd bij het Inloophuis Oude IJssel vraagt of ze een artikel over mij en mijn boek mag plaatsen in het weekblad Stad Doetinchem. Nou heel graag natuurlijk.

IMG_20161130_0002

Als de krant bij mij in de brievenbus valt, blader ik snel door naar de pagina waar mijn interview staat. De titel is ‘Intens geschreven boek geeft inzicht in een leven met borstkanker’ en er staat een foto bij van mij in een boom in onze tuin. Wanneer ik het artikel met trots heb gelezen, valt mijn oog op het artikel ernaast met de kop ‘Humberto Tan naar Talententuin in Ulft’. In een split second besluit ik dat dit mijn kans is om Humberto Tan kennis te laten maken met mijn boek. Helaas lees ik op de website dat alle kaartjes voor de sessie met Humberto Tan al zijn uitverkocht, maar ik besluit me hier niet door te laten afschrikken.

Vrijdagochtend tien uur rijd ik naar het Dru terrein in Ulft waar Humberto van half elf tot elf uur een lezing zal houden. Ik parkeer mijn auto en verken het terrein. Er waait een stevige, koude noordenwind. Hoe gaat zoiets in zijn werk, vraag ik me af. Komt hij in een auto met chauffeur? Verlaat hij het pand via een geheime achterdeur? Zullen er fans zijn die net als ik staan te wachten? Zal ik worden weggehouden door beveiligingsmensen? Zullen er dranghekken zijn?

Als ik bij het gebouw aankom waar de lezing zal plaatsvinden tref ik een leeg plein aan. Er is niets dat erop wijst dat in het gebouw een bekende Nederlander aanwezig is. Er zijn geen dranghekken. Sterker nog, er is helemaal niemand te zien. Ik loop een rondje om het gebouw en zoek naar een achter uitgang. Zou hij hier straks weg sneaken of zou hij gewoon via de hoofdingang naar buiten lopen? Ik speur de omgeving af naar een auto met chauffeur maar die kan ik nergens ontdekken. Dan loop ik over het parkeerterrein om te kijken of ik zijn auto kan traceren. Bijna alle auto’s vallen direct af, omdat ze op de kentekenplaat de naam van een garage uit de buurt hebben staan. Uit mijn onderzoek komen twee opties naar voren: een donkerrode Tesla en een zwarte Audi A6. Welk van die twee zal de auto van Humberto zijn? Ik gok op de zwarte Audi met op de kentekenplaat Rai garage Amsterdam.  Ik gluur naar binnen en zie behalve een caramelkleurige leren bekleding, een afgekloven appel en een geruite jas op de achterbank liggen. Ik vind het echt een jas voor Humberto. Dus besluit ik post te vatten bij de zwarte Audi. Hij zal toch een keer zijn auto in moeten stappen en nét voor dat moment zal ik hem mijn boek aanbieden. In gedachten oefen ik wat ik tegen hem zal zeggen. Ik ben bang dat mijn stem het niet zal doen op het moment suprême of dat ik het boek niet snel genoeg uit mijn tas kan krijgen. Het is kwart over elf. Ik verwacht nu dat hij elk moment kan verschijnen. Ik sta inmiddels driekwartier buiten en mijn tenen beginnen gevoelloos te worden.

De tijd verstrijkt, maar wie er ook verschijnt geen Humberto Tan. Ik voel me net een stalker. Ik sta inmiddels ruim anderhalf uur heen en weer te drentelen voor de auto waarvan ik denk dat hij van Humberto is. Ik bedenk dat hij vast via de achterdeur is ontsnapt en al lang en breed op weg is naar zijn volgende afspraak. Misschien had ik toch op die rode Tesla moeten gokken. Maar mijn intuïtie zegt dat ik gewoon moet volharden. Geduldig afwachten. Het zou toch jammer zijn als ik hem net misloop, omdat ik te vroeg naar huis ben gegaan. Het is inmiddels bijna één uur. Alles in mijn lichaam is gevoelloos geworden van de kou.

Helaas. Het is niet gelukt. Nou ja, ik heb het in ieder geval geprobeerd. Ik loop een stukje naar de parkeerplaats waar mijn auto staat. En dan zie ik een groepje opgewonden studenten aan komen lopen en ja hoor, middenvoor loopt een kleine, chocolade kleurige man met een donderblauw pak. Is dit echt Humberto? Het voelt een beetje onwerkelijk, na al die tijd wachten. Ja, hij is het echt. Het groepje loopt in rap tempo af op de zwarte Audi waar ik ruim twee uur bij heb staan wachten. Ik realiseer me dat ik slechts één kans heb en die is nu. Ik moet snel handelen anders is het moment voorbij.

Ik stap op het groepje af en roep ‘Humberto’. Hij draait zijn hoofd naar me toe en dan zeg ik snel: ‘mag ik je mijn boek aanbieden?’. Hij loopt door,  ik loop met hem mee. Hij kijkt een beetje verbaasd en neemt dan mijn boek aan. Ik zeg: ‘ik zou het heel fijn vinden als je het wil lezen. Ik hoop dat vrouwen met borstkanker kracht en inspiratie kunnen putten uit mijn boek’.  ‘Ja, dat begrijp ik’, zegt hij, maar ik krijg erg veel boeken en kan niet beloven dat ik het ga lezen. Ik zal het in ieder geval doorbladeren.’ Ik kan hem niet zo goed zien, want ik kijk tegen de zon in. Dan steekt hij snel zijn hand uit om me te bedanken.

Daarna wordt hij overvallen door de studenten die hem omringen en allemaal met hem op de foto willen. Ik sta erbij en kijk ernaar. Ik bedenk dat ik ook wel met hem op de foto wil, maar ik sta te lang te klungelen met mijn mobiel en dan is het moment voorbij. Hij stapt in zijn zwarte Audi en rijdt rustig weg. Hij is net als op televisie: relaxed, vrolijk en vriendelijk.

Even later zit ik koud en beduusd in de auto. Het is gelukt. Ik heb mijn boek kunnen overhandigen. Nu maar hopen dat hij het ook gaat lezen. Die kans is niet zo groot, want hij krijgt heel veel boeken om te lezen. Ik zie nog zijn kleine, uitgestoken hand voor me. Het deed me denken aan de hand van Lewis Hamilton, die ik ook ooit heb geschud, alleen was die veel zachter. Maar dat is een ander verhaal.

Tennis

Op mijn veertiende kwam er in ons dorp een tennisbaan. Het was zo’n beetje het enige wat je als puber kon doen in ons dorp, dus werd ik lid van de tennisclub en leerde ik tennissen. Het begin vond ik lastig, maar toen ik de slag eenmaal te pakken had werd ik steeds fanatieker. Ik deed mee met de clubkampioenschappen en speelde competitie. Ik ben altijd blijven tennissen, al werd ik in de loop der jaren minder fanatiek. In Doetinchem speelde ik al jaren met een vast clubje dames op de maandagavond. Daar ben ik mee gestopt toen ik de diagnose borstkanker kreeg en ik moest worden geopereerd aan mijn borst, waarbij ook de lymfeklieren van mijn rechterarm zijn weggehaald.

Ik had me al verzoend met het idee dat ik nooit meer zou kunnen tennissen met mijn arm. Ik had het voorzichtig een keertje geprobeerd, maar toen was de arm warm en dik geworden. Ik wilde niets forceren en het risico op een lymfoedeem arm zoveel mogelijk vermijden. Ik zei tegen mezelf dat ik prima kon leven zonder tennis. Er bleven immers genoeg leuke dingen over. En ik was blij dat ik me weer steeds fitter en energieker ging voelen. Dus fietste ik op een maandagavond naar de tennisclub om mijn vaste tennismaatjes te informeren dat ik niet meer zou gaan tennissen, omdat ik het risico op verslechtering van mijn arm niet wilde lopen. We lunchten nog een keertje gezellig met z’n allen en daarmee eindigde dan mijn ‘tenniscarrière’.

Toch begon het weer te kriebelen. En voor ik het zelf in de gaten had, appte ik één van de tennismaatjes of ze een keertje met mij wilde tennissen om uit te proberen of ik het nog zou kunnen met mijn arm. We begonnen met mini-tennis, waarbij we maar een klein deel van de baan gebruikten en elkaar heel zacht de bal toespeelden. Ik was nog heel voorzichtig en voelde ieder trekje en pijntje in mijn arm, maar ik raakte de bal verrassend goed. Het was net of ik vorige week nog had gespeeld in plaats van twee jaar geleden. We hadden rally’s van wel dertig keer en al snel hijgde ik als een paard van de inspanning. Mijn conditie was nog minimaal. Ik had niet verwacht dat ik er zo van zou genieten om weer op de tennisbaan te staan. Het heerlijke gevoel als je de bal goed raakt en deze als vanzelf over het net vliegt. We spraken snel nog een keer af. Ik wilde een paar keer spelen en dan beslissen of ik lid zou blijven van de tennisclub of dat ik echt definitief zou stoppen.

De tweede keer kwam ik net terug van vakantie. Ik voelde me krachtig en vol energie en ik speelde al snel bijna voluit. Ik durfde weer echt te slaan en dacht nauwelijks aan mijn arm. Het ging bijna weer als vanouds. Na twintig minuten merkte ik dat ik moest stoppen. Mijn arm werd dik en zwaar. Nu werd het spannend. Hoe snel zou de arm herstellen? Hoeveel last zou ik krijgen van het tennissen? Thuis gekomen was mijn steun en toeverlaat Frans er om mijn arm zachtjes te masseren en de huidlagen los te maken, zodat het vocht makkelijker kan worden afgevoerd.  Het heeft geholpen. Na een dag was de arm weer hersteld! Daarom probeer ik nu iedere week een half uurtje te tennissen. We bouwen het langzaam op. Serveren en hoge ballen lukken nog niet. Maar wauw wat vind ik het gaaf dat ik weer een beetje kan tennissen. Het begin is er.

Plastische chirurgie

Vrouwen die een borst hebben geamputeerd kunnen kiezen uit een uitwendige prothese, vulling met siliconen of een borstreconstructie met lichaamseigen vet. Maar ook voor vrouwen zoals ik,  die een borstbesparende operatie hebben ondergaan, zijn er mogelijkheden om via plastische chirurgie de borsten weer van gelijke omvang te maken. Hiervoor zijn twee mogelijkheden: de kleine borst kan worden opgevuld met lichaamsvet uit buik of benen óf de grote borst kan worden verkleind door weefsel weg te halen.

Sinds mijn operatie heb ik een grote borst en een borst die een stuk kleiner is en waar een litteken met een deuk in zit. Het valt niet heel erg op, maar is wel zichtbaar als je er op let. Ik vind het niet echt een probleem en durf bijvoorbeeld best naar de sauna of in bikini rond te lopen. Toch koos ik ervoor een gesprek aan te gaan met de plastisch chirurg van het ziekenhuis om deze optie te onderzoeken. Ik zou dan willen gaan voor de verkleining van mijn grote borst.

Ik werd opgeroepen door een verpleegkundige in operatiekleding, die direct allerlei vragen ging stellen. Het wekte de indruk dat alles al beslist was en ik alleen nog even hoefde te weten hoe het eruit zou komen te zien. Daarom benadrukte ik nog maar eens dat ik was gekomen voor een oriënterend gesprek en ik nog helemaal niet had besloten óf ik me wel wilde laten opereren.

De verpleegkundige schoof een map naar me toe met foto’s van verkleinde borsten. Ik vond het er allemaal niet heel erg aantrekkelijk uitzien. Daarna liet ze me alleen en moest ik nog een hele tijd wachten voor de plastisch chirurg kwam. Die vertelde dat ze zouden werken met een ankerlitteken: een groot litteken onder de borst met een lijntje omhoog naar de tepel. Het was afwachten hoe mooi het litteken zou genezen, dat was voor iedereen verschillend. Er kon ook wat hard weefsel ontstaan en een deel van de borst zou gevoelloos worden. Na de operatie zou ik zes weken lang mijn arm moeten ontzien, dus ook bijvoorbeeld geen autorijden. En ik zou zes weken lang dag en nacht een grote sport bh moeten dragen. Dat was heel belangrijk om alles goed te laten genezen. Het zou toch een grote operatie zijn met een kleine kans op complicaties als infectie of nabloeding.  Voor mij was er weinig nieuws bij, want ik had al deze informatie ook al op internet gevonden.

De chirurg vroeg of ik me even uit wilde kleden om de borsten te bekijken. Voor ik het goed en wel in de gaten had, tekende hij met een grote, zwarte viltstift lijnen op de borst, greep met zijn hand mijn borst en duwde een stuk weefsel naar binnen om te laten zien hoe het ongeveer zou worden.
Nu heb ik me de afgelopen twee jaar al behoorlijk vaak uitgekleed om mijn borsten te laten bekijken en bevoelen, maar dat gebeurde altijd respectvol en ik voelde me er nooit vervelend bij. In dit geval voelde ik me echter behandeld als een stuk vee dat gekeurd werd voor de markt. Alsof ik een stuk vlees was waar gemakkelijk wat vanaf gesneden kon worden.

Mijn besluit was snel genomen: ik zou niet in me laten snijden door deze man. Misschien dat er andere plastische chirurgen zijn die wel respectvol met menselijke lichamen omgaan, maar dat ga ik niet meer uitzoeken. Ik merk dat ik het moeilijk vind om in mijn borst te laten snijden, terwijl het een gezonde borst is waar niets mis mee is, alleen dat ik hem een beetje aan de grote kant vind. Ik wil ook geen gevoelloze borst met een groot litteken. Bovendien kan ik het echt niet opbrengen om weer zes weken rustig aan te doen, mezelf te ontzien en moe te zijn. Net nu ik me weer fit en energiek voel. Nee, er is genoeg gedokterd aan mijn lijf. Ik heb het overwogen, goed onderzocht en me laten informeren en besloten het niet te doen. Ik blijf gewoon met één grote en één kleine borst door het leven gaan. En daar ben ik blij mee.

Lezing

Dinsdag 25 oktober ging een lang gekoesterde wens in vervulling: ik heb een lezing gegeven over mijn boek en mijn ervaringen met borstkanker. Eigenlijk was het geen echte lezing. Ik werd namelijk geïnterviewd door een journaliste. Zij stelde de vragen en ik gaf de antwoorden. Dat vond ik een gemakkelijkere vorm dan zelf een hele lezing in elkaar zetten. De dag tevoren was de journaliste bij ons thuis geweest om de sfeer te proeven en de voorgestelde opzet met vragen aan mij voor te leggen. We zouden niet ingaan op het ziekteproces, maar op mij als persoon en hoe ik met de kanker was omgegaan.

Ik kreeg een compliment van de journaliste; ze had mijn boek in één adem uitgelezen, kon er niet mee stoppen. Ze vond het echt goed geschreven. Alle zinnen volgden elkaar logisch op vertelde ze, waardoor je blijft lezen. Ze denkt dat het boek veel mensen tot steun kan zijn en dat mensen er zinvolle informatie uit kunnen halen, omdat ik alles heel nauwkeurig heb beschreven. Wauw wat een compliment, ik bloosde ervan.

Op de avond zelf was ik behoorlijk gespannen. Wat zou mijn publiek van het verhaal vinden? Met schrijven denk ik niet zo na over wat mensen ervan zullen vinden, daardoor ben ik op papier meestal openhartiger dan in gesprekken. Ik keek naar de gezichten die op mij gericht waren, maar kon er niets uit afleiden. Het was muisstil. Zou mijn verhaal voldoen aan hun verwachtingen? Zouden ze er iets aan hebben en het boeiend vinden?

In eerste instantie was ik teleurgesteld dat er maar tien mensen op mijn avond verschenen. Maar uiteindelijk was het precies goed zoals het was. Een klein groepje waardoor de sfeer intiem en veilig was. Na een korte introductie van mezelf, begon de journaliste met de vraag wat schrijven voor mij betekent.  Aan de hand van de volgende vragen ontvouwde het verhaal zich als vanzelf. Af en toe vulde de journaliste wat aan en we lazen om de beurt korte passages uit het boek voor. Mooie muziek maakte het tot een geheel en gaf mensen tijd voor hun eigen gedachten en gevoelens.

Na afloop kreeg ik positieve reacties. De mensen waren onder de indruk en hadden het een mooie, inspirerende avond gevonden. Geheel boven mijn verwachting verkocht ik vijf boeken die ik allemaal persoonlijk heb gesigneerd. Het was fijn om te doen en ik kijk er met genoegen op terug. Het is mijn wens om vaker een lezing te geven over mijn boek en mijn ervaringen met borstkanker. Ik hoop dat het mensen inspireert en kracht geeft, hen aan het denken zet of helpt bij de verwerking van wat ze zelf hebben meegemaakt.

lezing

 

Dolomieten en Spanje

Vrijdag 16 september om elf uur rijden we – na een uitgebreide knuffelsessie met Lana – weg van ons witte huis aan de Kruisbergseweg. De spullen zijn gepakt voor vijf weken rondtoeren door Europa. We zijn nog maar net op weg als we een vreemd geluid horen dat we beiden vrijwel direct associëren met een kapotte uitlaat. Dus eerst maar even langs de garage. Het euvel is snel verholpen, maar Frans begint over een of ander oplaadsnoertje voor de telefoon en deze technische ingreep duurt ruim een uur. Rond half één rijden we richting Groessen om nog even de gerepareerde vakantiebroek van Frans op te pikken bij een lieve tante die deze voor ons heeft gemaakt. En dan hebben we honger. Dus besluiten we eerst nog maar eens lekker te lunchen. Bij van de Valk in Duiven nemen we een omelet en een maaltijdsalade en dan zijn we eindelijk echt klaar voor vertrek. Het is inmiddels drie uur ’s middags en het duurt dan ook niet lang voor we in de vrijdagmiddag spits in Duitsland terechtkomen.

Twee jaar geleden hadden we al de wens om met de camper naar Spanje te gaan, maar door mijn behandelingen voor de borstkanker kon dat toen niet. Nu zijn we vrij om te gaan en te staan waar we willen. Het oorspronkelijke plan was om samen vier weken weg te gaan, maar omdat de jaarlijkse vliegweek van Frans toevallig net voor onze vakantie viel, hebben we die er maar aan vast geplakt. De eerste week staat daarom volledig in het teken van vliegen. Ik word gedoogd, maar heb geen eigen inbreng in het groepje gepassioneerde paragliders. De avond voor vertrek is het nog onduidelijk waar we naar toe zullen gaan. Dit wordt bepaald door de twee weergoeroes van het vliegclubje. Vrijdagochtend krijgen we het bericht dat het zeer waarschijnlijk de Dolomieten in Italië gaan worden, maar dit kan zonder opgaaf van reden worden aangepast. Flexibiliteit is een vereiste deze eerste week. Ik suggereer voorzichtig het meer van Annecy, omdat dat nog een beetje in de richting van Spanje is, maar mijn opmerking wordt genegeerd.

Ik realiseer me ineens dat het koud kan zijn in de bergen en ben blij dat ik op het laatste moment nog wat warme kleding heb toegevoegd aan alle zomerjurkjes en korte broeken. Het voelde wat surrealistisch om een dikke fleecetrui in te pakken voor de vakantie, terwijl het zweet in straaltjes van mijn oververhitte lijf liep, door de uitzonderlijk hoge najaarstemperaturen in Nederland. Het kwik kwam zelfs boven de dertig graden, hoewel in het bos de eikels al naar beneden vielen. Raar idee om straks terug te komen in een landschap met kale bomen en lage temperaturen.

Langzaam maar gestaag vervolgen we onze weg door Duitsland. Het is prima weer om te rijden, bewolkt maar droog en met twintig graden een aangename temperatuur. Zoals gewoonlijk zijn er veel wegwerkzaamheden, die de nodige vertraging opleveren. Vooral tussen Karlsruhe en Stuttgart is het drama en rijden we zelfs op vrijdagavond tien uur nog in de file, die zich als een lang slingerend lint met rode lampjes voor ons uitstrekt. Frans vind via de app van NKC (Nederlandse Kamper Club) een kleine camperplaats in het plaatsje Kirchberg am Neck. Hier parkeren we onze camper en installeren we ons voor de nacht.

De volgende dag is het rustig herfstweer met een waterig zonnetje en een aangename temperatuur. Als snel krijgen we een appje vanuit de Dolomieten met de mededeling dat het regent en vier graden is. Ik vraag of de plannen niet beter bijgesteld kunnen worden in de richting van Frankrijk, maar hier wordt niet op in gegaan. Omdat het niet erg aantrekkelijk is om op een camping te zitten in de regen bij vier graden, besluiten we te genieten van het heerlijke weer nu het nog kan en eerst een lekkere wandeling te maken. Frans stuurt de camper van de snelweg bij Bad Ditzenbach. Een van de vele plaatsjes in de heuvelachtige omgeving van Stuttgart met een thermaal bad. Het is een omgeving met veel kuuroorden. Na ons ontbijt op de parkeerplaats van het thermaal bad, trekken we onze wandelschoenen aan en klimmen de steile Galgenberg op. Bovenop hebben we een mooi uitzicht over de met herfstkleuren getooide beboste heuvels. Het is al veel meer herfst dan in Nederland. De bodem is bedekt met een tapijt van geelgekleurde bladeren. Eigenlijk wilden we maar een uurtje wandelen, maar we lieten ons verleiden om het pad verder te volgen in plaats van om te keren. We liepen verder over glooiende velden met plukjes bos en weidse vergezichten. Het liep allemaal behoorlijk uit en voor we het wisten was het één uur en stopten we bij een leuk terras waar we alleen iets wilden drinken, maar waar de ober zo enthousiast zijn versgebakken pruimentaart – met pruimen uit de naastgelegen boomgaard – aanbeveelde, dat we deze wel moésten proeven. Mmmm, echt lekker. Voldaan lopen we verder over een hooggelegen pad met mooi uitzicht op de omgeving richting Bad Ditzenbach. Rond half drie zijn we terug bij de camper en vervolgen we onze weg richting de Dolomieten. Het is echter nog ruim zes uur rijden en dat betekent dat we niet voor het donker aan zullen komen. We besluiten daarom te overnachten in Brixen (Bressanone) en de laatste etappe door de bergen te bewaren voor de volgende dag. In Brixen weten we een leuke camping in de tuin van een hotel met als bijkomend voordeel een heerlijk Italiaans restaurant. Hier gaan we naar toe. We laten ons de pizza en de risotto met witte wijn goed smaken en rollen daarna samen onze knusse camper in.

Na een uitgebreid ontbijt rijden we via een prachtige, slingerende weg naar het hart van de Dolomieten. In Wolkenstein stoppen we voor een koffiepauze en maken kennis met de Italiaanse tiramisu. De laatste etappe is echt heel mooi. We rijden tussen de kilometers hoge rotspartijen door. De imposante reuzen van de Dolomieten. Rond twaalf uur zijn we op de camping in Campitello waar het zachtjes regent en ik kennismaak met het vliegclubje van Frans. Het is een leuk gezelschap en ik voel me al snel op mijn gemak. De sfeer is gemoedelijk. En we gaan eerst gezamenlijk onder de luifel van een grotere camper uitgebreid brunchen. ’s Middags maak ik met Frans een wandelingetje langs de rivier naar Canazei waar we wat drinken en dan langzaam teruglopen. Ik ben moe en heb last van de hoogte. Het lijkt wel of mijn benen gewoon niet vooruit willen. Terug bij de camper ga ik even plat en dan gaan we met de hele groep eten bij de pizzeria in het dorp waarbij de rode wijn rijkelijk vloeit.

Maandag 19 september is het weliswaar een zonnige dag, maar de wind is hard en komt uit het noorden en dat betekent dat de föhn actief is. Het is gevaarlijk om nu te vliegen, omdat de föhn van over de hoge bergen naar beneden blaast. Maar het is een heerlijke dag om te wandelen. Drie mannen van ons groepje gaan omhoog naar de Passo Pordoi om een pittige wandeling te maken naar een hooggelegen berghut. Wij maken met Loes en Joost een wandeling vanaf de Col de Rodella langs de voet van de Langkofel. Er waait een stevige, koude noorden wind en we pakken ons dik in met mutsen en handschoenen. Gelukkig komen we al snel een berghut tegen waar we ons kunnen warmen aan koffie met chocoladetaart. We nemen dezelfde route terug, maar dat is geen straf, want het is echt een prachtige wandeling langs de voet van alle imposante bergtoppen van de Dolomieten. ’s Avonds gaan we BBQen bij een temperatuur die dicht tegen het vriespunt aanzit. We zijn allemaal behoorlijk verkleumd als we naar bed gaan.

De eerste sneeuw is al gevallen. De mannen die op de Passo Pordoi hebben gewandeld laten foto’s zien van hun tocht. Het lijkt wel een expeditie naar de Noordpool. ’s Avonds slaap ik voor het eerst in een half jaar weer onder een dekbed en ik heb niet eens last van opvliegers. We zitten echt op het einde van het seizoen. Er zijn nog maar een paar liften open en die gaan over twee weken ook dicht, totdat met Kerst het winterseizoen begint.

De camping in Campitello is echt top en ligt hoog op ruim 1.400 meter. Niet alleen heb je naar alle kanten een prachtig uitzicht, ook het sanitair is wonderbaarlijk mooi met overal marmeren stenen, mozaïek, ruime douches met een zitbankje en niet te vergeten een verwarmde ruimte waar we met de hele groep kunnen zitten. De mannen dopen deze ruimte om tot ‘mancave waar vrouwen welkom zijn’ en waar ze iedere avond hun vluchten van die dag uploaden en de vliegroute voor de volgende dag uitzetten. Er wordt uitvoerig naar het weerbericht gekeken, er worden afspraken gemaakt over de route die ze gaan volgen en natuurlijk wordt alle apparatuur opgeladen.

IMG_20160920_131255Dinsdag is het dan eindelijk zover. Het is vliegbaar, zoals ze dat noemen. Opgewonden en licht gespannen treffen de mannen hun voorbereidingen om een lange overland vlucht te maken. Het weer is echter toch niet zo goed als was voorspeld en het is lastig starten met nulwind op de steile helling. Toch kiezen ze allemaal het luchtruim en al snel zie ik vanaf de camping de vrolijke kleurtjes van al die parapents hoog in de blauwe lucht. Ze proberen een grote ronde te IMG_20160920_131307vliegen, waarbij ze eerst hoogte opbouwen en dan de oversteek over het dal wagen naar het volgende bergmassief. Tegen de middag ga ik met de gondel omhoog naar de startplek. Samen met Loes, de enige andere vrouw in het gezelschap – waar ik het gelukkig prima mee kan vinden – lopen we met de mannen mee naar de lager gelegen zuidstart. Twee van de zes mannen hangen nog steeds in de lucht, de andere vier zijn geland en met de gondel weer omhoog IMG_20160920_132908gekomen. Zij gaan voor hun tweede vlucht. Helaas begint het licht te regenen en Frans besluit niet meer te starten. Met z’n drietjes klauteren we de steile grashelling omhoog en gaan met de gondel weer omlaag.

 

Woensdag hangen de wolken in het dal. De mannen gaan omhoog met de gondel in de hoop dat de wolken in de loop van de ochtend optrekken en zij toch nog lekker kunnen vliegen. Ik maak er een rustig dagje van bij de camper met lekker lezen en mijn blog schrijven. Loes heeft een portofoon en een verrekijker, hiermee kunnen we de capriolen van onze mannen in de lucht volgen. Via de portofoon kunnen we met elkaar communiceren en weten we wie waar uithangt. Met de verrekijker turen we naar de lucht, maar we weten niet goed wie welk scherm heeft. Eind van de middag lopen Loes en ik naar het landingsterrein om onze mannen te verwelkomen. We kijken goed naar alle schermen en prenten de kleuren in ons hoofd. Frans heeft een blauw met groen scherm. In een café sluiten we de dag af met een biertje. De stemming zit er goed in. Daarna koken we allemaal ons eigen potje en gaan vroeg slapen.

IMG_20160922_155801Donderdag is door de mannen bestempeld als de beste vliegdag van de week. Er is voldoende zon en de wolkenbasis hangt hoog genoeg om een verre tocht te maken. Loes en ik besluiten een mooie wandeling te maken hoog in de bergen. We pakken eerst de bus naar Canazei en vandaaruit twee gondels omhoog naar de Col de Rossi waar we een paadje over de kam van de berg volgen. We genieten van de telkens wisselende uitzichten. Loes is prettig gezelschap en we hebben bijna hetzelfde wandeltempo. Halverwege bij Via del Piane pauzeren we in een berghut met thee en vers gemaakte linzentaart. Daarna vervolgen we onze wandeling met uitzicht op de besneeuwde toppen van de Marmolada, de hoogste berg van de Dolomieten en het azuurblauwe stuwmeer aan de voet van deze imposante reus. Het laatste deel van de wandeling is een steile afdaling met hier en daar een kabel om ons aan vast te houden. Rond
vier uur zijn we bij het stuwmeer. We hebben nog tijd om in het zonnetje een drankje te nuttigen, voordat de laatste bus van die dag ons weer naar Campitello brengt. Ik heb erg genoten van deze wandeling. Via de portofoon horen we dat de mannen inmiddels ook allemaal weer veilig aan de grond staan. Sommigen hebben zo’n zes uur in de lucht gehangen. Frans heeft een mooie tocht van 35 kilometer gemaakt in twee en half uur vliegen. Hij landt in de buurt van Moena en lift terug. ’s Avonds gaan we met de hele groep uit eten bij onze vaste pizzeria van het dorp. We worden vrolijk begroet door de bediening, die ons inmiddels als vaste klanten beschouwt.

Vrijdag gaan we met z’n allen omhoog naar de Col de Rodella. Het is goed vliegweer en het is dan ook behoorlijk druk op de top. Overal liggen parapents klaar voor de start. Loes en ik kijken hoe de zes paragliders van ons clubje één voor één starten en volgen ze in de lucht met de portofoon en de verrekijker. Ze proberen met z’n allen een tocht te maken. Helaas heeft Frans geen verbinding met de portofoon en mist daardoor de aansluiting in de lucht, omdat de koers vanwege de wind is gewijzigd. Frans maakt vandaag twee vluchten, waarvan één helemaal naar Monte ….. in een zijdal van Predazzo. Hij maakt een zogenaamde buitenlanding – een landing buiten het officiële landingsterrein – en komt via drie liften van vriendelijke bewoners weer terug in Campitello. Loes en ik maken in de tussentijd een wandelingetje, eten taart op een terrasje, omdat het eindelijk heerlijk weer is en gaan dan naar het landingsterrein waar we de week afsluiten met een biertje. Het was een supergezellige week. Nog een laatste keer uit eten en dan zit het erop.

Volgens de weersberichten wordt het morgen een dag met laaghangende bewolking, waardoor de mannen eensgezind besluiten om naar huis te rijden in plaats van nog een dagje te vliegen. Met knuffels nemen we afscheid van elkaar en gaan we in groepjes uit een. Alleen Frans en ik blijven achter in Campitello. We moeten even wennen aan de nieuwe situatie en gaan eerst achter de laptop zitten om de kaart van Europa te bekijken. Alles ligt open. Onze Belgische vrienden, die we half oktober in Valencia zouden treffen, hebben afgezegd omdat hij zijn enkelbanden heeft gescheurd en waarschijnlijk eerst geopereerd moet worden. We bewaren Valencia wel tot een andere keer. Wat zullen wij gaan doen? Waar zullen we terecht komen?

We besluiten in ieder geval nog een dag in de Dolomieten te blijven en een mooie wandeling te maken ondanks de lage bewolking die de bergtoppen verbergt. Op weg naar de lift komen we langs een sportwinkel waar mijn aandacht wordt getrokken door een wandelbroek, die sterk is afgeprijsd. Al snel sta ik in een pashokje kleding te passen. Er zijn veel leuke spullen voor een aantrekkelijke prijs en zo staan we een half uurtje later weer buiten met drie wandelbroeken, sokken en een shirtje. Frans heeft een donkerblauwe afritsbroek gekozen. Ik een grijze en een zuurstok roze. We gaan eerst onze nieuwe aankopen terugbrengen naar de camper en dan is het middagpauze met de lift. We besteden de tijd goed door te lunchen en gaan dan met de eerste gondel omhoog. We wandelen langs de Langkofel naar de Alberto Pertini hut waar we maandag ook geweest zijn met Loes en Joost. Na een heerlijke Hollunder siroop kiezen we voor een steile afdaling via het Val du Duron naar Campitello. Dit blijkt een goede keuze te zijn. Het is een enorm steil pad vol keien en glijdend grint en het is een aanslag voor onze knieën, maar het is ook erg mooi met frisse bergweiden, geurende dennenbomen, bruisende beekjes en uitzicht op de toppen met een strakblauwe lucht, want de wolken zijn inmiddels allemaal verdwenen. De blauwe lucht is vol met kleurige parapents. De afdaling lijkt eindeloos te duren en mijn benen trillen gewoon van de inspanning. Uiteindelijk komen we uit op een breder pad dat ons naar een pittoreske hut leidt waar we thee en chocoladetaart nemen om krachten op te doen voor de laatste etappe. Het is inmiddels al rond zes uur. Een ree kruist ons pad en kijkt ons nieuwsgierig aan. Een roodbruin eekhoorntje volgt ons springend van boom naar boom. Rond half zeven lopen we het gehuchtje Piane binnen en zien we Campitello beneden ons liggen. We dalen via trappen af naar de kerk van Campitello en bereiken de camping rond zeven uur.

Zondagochtend gaat Frans eerst een paar uur aan het werk voor een klant, terwijl ik de afwas doe, de spullen inpak en zorg voor een kopje thee. Rond half één nemen we afscheid van Campitello, we voelen ons een beetje weemoedig om deze fijne plek achter ons te laten en langzaam laten we ook de Dolomieten achter ons. Het is een mooie route richting Trento waar we zowaar het fietspad herkennen waar we van het voorjaar hebben gefietst. Toen stonden de appelboomgaarden in bloei, nu hangen er volop rijpe appels. We rijden bij toeval tegen een idyllisch gelegen restaurant aan waar we stoppen voor een middagpauze. De menukaart oogt aantrekkelijk en we besluiten tot een warme maaltijd met uitzicht op de rotswanden van Trento. Ik heb last van een naar, branderig gevoel in mijn keel en slokdarm. Ik ben er chagrijnig van. Het slaat ook op mijn stem, waardoor ik moeite heb met praten. Ik ben er nog niet uit of het van mijn maag komt of dat het een opkomende verkoudheid is.

We koersen richting Genua. Bij het Gardameer is het druk en staan we een stukje in de file. Frans moet goed opletten in het hectische verkeer. Op de één of andere manier klinkt Genua niet heel aantrekkelijk om de nacht door te brengen. Mijn oog valt op La Spezia en ik moet denken aan jaren geleden toen we een bezoek hebben gebracht aan de vijf dorpjes van Cinque Terre. Het besluit is snel genomen, we stellen onze koers bij en rijden richting La Spezia. Het is wel een stukje om, maar wat maakt het uit. We doorkruisen eerst de saaie Povlakte, die wel met een strijkbout lijkt bewerkt, zo vlak als die is. We zijn een beetje knorrig, omdat we op weg zijn naar iets nieuws en iets vertrouwds achter laten en nog niet weten waar we uitgaan komen. Op dit moment vinden we even niets leuk. Langzaam wordt het landschap interessanter met beboste heuvels en kleurige dorpjes. Dan doemen onverwacht de Apennijnen op. Grijze toppen in een groen landschap. Machtig mooi. De snelweg waar ik op rijd is er één vol met bochten, heftige bruggen en donkere tunnels. Ik waan me af en toe op een circuit van de formule 1 met zulke cascades van bochten. We rijden eerst naar La Spezia en dan via de kust naar Cinque Terre waar Frans in Levanto een camping heeft uitgezocht. Via een steile bergweg komen we bij een kleine, afgelegen camping. We arriveren net voor donker bij de receptie. We krijgen een minuscuul plekje toegewezen waar onze camper maar net kan staan. Mijn humeur keldert nog wat verder. Ik vind het hier helemaal niet leuk. Er hangt een muffe geur, het is warm, de toiletten zijn primitief en we kunnen nauwelijks de camper uitkomen zo krap is het. Omdat het inmiddels pikdonker is geworden, besluiten we hier toch maar de nacht door te brengen. We doen de gordijnen dicht, maken een soepje warm, drinken een kopje thee en dan is het toch gewoon weer gezellig.

Maandagochtend pakken we onze spullen in en vertrekken nog voor het ontbijt naar het centrum van Levanto waar we in een supermarkt allemaal lekkere dingen inkopen. We ontbijten in de camper en rijden dan naar het station waar we een treinkaartje kopen voor de dorpjes van Cinque Terre. We kunnen overal waar we willen uit- en instappen en hebben met het kaartje ook toegang tot het kustpad dat de dorpjes met elkaar verbindt. Een deel van het kustpad is gesloten wegens recente landverschuivingen. In oktober 2011 is er hier een overstroming geweest met allesvernietigende modderstromen en hierbij zijn het kustpad en een flink aantal huizen volledig weggevaagd. De foto’s die er hangen tonen een enorme ravage. In 2012 is het pad hersteld, maar opnieuw getroffen door noodweer en aardverschuivingen. Gelukkig is veel alweer hersteld. De dorpjes Monterosso, Vernazza en Corniglia zijn lopend te bereiken, voor de andere twee dorpjes is het pad afgesloten.

Op het station moeten we even wennen aan de drukte. We kopen een kaartje voor Corniglia, een klein plaatsje dat hoog op een berg geplakt ligt. We beginnen de wandeling met een stevige trap omhoog naar het centrum van Corniglia, waar we een terrasje met uitzicht op zee pakken om iets te drinken en naar het toilet te gaan. De wandeling gaat over een smal stenen pad dat omhoog en omlaag slingert over de groene toppen en met uitzicht op de Azuurblauwe zee. Het is warm en zonnig en ik vind de wandeling behoorlijk pittig. Een kleine twee uur later komen we aan in Vernazza. We strijken eerst weer neer op een pittoresk terrasje hoog boven de zee. Hier drinken we verse jus en eten er een lekkere bruchetta bij. Het is tenslotte lunchtijd. Via steile trappen dalen we af naar het centrum van Vernazza waar het gezellig druk is in de smalle, kronkelige straatjes met roze en geel gekleurde huizen. DSCN6248 - kopieIn de kleine baai die aan het centrum grenst, nemen we een duik in zee. Op het strandje en de grote keien rondom de baai liggen overal mensen te zonnen en te lezen, terwijl kleine bootjes de haven in en uit varen. Het water is helderblauw en ik zie overal kleine visjes wegschieten als ik voorzichtig het water in loop. De grote stenen zijn bedekt met een laagje zeewier en zijn spekglad. Het water voelt zijdezacht aan. Rond vier uur pakken we de trein terug naar Levanto waar we op zoek gaan IMG_20160926_155201 - kopie
naar een andere camping. We kiezen voor San Michele. Het voelt direct goed. De ontvangst is hartelijk en we vinden een mooie plek op een heuvel met uitzicht op de bergen. De camping is klein en primitief, maar de sfeer is goed. Van de zes toiletten, zijn er twee gesloten (volgens mij wegens verstopping), twee bestaan er uit de bekende ‘schietstoelen’ en dan is er nog een toilet met een kapotte bril, waardoor slecht één toilet overblijft. De deuren van de toiletten zien eruit IMG_20160926_140823alsof ze meer dan honderd jaar oud zijn met grote metalen schuifsloten die in een gat in de witgekalkte muur verdwijnen. Het water voor de afwas is koud, maar dit lossen we op door warm water van de douches te tappen. De douches zijn gratis en hebben lekker warm water. We hebben het hier direct naar onze zin. Frans gaat zowaar aan het bier (alcohol vrij, dat dan weer wel). We genieten nog even van de avondzon en dan ga ik kokkerellen. Frans heeft een skypemeeting over de overname van de vliegschool. We eten buiten met een kaarsje een maaltijd van pasta met verse pesto, pijnboompitjes, tonijn, salade, olijven en feta. De temperatuur is hier heerlijk. Het blijft de hele nacht aangenaam, zodat je ’s nachts rustig onder de sterrenhemel in je nachthemdje naar het toilet kan lopen. We slapen met de deur wagenwijd open. Het is hier muisstil.

We zijn echte langslapers geworden (ik was dat altijd al, maar Frans is het nu ook). We gaan rond half elf slapen en worden meestal pas weer wakker tussen acht en negen uur ’s ochtends. Daarna is het uitgebreid ontbijten – in Cinque Terre kunnen we voor het eerst deze vakantie lekker buiten eten – en dan is het vaak alweer elf uur voor we enige actie ondernemen. We besluiten ons verblijf in Cinque Terre met een dag te verlengen. Wat is dat toch wat Italië zo’n prettig land maakt? Ik denk dat het komt, omdat de mensen echte levensgenieters zijn. Ze houden van lekker eten en drinken en weten overal een gezellige sfeer te creëren. Vandaag gaan we met de trein naar Vernazza waar Frans eerst een cappuccino drinkt en we daarna een echt Italiaans ijsje nemen, alvorens te starten met de wandeling naar Monterosso. We starten de wandeling met een forse klim, daarna loopt het smalle pad redelijk vlak met hier en daar een uitschieter omhoog. Hoewel het laagseizoen is, vind ik het behoorlijk druk. Regelmatig moeten we stoppen om tegemoetkomende wandelaars te laten passeren op het smalle keien pad. Ik vraag me af hoe druk het is in het hoogseizoen. Kun je hier überhaupt nog wel lopen dan? Het laatste stuk van de wandeling gaat langs en door op terrassen aangelegde akkers met bevloeiing van kanaaltjes. We lopen over rotsen die diep beneden ons uitkomen in de zee, die helderblauw onder ons schittert. Op het strand van Monterosso trekken we onze zwemkleding aan en laten ons drijven in het zoute water. Ik heb in het water een leuke ontmoeting met een Italiaanse dame die me allerlei tips geeft voor uitstapjes in de omgeving.

Monterosso blijkt een verrassend leuke plaats te zijn en we dwalen nog wat rond door de nauwe straatjes en gezellige pleinen voor we de trein terugpakken naar Levanto. Vanaf het treinstation in Levanto wandelen we naar het centrum en daarna naar het strand. We zijn net op tijd om de zon schitterend te zien ondergaan. Bij een bar op het strand bestellen we – net als bijna alle Italianen om ons heen – een Aperol als aperatief. Het is borreltijd. Het terrasje aan zee zit stampvol met rokende en drinkende Italianen. Dat roken is wel een nadeel, maar gelukkig vinden we een tafeltje met frisse zeebries. We krijgen er een plateau met chips, olijven, pizza en foccacia bij. Zomaar van het huis. We bestellen nog een pizza die we samen delen en genieten van de golven die zacht op het strand rollen. Via het oude centrum van Levanto lopen we terug naar het station, waar de camper gelukkig nog op ons staat te wachten. Terug op de camping nemen we nog een drankje en een watermeloen bij kaarslicht op ons privé terras.

De volgende dag nemen we afscheid van ons fijne plekje en van Italië en koersen richting Frankrijk. Frans vindt het leuk om een stukje binnendoor te rijden, dus volgen we de kleine blauwe bordjes richting Genua. Al snel klimmen we over een kronkelig bergweggetje naar huiveringwekkende hoogte. Ik durf nauwelijks naar de fonkelend blauwe zee te kijken die diep beneden ons ligt. Het is de enige weg die de geïsoleerde bergdorpjes met elkaar verbindt en we komen een bonte verzameling aan vervoermiddelen tegen, uiteenlopend van een Piaggio driewielauto die een keuken vervoert die tot driekwart over de laadklep naar buiten hangt tot grappige scooters en een grote, lege bus. Na een half uur rijden zijn er geen dorpjes meer en is de weg van ons alleen. Het is een intens verlaten gebied met gele bloemen en verschroeide bomen. Maar het duurt niet lang of we komen weer in de bewoonde wereld waar we de snelweg naar Genua pakken. Het is een smalle, drukke snelweg vol met grote vrachtauto’s en om de paar honderd meter een tunnel. Ik moet wennen aan de drukte en zie overal potentieel gevaar. Frans wordt er moe van. Het branderige gevoel in mijn keel en slokdarm is overgegaan in keelpijn met een doffe hoest. Vandaag ben ik snipverkouden met intense niesbuien en traanogen. De weg blijft druk en hectisch. Langzaam maar gestaag rijden we richting Frankrijk. Rond een uur of vier passeren we de grens Italïe – Frankrijk. Frans installeert de telepass die hij van zijn broer te leen heeft op onze voorruit en zo kunnen we de talloze tolpoortjes bijna ongemerkt passeren. De Franse driebaans snelweg is een genot om te rijden: breed met soepele bochten. We weten nog niet goed waar we naar toe gaan. We proberen op internet te zoeken, maar de verbinding is slecht vanwege al de tunnels. Tot irritatie van Frans is de internet- en mobiele verbinding trouwens de hele vakantie al bedroevend slecht. We zijn in Nederland gewoon verwend.

We proberen eerst een aantal campings in de buurt van Theoel sur Meyr, maar deze zijn allemaal al gesloten. We besluiten dan naar het iets verderop gelegen Fréjus te rijden, dit is een plaats met een aantal grotere campings waarvan we denken meer kans te maken. Via het Estrelle gebergte rijden we naar Club Le Colombier. De glooiende heuvels zijn bedekt met waaiervormige naaldbomen die een glanzende groenblauwe gloed uitstralen in het late zonlicht. Club Le Colombier oogt heel sjiek. Bij de poort worden we tegen gehouden. De portier vraagt of we een reservering willen maken. We wandelen naar de receptie waar een knappe Fransman ons in het Nederlands verwelkomt. Ze hebben nog een plekje voor ons en de prijs is tot onze verrassing de laagste van alle campings tot nu toe. De Fransman rijdt ons rond op een golfkarretje en toont ons welke plekjes nog vrij zijn. Het zijn ruime, ommuurde plekken met bloeiende bloemen en een eigen watervoorziening.

We worden kosteloos lid van Club Le Colombier en krijgen een armbandje om onze pols geknoopt als teken dat we erbij horen. Op de camper komt een sticker met een code die wordt gelezen door de slagbomen, die voor ons openveren. We zijn net op tijd om nog even te zwemmen in de lagune, een rondlopend zwembad met een eilandje in het midden en drie grote glijbanen. In zomer zal het vast een gegil en geschreeuw zijn van alle kinderen in het waterparadijs, maar nu is het heerlijk rustig. We zijn helemaal alleen in het zwembad op de twee ‘safeguards’ na dan, die nauwlettend in de gaten houden of we niet verdrinken in het 1.20 diepe water. Als we naar het toilet gaan worden we verwelkomd – geloof het of niet – door meditatiemuziek. We kokkerellen wat bij de camper en eten bij kaarslicht buiten, terwijl de ondergaande zon de hemel roodpaars kleurt.

Donderdagochtend gaat Frans na het ontbijt even aan het werk voor een klant, terwijl ik ga lezen in mijn boek ‘De honderdjarige die uit het raam klom en verdween’. Wat ik nog vergeten was te vertellen: Frans heeft een boek mee over paragliding (Mastering paragliding) waar hij erg enthousiast over is en dat geschreven is door Kelly Farina. Nu heeft Frans in de Dolomieten Kelly Farina ontmoet toen ze allebei op de start stonden. Frans was erg onder de indruk en heeft nog net niet om een handtekening gevraagd. Kelly was natuurlijk erg blij dat Frans zijn boek zo goed vindt.

Tegen de middag pakken we de camper en rijden naar een grote Carrefour. Ik mis de kleine, kneuterige Italiaanse supermarktjes waar ze tot je verrassing alles blijken te hebben. In de Franse supermarkt is alles te groot: ik loop met een veel te grote winkelwagen, over een veel te groot parkeerterrein, door een winkel waar je kilometers kan afleggen. Ik raak verstrikt in de keuzemogelijkheden: dertig soorten muesli, veertig soorten brie en vijftien soorten bronwater.

IMG_20160929_174054We kopen twee lekker gevulde baguettes die we bij gebrek aan een leuke lunchplek in de camper verorberen. Daarna gaan we op zoek naar de beginplek van het kustpad voor een mooie wandeling langs de zee en over de rotsen. Hoe we ook zoeken we kunnen het niet vinden. Dan besluiten we maar om naar het eindpunt te rijden en de wandeling in tegengestelde richting te maken. Helaas kunnen we het pad ook hier niet ontdekken. Een beetje mopperig besluiten we dan maar om op het strand te gaan liggen en lekker te gaan zwemmen. Het is een mooie baai met uitzicht op de groene heuvels en kalm, blauw water. Het is er druk. Het lijkt wel of ze hier een aantal busladingen met bejaarden hebben uitgeladen en die in het water hebben gezet voor aquarobics. Het is hier mooi, maar we moeten wennen aan het drukke verkeer, de vele mensen, de schaalgrootte. Het is niet onze plek.

Vrijdagochtend vertrekken we nog voor het ontbijt richting Spanje. Van een ochtendspits is niets te merken. De driebaanssnelweg ligt helemaal voor ons open en dankzij de Telepass scheuren we langs de tolpoortjes. Na Marseille wordt het drukker en volgt er een saai, vlak landschap. Autorijden is niet zo ons ding. We hebben de neiging om meer te pauzeren dan te rijden en dat betekent meestal dat het niet erg opschiet. We houden een lange lunchpauze onder een verdorde boom, waar Frans onze tafel met stoelen heeft neergezet voor een picknick. Dan koersen we richting de Spaanse grens. Op de één of andere manier heb ik altijd gedacht dat Perpignan, een stoere stad hoog in de bergen was – misschien komt het door de naam dat ik dat altijd heb gedacht – , maar het bleek juist in een vlak stuk land te liggen dat me niet kon bekoren.

Als bijrijder zoek ik op internet naar een leuke plaats om een aantal dagen te verblijven. De keuze is beperkt, want de meeste campings zitten tot onze verbazing al dicht. Hoe zit dan met al die overwinteraars vragen wij ons af? Op het schiereiland Cap de Creuses vind ik een camping in het plaatsje Roses die het hele jaar door open is. Dit lijkt me een goede keuze. Zeker omdat ik lees dat Cap de Creuses een natuurgebied is. Rond twee uur arriveren we bij de camping. Ik heb zeker al een voorgevoel als ik Frans vraag om de camper aan de kant van de weg te parkeren en eerst te gaan kijken. We lopen een rondje over het terrein. Ik word er mistroostig van. Hier wil ik echt niet staan. Het is een ommuurde zandbak met op elkaar gestouwde caravans en kampers. Vreselijk. Hoe kunnen die mensen hier allemaal vrijwillig staan, vraag ik me af. Is dit Spanje of hebben we gewoon nog niet het goede gebied gevonden zo vragen we ons af.

We besluiten verder te rijden naar Begur, een plaatsje waar mijn zwager en schoonzus met hun gezin van de zomer zijn geweest. Ik kan me niet voorstellen dat zij drie weken voor de lol in zo’n zandbak hebben gestaan. Het moet vast een mooie camping zijn. Deze camping is nog maar twee nachten open, daarom hadden we hem niet direct uitgekozen.

Richting Begur wordt het landschap steeds mooier. Heuvelachtig groen met rustieke Spaanse stadjes. Dit begint te lijken op het beeld wat ik van Noord-Spanje heb. Camping Begur is een verademing. We kunnen een plekje uitzoeken op de vrijwel lege camping, die over twee dagen sluit. Het is er groen en we kiezen een plekje op een heuvel onder de bomen met uitzicht op het zwembad. We drinken snel iets, pakken de zwemspullen en wandelen richting Platja Aiguablava, een wandeling van twintig minuten. We komen bij een haventje uit waar we omheen wandelen, dan klauteren we via een bergpad en vele rotsen richting Platja Fonda. De route is gemarkeerd met rood-wit. Platja Fonda is een kleine baai waar de zee met donderend geweld op de rotsen slaat. We durven hier niet te gaan zwemmen. We houden het bij pootje paden en zitten een tijd romantisch samen op een rots naar de golven te kijken. Daarna lopen we in een pittig tempo terug, want het wordt al bijna donker. We maken nog even gebruik van het verwarmde zwembad op de camping dat om acht uur sluit en nemen een verkwikkende douche. Van onze schoonzus krijgen we per app informatie over een goede eetgelegenheid: de pizzeria in Calella de Parafrugell. We vinden de pizzeria vrij gemakkelijk in het gezellige plaatsje en eten een verrukkelijke pizza en ijs als dessert. De temperatuur is hier ideaal. Zelfs ’s avonds kun je nog lekker buiten zitten zonder dat het verstikkend warm is om te slapen. We slapen wel met de deur van de camper open voor de frisse lucht.

Het is tijd om te wassen en aangezien ze op de camping een wasmachine hebben, koop ik bij de receptie een muntje en doe nog voor het ontbijt de was. Daarna willen we gaan zwemmen, maar het zwembad gaat pas om tien uur open, daarom loop ik naar de supermarkt, die net naast de camping is, voor vers brood, terwijl Frans wat werkzaamheden verricht voor een klant in nood. Na een uitgebreid ontbijt lopen we eerst naar het stadje Begur (helaas op zaterdag rijden er geen bussen) vanwaar we een wandeling willen maken naar Ses Negres Reserva Marina. We hebben wat moeite om het beginpunt van de route te vinden. Er staan wel bordjes maar het vervolg zijn we telkens na een paar honderd meter kwijt. We hebben al drie pogingen gedaan als een vriendelijke, goed Engels sprekende Spaanse ons op het juiste spoor zet. Ze heeft de wandeling toevallig pas zelf gedaan. Het was wel spoorzoeken geweest, vertelde ze, maar het is ook de moeite waard en aan het einde wacht het strand als beloning, moedigt ze ons aan. Het is een woest pad langs een opgedroogd riviertje. We komen telkens sportende, groepjes mensen tegen en na een tijdje vragen we maar eens wat ze aan het doen zijn. Het blijkt dat ze meedoen aan een honderd kilometer loop: de oncotrail. Het is een estafetterace om geld in te zamelen voor kanker. Jammer genoeg is er nauwelijks publiek voor deze sportieve mensen met het hart op de goede plaats, daarom moedigen wij ze luid klappend aan terwijl we onze duim omhoog steken en af en toe ‘bueno’ roepen. Het is altijd weer leuk om te zien hoe aanmoedigingen mensen nieuw elan kunnen geven en een glimlach op de gezichten tovert. Dit weten we uit ervaring van de triatlon wedstrijden met Indra.

We komen uit bij Sa Riera, wat niet geheel volgens plan is, maar wat maakt het uit. Het is een mooi strand waar we lekker kunnen zwemmen. Daarna vervolgens we onze tocht over steile rotsen langs de kust richting Ses Negres wat we echter niet kunnen vinden. We lopen richting Aiguafreda, maar ook dit strandje vinden we niet. We besluiten dan maar om terug te gaan naar Begur. Het is naar inschatting nog een flinke wandeling en het is al bijna zes uur. Na enig speurwerk vinden we het bospad dat ons naar Begur leidt. We komen nu via een andere kant het plaatsje binnen en zijn verrast door de steile straatjes en de leuke winkeltjes en pleintjes. Terug op de camping genieten we van de stilte en eten buiten met een kaarsje een zelfgebrouwen maaltijd, terwijl we naar de sterren kijken. We gaan vroeg slapen, want ik ben moe van de lange wandeling.

IMG_20161002_170757 - kopie IMG_20161002_174340 - kopie IMG_20161003_123706 - kopie IMG_20161003_123600 - kopie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jammer dat we deze fijne plek moeten gaan verlaten. We waren graag nog wat langer gebleven. Een beetje weemoedig nemen we afscheid en rijden naar camping Mas Patoxas, één van de twee campings in dit gebied die het hele jaar door open zijn. Het is een wat grotere camping met veel caravans met vaste plaatsen die zij aan zij staan opgesteld in verschillende rechte straten. Gelukkig vinden we een rustig plekje in een vrijwel lege straat. We geven het nummer door aan de receptie en vertrekken direct weer richting Pals, een middeleeuws vestingstadje met toren, kerk en huizen van gestapelde stenen. Echt de moeite van een bezoek waard. Hierna rijden we naar het strand van Tamariu waar het op de zondagmiddag gezellig druk is.

IMG_20161002_125943 - kopieWe zoeken een plekje in de beschutting van de rotsen en nemen dan een duik in zee. Het water is lekker van temperatuur en glad als een spiegel. In Nederland zou ik nooit zo diep de zee in gaan, maar hier heb je de beschutting van de baai en bovendien loopt het strand heel steil af, waardoor je met twee passen al niet meer kan staan. Je kan hier echt zwemmen in de zee en ik zwem dan ook de baai een aantal keren heen en weer. Helaas is de zon verdwenen achter de wolken en waait er een koude wind. We trekken onze kleren weer aan en volgen een rood-wit gemarkeerde route over de rotsen langs de zee. Het is een pittige klim, maar erg de moeite waard. Na een tijdje gaan we op een grote rots zitten met uitzicht op de baai. We komen nu echt tot rust. Tegen een uur of zes rijden we naar Calella de Parafruguell waar we onze pizzeria weer opzoeken. Deze is echter nog gesloten. De Spanjaarden hanteren wat andere etenstijden dan we in Nederland gewend zijn. Tussen half twee en drie uur gaan de Spanjaarden uitgebreid lunchen. Eigenlijk is dit hun hoofdmaaltijd. Tot vijf uur is dan alles gesloten en vanaf acht uur beginnen ze met het diner, maar het is ook heel gewoon om dit nog om elf uur ’s avonds te doen.

We lopen over het lieflijke strandje in Calella de Parafrugell en gaan op een bankje zitten kijken naar de ondergaande zon. Daarna is onze pizzeria open en bestellen we een bruchetta met tomaat, een gemengde salade en twee pizza’s. En niet te vergeten een glas wijn. Wat een heerlijke vakantie is het toch.

Als ik de volgende ochtend wakker word op camping Mas Patoxas zie ik dat wij als enige de camper dwars hebben neergezet in plaats van in de breedte zoals iedereen. Hierdoor hebben we een mooi uitzicht over de vrijwel lege straat met bomen. Na het ontbijt verlaten we de camping en rijden we naar Cap de San Sebastian. Vanaf hier hebben we een mooi uitzicht over de rotsen en de kleine badplaatsjes beneden ons. We maken een wandeling richting Tamariu door de bossen en langs de kust. Daarna parkeren we de camper in Llafranc waar we nog even gaan zwemmen. Weer een ander strandje met een andere sfeer. Het is heerlijk weer vandaag en we wisselen het zwemmen af met lezen. Ik heb mijn boek bijna uit. Ik vraag me af hoe fel de zon nog is en of het nog nodig is om me in te smeren met zonnebrand. Voor de zekerheid doe ik het toch maar, ik wil mijn huid niet laten verbranden. Als afsluiting van het strandleven nemen we nog een ijsje in Calella de Parafrugell en dan stellen we de Tomtom in op Vacarisses waar we bij Montse en Luis een AirB&B hebben geboekt voor twee nachten. Ik wilde graag naar de ronde bergen van Montserrat waar we ruim twintig jaar geleden zijn geweest met een vriendin van ons. We konden nergens in de buurt een camping vinden en toen kwam Frans op het goede idee om een AirB&B te boeken. Hier hebben we immers goede ervaringen mee.

Ik rijd langs de kust naar Barcelona waar we in de avondspits terechtkomen. Vanaf Barcelona rijden we het binnenland in tot in de verte de ronde bergen van Montserrat verrijzen. De Tomtom stuurt ons langs, kleine steile, kronkelwegen steeds verder van de bewoonde wereld af. Voor ik het in de gaten heb rijd ik over een onverhard pad met flinke kuilen. Ik houd de vaart er een beetje in, anders ben ik bang om niet tegen de heuvels omhoog te komen met onze camper. We rijden verder en verder, maar ik heb nog geen argwaan, omdat ik nog bandensporen zie in het rode zand. Na nog eens tien minuten begin ik toch te twijfelen aan de Tomtom. Dit kan toch niet goed zijn? Er komt nu een helling aan die ik niet durf te nemen met de camper. Frans en ik vinden het beiden verstandig om om te keren. Frans helpt me met keren op de helling met grote rotsen. Het doet me denken aan het rijden op de onverharde wegen van Hawaiï. Ik ben trots dat het keren zo goed lukt. Heel rustig laat ik de camper over het grindpad naar beneden rollen. Frans probeert met Google Maps te traceren waar we zijn, maar we zien alleen een blauw bolletje in een eindeloze groene zone zonder wegen. Dan maar gewoon dezelfde weg terugrijden. En ja hoor, als we weer in de bewoonde wereld aankomen, zien we dat we er gewoon straal langs op gereden zijn. Frans had namelijk Calle de Reu 5 ingetikt, omdat de Tomtom het nummer 5Bis niet begreep. We bellen aan bij de houten poort en vragen ons af of Montse de vrouw of de man des huizes is. Al snel komt er een vrouw aan lopen die de poort voor ons opent, waarna Frans de camper de steile oprit oprijdt. Het kan allemaal net, we houden geen centimeter extra over om de bocht te kunnen maken.

Montse blijkt de vrouw des huizes te zijn. Luis is een man met een grote bos grijze krullen. Ze spreken beiden voornamelijk Catalaans. Montse toont ons de gezellige houten slaapkamer met aangrenzende badkamer. We mogen gebruik maken van het zwembad en de tuin en dan is er als surprise nog een grote kelder waar het ontbijt geserveerd wordt en waar een grote televisie, een computer, een bank en een voetbalspel staan waar we allemaal gebruik van mogen maken.

Als we willen kunnen we eten laten bezorgen. Aangezien we niet veel fut meer hebben om weer met de camper op pad te gaan door deze verlaten bergstreek, lijkt ons dat een goed idee. We hebben wat tijd nodig om de menukaart te ontcijferen die in het Catalaans is en tot een besluit te komen. We vragen Luis om voor ons te bellen. We zien hem met zijn hoofd schudden, terwijl hij ‘bale, bale’ roept. Het thuisbreng restaurant is vanaf vandaag gesloten. Montse komt met een kaart aan waarop ze uitlegt waar een restaurant zit waar we kunnen eten. We rijden er redelijk gemakkelijk naar toe. Er is niet veel keus en het eten is matig. De ober is erg verstrooid. Eerst vergeet hij helemaal om ons een menukaart te geven en dan vergeet hij de drankjes te serveren en dan ontkurkt hij speciaal voor mij een fles rode wijn, terwijl ik een glas witte wijn heb besteld. Het is al laat als we terugrijden richting ons logeeradres dat niet in de Tomtom en niet in Google maps te vinden is. Ergens hebben we een afslag gemist, maar waar dat blijft een mysterie. We komen uit in een vreemde stad en het lukt ons niet om ons te oriënteren. Wonderwel komen we toch vrij snel uit bij onze overnachtingsplek.

Ik ben geurgevoelig en dat is best lastig. Ik kan genieten van heerlijke geuren, maar meestal irriteren ze me mateloos. In dit geval betrof het het beddengoed dat gewassen was met een wasmiddel dat een penetrante geur verspreide waarvan mijn neus direct dichtsloeg en me hoofdpijn bezorgde. Daarom haalde ik mijn eigen kussen, laken en fleecedeken uit de camper. Midden in de nacht constateerde ik een beginnende blaasontsteking. Hiervoor had ik middelen meegenomen: ik vroeg Frans om voor mij een limoen, een citroenpers en ontsmettingsmiddel uit de camper te halen. Het was inmiddels drie uur. Hierna kon ik de slaap niet vatten. Het leek wel of ik telkens een zacht speldenprikje in mijn benen voelde, alsof ik werd gebeten. Het idee van bedbugs kwam in me op. Ik knipte zelfs even het licht aan om te kijken of ik beestjes kon ontdekken. Maar ik zag niets en zei tegen mezelf dat ik niet van die rare dingen moest denken. Gewoon gaan slapen Dorothé zo vermande ik mezelf.

Het ontbijt bestond uit cake met warm water uit de magnetron waar we thee van maakten. Hoewel de cake prima smaakte werd ik al snel misselijk van het zoete spul in mijn maag op de vroege ochtend. Eerst maar eens een ‘supermercat’ opzoeken, zodat we met eten wat minder afhankelijk zijn van wat de pot schaft hier in Spanje. Het kost ons ruim een uur om een supermarkt te bereiken. We slaan eten in voor twee dagen en rijden dan via een spannende bergweg naar het klooster van Montserrat. Tot onze verrassing is het hier behoorlijk druk. Waar komen al die mensen vandaan? We lunchen eerst op een bankje in de zon en gaan dan op onderzoek uit. Het klooster van Montserrat is gebouwd tegen grillige rotsen aan. Hoe hebben ze het kunnen bouwen vraag ik mezelf af. Het klooster heeft een mooi binnenplein en een fraaie gevel. Binnen in is het vrij donker. Het klooster van Montserrat is onder andere beroemd vanwege de zwarte Madonna, de zwarte Maria, die al veel mensen heeft genezen en geholpen met hun problemen. Er staat een hele lange rij van mensen te wachten op een ontmoeting met de zwarte Madonna. De zwarte Madonna staat in ee